Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:426

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
28-01-2019
Zaaknummer
13/751830-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

vervolgings-EAB Polen, Poolse rechtsstaat, eerlijk proces

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751830-18

RK-nummer: 18/7112

Datum uitspraak: 25 januari 2019

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juni 2018 door de Provincial Court in Warsaw, VIII Penal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] ( Polen ) op [geboortedag] 1976,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

Zitting 21 december 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd, om de uitspraken van

4 januari 2019 in een aantal zaken waarin net als in de onderhavige zaak sprake is van een Pools vervolgings-EAB af te kunnen wachten.

Zitting 11 januari 2019

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft zich opnieuw doen bijstaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision of 30 January 2018, case files No. III Kp 2287/17 of the District Court for Warsaw-Wola on the application against [opgeëiste persoon] of the preventive measure in the form of a temporary detention for 3 (three) months as of the date of arrest.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 11 (elf) naar het recht van Polen strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;

en onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Inleiding

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, vermeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest).

De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak onder meer overwogen:

“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88 (Rechtbank: HvJ 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198) gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.

Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?

2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) de eerste vraag beantwoord en vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, alsmede dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.

De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:

“Gelet op de hiervoor genoemde vaststelling en het in meergenoemd arrest van het HvJ gegeven toetsingskader, moet de rechtbank vervolgens concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen.

Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen betreft, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen”.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zij voor de beantwoording van deze - tweede - vraag behoefte heeft aan een actueel en concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

De rechtbank heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. De rechtbank heeft een aantal vragen geformuleerd en verzocht in ieder geval informatie te verstrekken over de volgende onderwerpen:

  1. de personele wijzigingen die zich sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de (vice)voorzitters en rechters;

  2. de regels en procedures met betrekking tot de toewijzing van zaken aan kamers of rechters binnen de bevoegde rechterlijke instanties en de behandeling daarvan;

  3. de tuchtzaken of andere disciplinaire maatregelen die (vice)voorzitters en rechters van de genoemde rechterlijke instanties sindsdien hebben geraakt, bijvoorbeeld in de vorm van wijzigingen met betrekking tot de bezoldiging;

  4. de procedures die de opgeëiste persoon ter beschikking staan om schendingen van het hem toekomende recht op een onafhankelijk gerecht te kunnen aanvechten, en de waarborgen waarmee zij zijn omgeven;

  5. buitengewoon beroep.

De rechtbank heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bovendien uitgenodigd tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht in het bijzonder ook gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

De hiervoor genoemde vragen zijn ook in de onderhavige zaak door de officier van justitie (bij brief van 29 november 2018) ter beantwoording voorgelegd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, Judge of the Provincial Court in Warsaw, Head of Section of International Proceedings in the matters of penal law in international relations (Katarzyna Capalowska). De rechtbank heeft bij brief van 19 december 2018 antwoorden ontvangen van the President of the Warsaw Regional Court (Joanna Bitner).

Bij e-mail van 22 december 2018, gericht aan the President of the Warsaw Regional Court (Joanna Bitner), heeft de officier van justitie opgemerkt dat de antwoorden zien op de situatie bij the Regional Court in Warsaw en verzocht om de vragen ook te beantwoorden ten aanzien van de rechterlijke instantie in Warschau die in eerste aanleg bevoegd is. De antwoorden op deze nadere vragen zijn nog niet ontvangen.

Standpunt van de opgeëiste persoon ter zitting

De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat uit de uitspraken van 4 januari 2019 in andere Poolse overleveringszaken blijkt dat er onvoldoende informatie is verstrekt met het oog op de beantwoording van de tweede vraag in het beslisschema. De eerste vraag in het beslisschema is al bevestigend beantwoord door de rechtbank. Ook in deze zaak is onvoldoende informatie verstrekt. In ieder geval zal het hoger beroep door het Hof in Warschau worden behandeld en moet daar nog informatie over worden verstrekt. Verder blijkt uit de antwoorden dat er na de wetswijzigingen personele wijzigingen zijn geweest. Dat moet worden bezien in het licht van de opvallende strafvorderlijke standpunten van de regering. Het is een gegeven dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is aangetast. Het is niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon een eerlijk proces zal krijgen.

Op basis van de antwoorden die zijn verstrekt, heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd. Subsidiair heeft hij de rechtbank verzocht in de lijn met de uitspraken van 4 januari 2019 aanvullende vragen te stellen dan wel de antwoorden op de door de officier van justitie gestelde aanvullende vragen af te wachten.

De raadsman heeft bovendien aanvullend, op vragen van de rechtbank, het volgende naar voren gebracht. De tweede en derde vraag in het beslisschema zijn nauw met elkaar verbonden. Als vast staat dat geen eerlijk proces mogelijk is, althans als daar onduidelijkheid over bestaat, dan zou dat voor iedereen het gevaar opleveren op een oneerlijk proces. De officier van justitie deelt op dit moment de lakens uit in Polen. De opgeëiste persoon is bang dat hij onder druk wordt gezet om te verklaren. Hij heeft verklaard dat hij met veel feiten in het EAB niets van doen heeft. Hij wil verweer kunnen voeren. Sommige Poolse advocaten willen niet meer de verdediging voeren in de huidige situatie. Ze vertrouwen de situatie niet.

