Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3997

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2019
Datum publicatie
07-06-2019
Zaaknummer
13/845051-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor indienen onjuiste aangiften omzetbelasting, valsheid in geschrifte en het niet melden van ongebruikelijk transacties op grond van de Wwft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-06-2019
FutD 2019-1617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845051-14 (Promis)

Datum uitspraak: 4 juni 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd op het adres [adres] , [vestigingsplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 april 2019 en 4 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Boerlage en van wat door [naam directeur] (directeur en vertegenwoordiger van [verdachte] ) en de raadslieden mr. P.J. van Hagen, mr. K.M.G. Demandt en

mr. A.C.M. Klaasse naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. het samen met anderen opzettelijk indienen van onjuiste/onvolledige aangiften omzetbelasting over het 1e tot en met het 4e kwartaal van 2011;

2. het samen met een ander of anderen plegen van valsheid in geschrifte door het valselijk opmaken/vervalsen van meerdere verkoopfacturen aan [naam 1] ;

3. het niet melden van meerdere ongebruikelijke transacties aan het meldpunt van de Financiële Inlichtingen Eenheid.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Aangiften omzetbelasting over 2011 (feit 1)

4.1.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat feit 1 bewezen kan worden en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

In 2011 heeft verdachte (hierna: [verdachte] ) op grote schaal handel gedreven met [medeverdachte] (hierna [medeverdachte] ). Een deel van die transacties ging op naam van [medeverdachte] zelf (althans, zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak] ) en een deel op naam van de buitenlandse bedrijven [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] . Uit een e-mail van 20 februari 2012 blijkt dat [verdachte] de omzet van [naam 2] en [naam 1] aanmerkt als omzet van [medeverdachte] . Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat [naam 1] slechts twee keer in 2011 daadwerkelijk horloges heeft afgenomen. Alle overige verkopen aan [naam 1] betreffen dus feitelijk binnenlandse verkopen die gewoon tegen het tarief van 19% hadden moeten worden belast, in plaats van tegen het 0% tarief. Dit is niet gebeurd waardoor de kwartaalaangiften van [verdachte] onjuist zijn ingediend.

Voor [naam 2] geldt hetzelfde. Van slechts een deel van de verkopen kan worden aangenomen dat zij ook daadwerkelijk aan het buitenland zijn geleverd. Vanaf 30 september 2011 worden er daadwerkelijk pakketten naar Bulgarije verstuurd. Van alle daaraan voorafgaande leveringen heeft [verdachte] de aanmerkelijke kans aanvaard dat het binnenlandse transacties betroffen aangezien door haar op geen enkele wijze is onderzocht of de goederen ook daadwerkelijk het Nederlandse grondgebied zouden verlaten.

Nu de leveringen aan [naam 1] gedurende het hele jaar hebben plaatsgevonden en het hele jaar door is gefactureerd aan [naam 2] , kunnen geen van de kwartaalaangiften over 2011 juist zijn geweest. Immers, in elk kwartaal hebben intracommunautaire leveringen plaatsgevonden en in elk kwartaal zijn deze leveringen ook door [verdachte] in de aangifte opgenomen. Het doen van aangifte omzetbelasting is een gedraging die bij uitstek valt binnen de sfeer van de rechtspersoon. De werknemers van [verdachte] hebben zonder enig nader onderzoek naar de transacties hun werkzaamheden uitgevoerd. Onder die omstandigheden heeft [verdachte] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat er een onjuiste aangifte werd ingediend.

De gedragingen van de medewerkers van [verdachte] kunnen aan haar als rechtspersoon worden toegerekend.

4.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden van [verdachte] hebben zich onder verwijzing naar hun pleitnota’s op het standpunt gesteld dat zij moet worden vrijgesproken van feit 1.


