Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:4297

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
01-07-2019
Zaaknummer
13-654014-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen handel verdovende middelen. Aansluiting bij ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ3030. Niet is vast te stellen dat de telefoongesprekken gaan over drugs. Veroordeling voor voorhanden hebben heroïne en cocaïne en voorbereidingshandelingen art 10a OW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-654014-19

Datum uitspraak: 28 mei 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1977,

wonende op het adres [adres 1] ,

thans gedetineerd [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. S.M. Hoogerheide, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.H. Zonneveld, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 11 september 2018 tot en met 26 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt (aan een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en)) of vervoerd , een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in of omstreeks de periode van 11 september 2018 tot en met 26 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 64, in elk geval een of meer slikkersbol(len) (625 gram) en/of 7,69 gram, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of (ongeveer) 585,71 gram in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij in of omstreeks de periode van 11 september 2018 tot en met 26 februari 2019 te [plaats], in elk geval in Nederland en/of Peru, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van heroïne en/of cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen

een (grote) hoeveelheid versnijdingsmiddel (waaronder fenacetine) voorhanden heeft gehad

en/of een of meer gesprek(ken) met een of meer koper(s) en/of verkoper(s) (waaronder [persoon 1] (zie 650016-19)) van voornoemd(e) middel(en) heeft gevoerd en/of een geldbedrag van (in totaal) 699 euro) voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak van (medeplegen) van handelen in verdovende middelen (feit 1)

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1 ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt als volgt.

Op basis van de telefoontap op het telefoonnummer eindigend op [nummer] die in gebruik is bij verdachte, bestaat het vermoeden dat verdachte handelt in harddrugs vanuit de woningen aan [adres 1] en [adres 2] . In deze telefoontaps wordt gebruik gemaakt van versluierde taal. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat wordt gesproken over de verkoop en levering van verdovende middelen. De vraag is of met zekerheid kan worden vastgesteld dat de getapte telefoongesprekken handelen over heroïne en/of cocaïne.

Het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0303) heeft met betrekking tot de bewijswaarde van getapte telefoongesprekken en het gebruik van versluierde taal onder meer het volgende overwogen.

Om in weerwil van de letterlijk gebezigde bewoordingen de betekenis en strekking van die gesprekken niettemin te duiden als –kort gezegd– betrekking hebbend op cocaïne is het nodig dat bij de bewijslevering behoedzaamheid wordt betracht. Immers, wanneer het ten aanzien van de betekenis van het gesproken (en afgeluisterde) woord in overwegende mate aankomt op de uitleg en interpretatie daarvan is het risico op een verkeerd begrip daarvan aanwezig. Die door het hof te betrachten behoedzaamheid brengt mee dat aan afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken, gedragingen en gebeurtenissen de door de advocaat-generaal voorgestelde duiding slechts dán kan worden gegeven wanneer de inhoud en het onderling verband daarvan en het verband met andere te bezigen bewijsmiddelen daartoe voldoende basis bieden. Meer in het bijzonder zal het hof hebben na te gaan of de voor het bewijs te bezigen verslagen van die telefoongesprekken, bezien naar hun inhoud, de chronologie en de kring van deelnemers aan die gesprekken in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst.

In de thans ter beoordeling liggende zaak wordt op uiteenlopende wijzen gesproken over te leveren goederen. Gesproken wordt over (onder meer) “het ding”, “het spul”, “P-soort” en “steen”. Hieruit valt niet ondubbelzinnig op te maken dat het gaat om heroïne en/of cocaïne. Bij de doorzoeking van de woningen [adres 1] en [adres 2] op 26 februari 2019 zijn naast heroïne en cocaïne zakken met wit en bruin poeder aangetroffen. Een groot deel van het poeder bleek na onderzoek versnijdingsmiddel te zijn. Nu naast heroïne en cocaïne ook versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat terughoudendheid moet worden betracht bij het trekken van een conclusie ten aanzien van de vraag over welke stoffen gesproken wordt in de tapgesprekken. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze gesprekken gaan over de levering van heroïne en/of cocaïne, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode in deze stoffen heeft gehandeld.

4.2

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 2

op 26 februari 2019 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 64 slikkersbollen en 7,69 gram van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 585,71 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

Ten aanzien van feit 3

in de periode van 2 januari 2019 tot en met 26 februari 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken van heroïne en/of cocaïne, voor te bereiden,

een grote hoeveelheid versnijdingsmiddel, waaronder fenacetine, voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte wist en verdachtes mededader ernstige redenen had te vermoeden, dat die bestemd was tot het plegen van dat feit.

