Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:4317

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5114
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:659, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rechtsbijstand, vervolgaanvraag vergoeding extra uren, niet in geschil dat het gaat om een bewerkelijke zaak, vertrouwensbeginsel, evenredigheidsbeginsel, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/5114

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Den Haag, eiseres,

(gemachtigde: mr. V.J.M.H.Y Haaster)

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: G. van Dort).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de vervolgaanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 3 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1

De zaak waar de gemachtigde van eiseres een toevoeging voor heeft aangevraagd, gaat over een ambtenarengeschil. Eiseres is per [datum] 2001 in vaste dienst aangesteld van het openbaar primair onderwijs te Den Haag ( [naam] ). In oktober 2014 is eiseres uitgevallen wegens ziekte. [naam] is een ontslagprocedure gestart en heeft geweigerd om aan eiseres loon door te betalen. Daartegen is eiseres opgekomen. Eiseres heeft aan verweerder gevraagd om extra uren rechtsbijstand te verlenen in de kort gedingprocedure.

1.2

Verweerder heeft geconcludeerd dat sprake is van een bewerkelijke zaak en heeft op
14 februari 2017 50 extra uren (Blok A) toegekend. Op 25 april 2017 heeft verweerder opnieuw 47 (Blok B) extra uren toegekend. Op 1 september 2017 zijn wederom 15 extra uren toegekend (Blok C). Op 9 januari 2018 heeft verweerder laatstelijk 23 extra uren toegekend (Blok D). Eiseres heeft tot dan toe 135 extra uren vergoed gekregen.

1.3

Op 16 januari 2018 heeft eiseres gevraagd om 37 extra uren (blok E). verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag verzocht om aanvullende informatie. Eiseres heeft daarop gereageerd. Verweerder heeft het verzoek om extra uren Blok E bij het bestreden besluit afgewezen.

Standpunt verweerder

2. Verweerder betwist niet dat sprake is van een bewerkelijke zaak, maar stelt zich op het standpunt dat de gevraagde extra uren Blok E niet meer voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres heeft in haar verzoek van 16 januari 2018 aangevoerd bezwaar te willen maken en twee keer beroep te willen instellen tegen de besluiten van 11 januari 2018. In artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) is bepaald dat de toevoeging uitsluitend geldt voor het rechtsbelang waarvoor zij is verleend en in het geval van een procedure voor de behandeling daarvan in een instantie, de tenuitvoerlegging van de rechtelijke uitspraak daaronder begrepen zijn. Deze toevoeging is verleend voor de eerste procedure, namelijk het kort geding. De begrote werkzaamheden, het bezwaar en de beroepen, vallen daarmee niet onder het bereik van de toevoeging. Dat betekent dat Blok D ook niet meer aan eiseres had mogen worden toegekend. Hoewel aan eiseres die uren van Blok D zijn toegekend, is verweerder niet gehouden een eenmaal gemaakte fout te blijven herhalen.

Beroepsgronden eiseres

3. Eiseres betwist niet dat de toevoeging in eerste instantie is verleend voor een kort gedingprocedure en dat de extra uren in Blok A, B en C die zijn toegekend dus ook daarop zagen. Eiseres doet echter een beroep op het gewekte vertrouwen door verweerder. Zij betoogt dat zij ervan uit mocht gaan dat de extra uren, net zoals die in Blok D zijn toegekend, wederom zouden worden toegekend. Ook heeft eiseres ter zitting betoogd dat nog een fout in de brief van 1 februari 2018 staat. Voor het bezwaar en de beroepsprocedure zouden aparte toevoegingen moeten worden aangevraagd, maar in de brief van 1 februari 2018 zegt verweerder uitdrukkelijk het volgende: “De werkzaamheden van het bezwaar vallen onder het bereik van onderhavige toevoeging, doch de werkzaamheden met betrekking tot het beroep niet. Daarvoor dient een nieuwe toevoeging afgegeven te worden.” Ook hiermee heeft verweerder vertrouwen gewekt dat in ieder geval de werkzaamheden van het bezwaar onder deze toevoeging vallen, aldus eiseres. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder niet alle feiten en omstandigheden heeft meegenomen in de belangenafweging. Eiseres betoogt dat zij onevenredig hard wordt getroffen in haar belangen door de weigering van de extra uren. Eiseres is door het stelselmatige pesten van haar ex-werkgever ziek geworden, waardoor zij niet heeft kunnen werken na haar scheiding. Zij heeft hierdoor schulden opgebouwd en kan geen advocaat betalen. In de zaak van eiseres zijn telkens extra uren toegekend. Als zij had geweten dat de uren niet meer zouden worden toegekend, dan had zij direct aangestuurd op een minnelijke schikking, ongeacht het financiële resultaat. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het motiveringsbeginsel door het herzieningsverzoek ten onrechte door te sturen naar de commissie als bezwaarschrift.

Oordeel rechtbank

4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiseres haar beroepsgrond ten aanzien van het motiveringsbeginsel ter zitting heeft laten vallen. Verder stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van een bewerkelijke zaak. In geschil is of verweerder in redelijkheid de vervolgaanvraag om vergoeding van 37 extra uren heeft mogen afwijzen. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat door of van de kant van het tot beslissen bevoegd orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.1 Deze lat ligt hoog.

5.2

Hoewel de rechtbank het standpunt van eiseres begrijpt dat verweerder een verwachting heeft geschept door de 23 uren in Blok D te vergoeden en het onzorgvuldig is dat verweerder kennelijk per abuis heeft genoemd dat de werkzaamheden van het bezwaar onder deze toevoeging vallen, overweegt de rechtbank dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Verweerder heeft al bij de brief van 20 november 2017 aan eiseres medegedeeld dat het niet mogelijk is om twee procedures op een toevoeging te voeren. Dit is door eiseres ook niet betwist. Bovendien wordt elk verzoek om vergoeding van extra uren aan de hand van de omstandigheden van het desbetreffende geval beoordeeld. Dat verweerder eerder extra uren heeft verleend, betekent niet dat bij een vervolgaanvraag weer extra uren worden verleend.2 Ook staat in de brief van 9 januari 2019 dat verweerder in principe akkoord gaat de toekenning van de 23 uren in Blok D, maar dat na afloop van de werkzaamheden bij de vaststelling een nadere inhoudelijke beoordeling zal plaatsvinden. Verweerder heeft achteraf aangegeven dat de toekenning van de extra uren in Blok D op een fout berust. Volgens vaste rechtspraak strekt het vertrouwensbeginsel niet zover dat verweerder is gehouden om een gemaakte fout te blijven herhalen.3 De beroepsgrond slaagt niet.

6. De beroepsgrond dat verweerder het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, slaagt evenmin. DHS heeft nieuwe besluiten genomen, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Zowel voor de beroepsfase als de bezwaarfase kunnen afzonderlijke toevoegingen worden aangevraagd. Dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat zij weer werkt en dat daardoor haar inkomen te hoog is om voor een toevoeging in aanmerking te komen, is een gevolg van de toepasselijke regelgeving en getuigt niet van een onevenredige hardheid. Toevoegingen zijn juist bedoeld voor mensen die onvoldoende inkomen hebben om hun eigen advocaat te betalen.

Conclusie

7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr.T. Pourjalili, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:30.

2 ECLI:NL:RVS:2011:BQ8814.

3 ECLI:NL:RVS:2018:3898.