Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:4438

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
13/674015-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man krijgt 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk omdat hij in september 2017 een man in Amsterdam-Nieuw-West onder bedreiging van een vuurwapen van zijn portemonnee en telefoon heeft beroofd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT

VONNIS

Parketnummer: 13/674015-18

Datum uitspraak: 27 juni 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij, de vordering van de benadeelde partij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Sietsma naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich met een ander op 22 september 2017 (feiten 1, 2, 3 en 4) en 5 september 2017 (feit 5) in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. diefstal met geweld van een jas, mobiele telefoon en een portemonnee van [slachtoffer] ;

2. wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] ;

3. afpersing van [slachtoffer] door hem te dwingen inloggegevens/codes van de mobiel bankieren app ter beschikking te stellen;

4. computervredebreuk in een internetbankierenomgeving;

5. een poging tot diefstal met geweld.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld (feit 1), wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2), afpersing (feit 3) en computervredebreuk (feit 4). De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de diefstal met geweld (feit 5) op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu onvoldoende bewijs aanwezig is dat verdachte dit feit heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4 primair vrijspraak bepleit, nu niet kan worden bewezen dat verdachte deze feiten heeft begaan. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangever onvoldoende wordt ondersteund door onafhankelijk en objectief bewijs. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen, nu de medeverdachte van deze feiten reeds is vrijgesproken. Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit, omdat voor een bewezenverklaring onvoldoende bewijs aanwezig is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 5

Met de officier van justitie en raadsman acht de rechtbank niet bewezen wat onder feit 5 is ten laste gelegd, nu onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Veroordeling ten aanzien van feit 1, 2, 3 en 4

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Op grond van de verklaring van de aangever en de verklaring van de getuige [naam getuige] kan worden vastgesteld dat de aangever op 22 september 2017 is overvallen, afgeperst en van zijn vrijheid is beroofd en dat hij gedwongen is om de inlogcode van zijn internetbankieren af te geven. Bovendien blijkt uit de loggegevens van het internetbankieren dat is getracht geld van zijn rekening over te maken.

De aangever heeft verdachte tijdens een FOSLO-confrontatie herkend als de persoon die hem heeft overvallen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze herkenning van verdachte in voldoende mate wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. Zo blijkt uit de gegevens van de telefoon van de aangever dat op 22 september 2017 om 16:19 uur met de telefoon van aangever is gebeld naar het nummer [nummer] . Dit nummer peilde op 22 september 2017 rond 17:00 uur uit in de omgeving van Slotermeerlaan te Amsterdam, zijnde de plek waar de aangever door de overvaller mee naar toe is genomen om te pinnen. Dit telefoonnummer komt naar aanleiding van een melding van verdachte van diefstal van zijn snorfiets in de politiesystemen voor als het telefoonnummer van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat hij aangifte heeft gedaan van diefstal van een scooter. De gestolen scooter van verdachte betrof een grijze scooter van het Piaggo Vespa Sprint met schade aan de rechterzijde. Dit komt overeen met de door de aangever en de getuige gegeven omschrijving van de scooter van de overvaller. Daar komt bij dat er tussen verdachte en [naam getuige] 114 keer telefonisch contact is geweest in de periode rond de overval en dat – blijkens loggegevens van het rekeningnummer van de aangever – op 22 september 2017 is geprobeerd om geld over te maken naar [naam 1] en [naam getuige] . Verdachte heeft bevestigd dat hij [naam getuige] en [naam 1] kent.

Gelet op bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging van een ander heeft begaan. Van het medeplegen wordt hij vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 22 september 2017 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas en een mobiele telefoon en een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij,

verdachte,

- die [slachtoffer] bij zijn jas heeft vastgepakt en

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "Mee komen" en "Geef mij alles wat je hebt",

- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) ter hand heeft genomen en meermalen op die [slachtoffer] heeft gericht en

- de mobiele telefoon uit de hand van die [slachtoffer] heeft gerukt en

- die [slachtoffer] tegen het gezicht heeft gestompt en

- die [slachtoffer] heeft gedwongen op een scooter mee te rijden en

- een portemonnee uit de hand van die [slachtoffer] heeft gerukt;

ten aanzien van feit 2:

op 22 september 2017 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd en

- die [slachtoffer] tegen het gezicht gestompt en

- tegen die [slachtoffer] gezegd: "Je gaat met mij mee. We gaan pinnen" en

- die [slachtoffer] opgedragen achter op een scooter te gaan zitten en

- is hij, verdachte met die [slachtoffer] gaan rijden,

in elk geval heeft hij, verdachte die [slachtoffer] belet te gaan waarheen hij wilde gaan;

ten aanzien van feit 3:

op 22 september 2017 te Amsterdam met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten de inloggegevens/de code van de mobiel bankieren app (van een ABN AMRO rekening), toebehorende aan [slachtoffer] , welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte

- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) ter hand heeft genomen en meermalen op die [slachtoffer] heeft gericht en