De ingediende aangiften omzetbelasting over het jaar 2011 zijn juist, en de onjuistheid daarvan kan niet wettig en overtuigend worden bewezen. De toepassing van het nultarief mag niet afhankelijk worden gesteld van de naleving van formele voorwaarden als wel is voldaan aan de materiële voorwaarden van een communautaire levering. Voor het bewijs en de waardering daarvan moet rekening worden gehouden met het voornemen van de afnemer en de documenten die door die afnemer worden overgelegd op het moment dat de goederen worden afgehaald. Leveranciers mogen erop vertrouwen dat sprake is van een intracommunautaire levering als de afnemer zijn intentie van het vervoer naar het buitenland kenbaar maakt en het btw-identificatienummer meedeelt.

[verdachte] heeft de btw-identificatienummers van [naam 1] en [naam 2] opgevraagd en gecontroleerd. Daarnaast is het voornemen van vervoer door de afnemer kenbaar gemaakt en met stukken onderbouwd, onder meer vervoersverklaringen. [naam eigenaar] , eigenaar van [naam 1] (hierna: [naam eigenaar] ) is op het hoofdkantoor geweest en [verdachte] heeft een kopie van zijn paspoort in haar administratie opgenomen. [medeverdachte] , eigenaar van [naam 2] , was reeds bij [verdachte] bekend. Zij heeft voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van het nultarief en deze terecht toegepast in de aangiften omzetbelasting.

Daarnaast is er sprake van een verdedigbaar standpunt dat de ingediende aangiften omzetbelasting juist zijn. De verdediging verwijst naar de stukken uit de fiscale procedure en de onbetrouwbare verklaring van [naam eigenaar] . Wettig en overtuigend bewijs dat de goederen niet aan [naam 1] en [naam 2] zijn geleverd ontbreekt en daarmee kan de gestelde onjuistheid van de aangifte omzetbelasting niet worden bewezen.

Voor zover vast zou komen te staan dat het nultarief niet juist is toegepast door [verdachte] geldt dat zij daarop geen opzet heeft gehad.

4.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting over de kwartalen van 2011, dient vastgesteld te worden dat verdachte het nultarief onterecht heeft toegepast.

Wanneer is het nultarief van toepassing?

In Nederland is een ondernemer zelf verantwoordelijk voor het op juiste wijze aangeven en betalen van de omzetbelasting (BTW) die is verschuldigd over zijn leveringen en diensten.

De omzetbelasting kent drie tarieven: 19% (thans 21%), 6% en 0%. De op facturen in rekening gebrachte omzetbelasting dient op de aangifte periodiek te worden voldaan.

Bij prestaties tussen ondernemers onderling is de omzetbelasting die de één verschuldigd is, in de regel bij de ander weer aftrekbaar als ‘voorbelasting’ in de aangifte omzetbelasting als deze ondernemer over een factuur beschikt.

Op grond van artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, Wet op de omzetbelasting 1968 in verbinding met post a.6 van de bij deze wet behorende tabel II, bedraagt de belasting nihil voor leveringen van goederen die worden vervoerd naar een andere lidstaat, als deze goederen daar zijn onderworpen aan heffing van belasting ter zake van een intracommunautaire verwerving van die goederen.

Het nultarief is van toepassing op de levering van goederen, die door of voor rekening van de verkoper of afnemer worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun grondgebied, maar binnen de Europese Unie, welke levering wordt verricht voor een andere belastingplichtige, die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of vervoer van de goederen.

Volgens vaste rechtspraak geldt het nultarief als:

  • -

    de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken aan de afnemer is overgedragen;

  • -

    de verkoper aantoont dat de goederen naar een andere lidstaat zijn verzonden of vervoerd, en

  • -

    de goederen ten gevolge van deze verzending of dit vervoer het grondgebied van de lidstaat van levering fysiek hebben verlaten.

Hoe moet toepasselijkheid van het nultarief worden aangetoond?

In artikel 12, lid 1, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbesluit) is bepaald dat aanspraak op toepassing van het nultarief alleen geldt als de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt. Met ingang van 2006 geldt daarbij als (formele) voorwaarde dat een ondernemer beschikt over het btw-identificatienummer van degene die de goederen afneemt.