4.3

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Bij verdachte zijn bij zijn aanhouding twee sleutelbossen aangetroffen. De sleutels passen op de woningen [adres 1] en [adres 2] te [plaats]. [persoon 2] , de vriendin van verdachte, heeft verklaard dat verdachte wilde dat de woning aan de [adres 2] op haar naam kwam te staan. Hij zou de huur betalen. Verdachte sliep elke dag in de woning en wilde vooral weten wanneer [persoon 2] niet in de woning zou zijn. Bovendien heeft ook verdachte zelf ter zitting verklaard dat zijn persoonlijke spullen in de woning aan de [adres 2] lagen en dat hij (hoofdzakelijk) daar sliep. De rechtbank maakt hieruit op dat verdachte ook de beschikking had over de woning aan de [adres 2] en dat hij verantwoordelijk was voor wat zich in de woning afspeelde. Verdachte heeft verklaard dat hij de tas met slikkersbollen van een vriend in bewaring heeft gekregen. Deze verklaring heeft verdachte niet nader onderbouwd. Bovendien stond de tas in de slaapkamer die bij verdachte in gebruik was en waar ook de cocaïne is aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de slikkersbollen en de cocaïne voorhanden heeft gehad en dat hij hier de beschikkingsmacht over had.

Ten aanzien van de heroïne die is aangetroffen in de woning [adres 1] merkt de rechtbank op dat deze is aangetroffen in de woning waarvan verdachte huurder was en dat hij als huurder verantwoordelijk is voor wat er in de woning gebeurt. Bovendien is deze heroïne aangetroffen in een zak in een doos in de bergingskast, waar een willekeurig persoon niet bij kon. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook over deze heroïne kon beschikken.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2 en 3 bewezen kunnen worden en gevorderd dat verdachte ter zake van deze feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens vordert zij dat de inbeslaggenomen geldbedragen en telefoons worden verbeurd verklaard en dat het Spaanse document wordt onttrokken aan het verkeer. De inbeslaggenomen tablet kan worden geretourneerd aan verdachte.

De rechtbank overweegt als volgt. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs. Het gebruik van harddrugs levert een gevaar op voor de volksgezondheid. Daarom zijn deze middelen verboden bij de Opiumwet. Ook heeft verdachte versnijdingsmiddelen voorhanden gehad. Hij heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen met betrekking tot het bewerken van heroïne en/of cocaïne. Daarbij worden drugswinsten vergroot door het vermengen van drugs met versnijdingsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat voor deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

Verdachte heeft in totaal ongeveer 1,2 kilogram harddrugs voorhanden gehad. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) stellen hiervoor als uitgangspunt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Daarnaast heeft verdachte versnijdingsmiddelen voorhanden gehad. Omdat er geen landelijke oriëntatiepunten van het LOVS zijn voor overtreding van artikel 10a Opiumwet, heeft de rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven in soortgelijke zaken. Gebleken is dat er geen eenduidige uitspraken zijn en dat de opgelegde straffen afhankelijk zijn van onder meer de hoeveelheid aangetroffen stoffen. In de woning is een hoeveelheid van bijna 3 kilo versnijdingsmiddel aangetroffen. De rechtbank is, gelet op deze hoeveelheid en de overige omstandigheden van het geval, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voor dit feit passend is.

Verdachte is, zo blijkt uit zijn strafblad van 9 april 2019, niet eerder veroordeeld.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden opleggen. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank tot een ander bewezenverklaring komt.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een geldbedrag van € 300,-, een geldbedrag van € 630,- en een geldbedrag van € 399-, die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen geheel of grotendeels uit de baten van het onder 2 bewezen geachte zijn verkregen.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 7 zaktelefoons die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen tot het begaan van het 3 bewezen geachte zijn bestemd.

Onttrekking aan het verkeer

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een vermoedelijk vervalste Spaanse verblijfsvergunning ten name van [naam] , dat aan verdachte toebehoort, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dit voorwerp is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 2

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumweg gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

  • -

    Een geldbedrag van 300 euro (item 5714409)

  • -

    Een geldbedrag van 630 euro (item 5714425)

  • -

    Een geldbedrag van 399 euro (item 5714412)

  • -

    Nokia Zaktelefoon (item 5714392)

  • -

    Nokia Zaktelefoon, Wit (item 5714399)

  • -

    Samsung Zaktelefoon, Wit (item 5714402)

  • -

    Nokia Zaktelefoon (item 5714403)

  • -

    Nokia Zaktelefoon (item 5714411)

  • -

    Samsung Zaktelefoon (item 5714415)

  • -

    Samsung Zaktelefoon, zwart (item 5714416)

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- Een vermoedelijk valse Spaanse verblijfsvergunning ten name van [naam] (item 5728207)

Gelast de teruggave aan veroordeelde van:

- Een Samsung tablet (item 5714418)

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. L.R. Wisse en G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 mei 2019.