De opgeëiste persoon heeft tot slot, op vragen van de rechtbank, het volgende verklaard.

Als ik naar Polen ga, moet ik een eerlijk proces krijgen. De Minister van Justitie is tevens de Procureur Generaal in Polen. Vroeger kon je iets inbrengen tegen een fout van de officier van justitie. Tegenwoordig is dat anders. De regering handelt tegenwoordig anders. Ik kan niets zeggen over het bewijs. Dat beoordeelt de rechter niet. In Polen word ik niet geschorst. Ik word veroordeeld op basis van de verklaring van één getuige. Dat is voldoende in Polen.

Standpunt van de officier van justitie ter zitting

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verzochte overlevering toelaatbaar moet worden verklaard. Hierbij heeft zij opgemerkt dat er ten aanzien van het EAB geen weigeringsgronden zijn.

Wat betreft de toetsing van het recht op een eerlijk proces voor de opgeëiste persoon in Polen heeft zij aangevoerd dat ten aanzien van vraag 3 in het beslisschema geen argumenten naar voren zijn gebracht op basis waarvan kan worden aangenomen dat de opgeëiste persoon heeft te vrezen voor een oneerlijk proces. Verder heeft zij in reactie op hetgeen de raadsman over de rol van de officier van justitie in Polen heeft aangevoerd, opgemerkt dat het erom gaat of de Poolse rechter goed opereert. Ook heeft de officier van justitie verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 26 november 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:8508), waarin de rechtbank de tweede vraag in het beslisschema bevestigend heeft beantwoord, maar de derde vraag in het beslisschema – toetsend aan de specifieke situatie van de opgeëiste persoon – negatief heeft beantwoord en de overlevering naar Polen heeft toegestaan. Volgens de officier van justitie zou de rechtbank in deze zaak tot hetzelfde oordeel moeten komen.

Subsidiair heeft de officier van justitie opgemerkt dat zij er, gelet op de uitspraken van de rechtbank van 4 januari 2019 in andere Poolse zaken, van uitgaat dat de rechtbank deze zaak zal aanhouden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. Hierbij heeft zij naar voren gebracht dat het niet duidelijk is of informatie is verstrekt ten aanzien van alle mogelijke rechterlijke instanties in de strafzaak van de opgeëiste persoon. Volgens de officier van justitie is de vraag die is gesteld in de e-mail van 22 december 2018 niet juist, omdat de nadere informatie die nog moet worden verstrekt, moet zien op de beroepsinstantie.


Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet. De rechtbank beschikt op dit moment nog over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. Aangezien deze informatie ook relevant kan zijn voor de hiervoor genoemde - derde - vraag of concreet een gevaar voor een oneerlijk proces voor de opgeëiste persoon moet worden aangenomen, komt de rechtbank aan de beantwoording van deze vraag nog niet toe.

De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit dan ook nogmaals om haar, gelet op de aanbevelingen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, te voorzien van informatie om haar in staat te stellen een oordeel te vormen over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest.

Bovendien herhaalt de rechtbank haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

In vervolg op de reeds verstrekte informatie vraagt de rechtbank in het bijzonder aandacht voor het volgende:

Vragen over bevoegde rechterlijke instanties

De officier van justitie heeft reeds bij e-mail van 22 december 2018 aanvullende vragen gesteld, omdat de vragen niet zijn beantwoord ten aanzien van alle rechterlijke instanties die concreet bevoegd zijn voor de procedures waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen. In het verlengde daarvan formuleert de rechtbank de volgende vragen:

  1. Welke rechterlijke instanties zijn, gelet op de in het EAB genoemde feitsomschrijving en kwalificaties, concreet bevoegd voor de procedures waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

  2. Kunnen de reeds door de officier van justitie gestelde vragen voor alle bevoegde rechterlijke instanties waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen worden beantwoord?

Ten aanzien van vraag A1:

  1. Blijkens het gegeven antwoord is/zijn één of meer (vice)presidenten bij de Regional Court in Warschau ontslagen. Wat is de reden voor dit/deze ontslag(en)?

  2. Zijn de betreffende personen nog werkzaam als rechter of bekleden zij in het geheel niet langer een functie op deze rechtbank? Zo nee, waarom niet?

Ten aanzien van vraag E1:

  1. Blijkens verstrekte informatie waren (ten tijde van de beantwoording) nog geen zaken als extraordinary appeal behandeld door het Hooggerechtshof (Sąd Najwyższy). Zijn er wel zaken aanhangig gemaakt?

  2. Zijn er adviezen uitgebracht?

De rechtbank verzoekt dat de vragen worden doorgeleid naar een bevoegd(e) persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is.

Eindvraag:

Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle gegevens die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.

Tot slot

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde vragen ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

De vragen dienen binnen vier weken na de uitspraak te worden beantwoord. Binnen vier weken na ontvangst van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit zal een vervolgzitting worden gepland.

6 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor weergegeven vragen door te geleiden naar de uitvaardigende justitiële autoriteit ter beantwoording.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;

BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en E.G. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 25 januari 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.