De fiscale procedure

Naar aanleiding van het boekenonderzoek bij [verdachte] heeft de Belastingdienst verschillende intracommunautaire leveringen (ICL) van [verdachte] geweigerd. Om die reden zijn aan [verdachte] naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Zij heeft daartegen bezwaar gemaakt, dat door de Belastingdienst ongegrond is verklaard. [verdachte] heeft hier beroep tegen aangetekend bij de belastingkamer van de Rechtbank Noord-Holland. Die procedure loopt nog.

[verdachte] heeft in de beroepsprocedure naar voren gebracht waarom in haar ogen is voldaan aan de voorwaarden om het nultarief te mogen toepassen. In het verweerschrift heeft de Belastingdienst met betrekking tot een aantal ICL alsnog het nultarief geaccepteerd. De overige ICL zijn nog altijd onderwerp van de fiscale procedure tussen [verdachte] en de Belastingdienst. De uitkomst van die procedure is op het moment van behandeling van de strafzaak nog onbekend. Daarmee blijft de mogelijkheid open dat de belastingkamer oordeelt dat [verdachte] het nultarief heeft mogen toepassen. Ook is het mogelijk dat de Belastingdienst zelf in de loop van de procedure nog andere leveringen accepteert dan ICL.

De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat binnen het dossier sprake is van meerdere betrokkenen. [verdachte] heeft horloges verkocht aan [naam 1] en [naam 2] , waarbij [medeverdachte] een rol heeft vervuld. Naast [verdachte] en [medeverdachte] golden ook belangen voor [naam eigenaar] . Om die reden dient terughoudendheid te worden betracht ten aanzien van de verklaring die [naam eigenaar] heeft afgelegd over het niet ontvangen van de horloges. [medeverdachte] , tevens eigenaar van [naam 2] , heeft geen verklaring afgelegd en is ook niet ter terechtzitting verschenen om tekst en uitleg te geven over de handelingen die hij met en/of voor [verdachte] en [naam 1] zou hebben verricht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn meerdere scenario’s denkbaar die hebben geleid tot de bevindingen in het dossier.

Conclusie

De rechtbank is – gelet op wat hiervoor is overwogen – van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake is van onjuiste aangiften omzetbelasting over de kwartalen van 2011. [verdachte] zal daarom van feit 1 worden vrijgesproken.

Gelet op het oordeel van de rechtbank behoeven de overige door de verdediging aangevoerde verweren uit de pleitnota met betrekking tot feit 1 geen bespreking.

4.2.

Valselijk opmaken/vervalsen verkoopfacturen (feit 2)

4.2.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 ten laste gelegde kan worden bewezen.

[naam eigenaar] heeft slechts drie keer een levering van [verdachte] ontvangen. Alle andere leveringen die door haar gefactureerd zijn, hebben dus slechts op papier plaatsgevonden.

Immers, [naam eigenaar] ontkent de horloges van de tenlastegelegde verkoopfacturen te hebben ontvangen en nergens blijkt uit dat deze horloges daadwerkelijk aan hem zijn geleverd. De facturen zijn vals opgemaakt en vervolgens als echt en onvervalst gebruikt doordat zij onderdeel zijn gaan uitmaken van de boekhouding van [verdachte] en [naam eenmanszaak] .

De gedragingen kunnen aan [verdachte] als rechtspersoon worden toegerekend.

4.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden van [verdachte] hebben zich onder verwijzing naar hun pleitnota’s op het standpunt gesteld dat zij moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde.

Er is onvoldoende bewijs voor (voorwaardelijk) opzet op het in strijd met de waarheid opmaken van verkoopfacturen en die met dat oogmerk als echt en onvervalst gebruiken. Werknemers van de financiële administratie hebben de facturen op basis van intern aangeleverde informatie opgemaakt. Zij hoefden in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van deze informatie. De facturen zijn opgesteld in overeenstemming met de werkelijkheid en opzet op het tegendeel volgt niet uit het dossier. Daarnaast ontbreekt het oogmerk op het misleiden van derden door gebruik van de facturen.