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Voer de code in",

- de mobiele telefoon uit de hand van die [slachtoffer] heeft gerukt en

- de inloggegevens/de code voor de mobiel bankieren app (ABN AMRO) heeft ingetoetst;

ten aanzien van feit 4:

op 22 september 2017 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, weten een mobiele telefoon, in elk geval een internetbankierenomgeving (van ABN AMRO), is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, te weten onrechtmatig verkregen inloggegevens/code van een mobiel bankieren app van een de ABN AMRO Bank.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarnaast de gevangenneming van verdachte gevorderd.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de raadsman geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld (feit 1), wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2), afpersing (feit 3) en computervredebreuk (feit 4), waarbij hij onder dreiging met een wapen zijn slachtoffer heeft gedwongen met hem mee te gaan en tot afgifte van zijn jas, telefoon, portemonnee en inloggegevens. Verdachte is hierbij enkel op financieel gewin uit geweest en heeft zich niet om de gevolgen voor het slachtoffer bekommerd. Dergelijke misdrijven hebben impact buiten de kring van de direct betrokkenen. Deze feiten worden immers als schokkend ervaren door de samenleving en dragen er aan bij dat binnen de samenleving gevoelens van onveiligheid toenemen.

De ervaring leert bovendien dat slachtoffers van dergelijke misdrijven als gevolg van hetgeen hen is overkomen nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Dit blijkt ook uit de in onderhavige zaak ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, waarin het slachtoffer heeft verklaard dat hij vreesde voor zijn leven toen hij hoorde dat het wapen dat op zijn hoofd was gericht werd doorgeladen. Tot op de dag van vandaag heeft het slachtoffer nachtmerries en kijkt hij om bij elke scooter die hij hoort.

De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Nu voor de bewezenverklaarde feiten geen oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht beschikbaar zijn, zoekt de rechtbank aansluiting bij het oriëntatiepunt van “straatroof met licht geweld/bedreiging geweld”. Hierop staat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. De rechtbank neemt dit als startpunt bij het bepalen van de op te leggen straf.

Uit hetgeen ter terechtzitting is besproken blijkt dat verdachte bij zijn ouders woont en geen inkomen heeft. Verdachte ambieert een baan als taxichauffeur maar gelet op de verdenkingen tegen hem in deze zaak, is aan hem vooralsnog geen verklaring omtrent gedrag afgegeven. Verder is weinig over verdachte bekend, nu hij aan het opstellen van een reclasseringsrapport geen medewerking heeft verleend.

De rechtbank overweegt dat als strafvermeerderend in aanmerking dient te worden genomen dat het bewezenverklaarde meerdere strafbare feiten oplevert, waardoor hier sprake is van méér dan een straatroof met licht geweld of bedreiging. Verdachte heeft immers ook geprobeerd om veel geld van de rekening van het slachtoffer over te maken. Daarbij komt nog dat hij een vuurwapen heeft gebruikt, op het bezit waarvan in Amsterdam doorgaans reeds een jaar gevangenisstraf staat.

De rechtbank neemt daarnaast als strafverzwarende omstandigheid aan dat hij op doortrapte wijze te werk is gegaan. Hij heeft het slachtoffer opgezocht kennelijk naar aanleiding van een tip van een bekende, heeft hem geslagen en bedreigd met een vuurwapen, om hem op die manier te dwingen met hem mee te gaan pinnen en hem goederen en inloggegevens afhandig te maken. Ook de lange tijdsduur van het incident, waarin het slachtoffer angstgevoelens heeft ervaren, weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Verdachte heeft bovendien geen enkel inzicht in zijn handelen gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat in het voordeel van verdachte dient te worden meegenomen dat hij blijkens het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 mei 2019, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank ziet geen gronden om de gevangenneming van verdachte te bevelen. De vordering tot gevangenneming zal worden afgewezen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

Benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 1.441,85 aan materiële schade, € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft gelet op de bepleite vrijspraak de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank overweegt dat vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. Bovendien is de vordering door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met facturen en jurisprudentie.

De rechtbank zal daarom de vordering van de benadeelde partij van € 3.941,85 toewijzen, bestaande uit € 1.441,85 aan materiële schadevergoeding, € 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2017, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij wordt aan de verdachte de verplichting opgelegd om de som van € 3.941,85 te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij. Voor het geval de verdachte niet (volledig) betaalt en er ook geen (volledig) verhaal mogelijk is, wordt hem vervangende hechtenis opgelegd voor de duur van 49 dagen.

9.2

Benadeelde partij Dukker

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 141,07 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie zich, gelet op de door haar gevorderde vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.

Gelet op de bepleite vrijspraak, heeft de raadsman de rechtbank verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu verdachte van het tenlastegelegde feit is vrijgesproken. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 138ab, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken of het bezit van het gestolene te verzekeren;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;

ten aanzien van feit 3:

afpersing;

ten aanzien van feit 4:

computervredebreuk.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [slachtoffer], toe tot een bedrag van € 3.941,85 (drieduizend negenhonderdéénenveertig euro en vijfentachtig eurocent, bestaande uit € 1.441,85 (veertienhonderdéénenveertig euro en vijfentachtig eurocent) aan materiële schade, € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) aan immateriële schade , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 22 september 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van € 3.941,85 (drieduizend negenhonderdéénenveertig euro en vijfentachtig eurocent, bestaande uit € 1.441,85 (veertienhonderdéénenveertig euro en vijfentachtig eurocent) aan materiële schade, € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 22 september 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 49 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in diens vordering tot schadevergoeding, nu verdachte van dit feit is vrijgesproken.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.E. Geradts, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juni 2019.