4.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verkoopfacturen vals zijn nu niet gebleken is dat de goederen zijn afgeleverd bij [naam 1] . Daarbij acht de officier van justitie de verklaring van [naam eigenaar] van doorslaggevend belang.

De rechtbank is van oordeel dat – zoals hiervoor reeds onder 4.1.3. is overwogen – vraagtekens kunnen worden gezet bij de verklaring van [naam eigenaar] . Bij de verkoop van de horloges is sprake van betrokkenheid van meerdere personen. Om vast te stellen of de goederen daadwerkelijk niet zijn geleverd, is alleen de verklaring van [naam eigenaar] onvoldoende.

Daar staat naar het oordeel van de rechtbank tegenover dat het dossier evenmin bewijs bevat voor de vaststelling dat de horloges niet zijn geleverd. Er is bijvoorbeeld geen begin van aannemelijkheid dat de horloges door anderen op de Nederlandse markt zijn verkocht, waardoor met zekerheid kan worden geconcludeerd dat sprake is van valse verkoopfacturen. Onder deze omstandigheden bevat het dossier onvoldoende bewijs.

Conclusie

De rechtbank oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de op de verkoopfacturen genoemde goederen niet zijn geleverd. De valsheid van de facturen kan niet worden bewezen en [verdachte] zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde.

4.3.

Ongebruikelijke transacties (feit 3)

4.3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het onder 3 ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

[verdachte] heeft niet, onjuist en/of te laat melding gemaakt van ongebruikelijke transacties, zoals zij dat verplicht was op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (verder de Wwft). Op grote schaal zijn contante betalingen verricht door [medeverdachte] , terwijl de ongebruikelijke transacties niet zijn gemeld, of zijn gemeld op de bedrijfsnamen van [naam 2] of [naam 1] . [medeverdachte] wordt wel opgenomen op interne formulieren melding transacties, maar vervolgens niet in de meldingen aan de Financiële Intelligence Unit (FIU). Deze gedragingen kunnen aan [verdachte] als rechtspersoon worden toegerekend.

4.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden van [verdachte] hebben zich onder verwijzing naar hun pleitnota’s op het standpunt gesteld dat zij moet worden vrijgesproken.

Vier transacties zijn niet door [verdachte] gemeld omdat deze niet kunnen worden gekwalificeerd als ongebruikelijk in de zin van artikel 16 Wwft. De overige ongebruikelijke transacties zijn op de juiste wijze gemeld. Het is de uiteindelijke koper of opdrachtgever die als ‘cliënt’ in de zin van de Wwft kwalificeert, en die dus moet worden opgenomen op de melding. Dat was telkens [naam 1] of [naam 2] . Het dossier bevat geen bewijs dat [medeverdachte] voor zichzelf heeft gekocht. Subsidiair is bepleit dat voor het geval de rechtbank concludeert dat de transacties feitelijk met [medeverdachte] zijn aangegaan, niet vaststaat dat [verdachte] opzet heeft gehad op het niet (juist) melden van die ongebruikelijke transacties. Zij dacht immers dat [medeverdachte] handelde namens [naam 1] of [naam 2] en heeft niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de horloges niet aan buitenlandse afnemers werden verkocht maar aan [medeverdachte] zelf.

Daarnaast moet vrijspraak volgen omdat uit het jaarverslag 2011 van de FIU blijkt dat sprake was van een storing op grond waarvan de meldingen niet juist zijn geregistreerd. Accurate gegevens van de ongebruikelijke meldingen zijn daarmee niet beschikbaar. Als dat verweer niet wordt gehonoreerd leidt de storing tot verontschuldigbare onmacht op grond waarvan ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.

4.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de onder feit 3 ten laste gelegde geldbedragen moet onderscheid worden gemaakt tussen a) transacties van contante geldbedragen die niet bij de FIU zijn gemeld, b) transacties die niet op de juiste wijze (lees: op de juiste naam) zouden zijn gemeld, en c) transacties van contante geldbedragen die te laat bij de FIU zouden zijn gemeld.

a. a) Niet gemelde transacties
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de niet gemelde transacties van contante geldbedragen geen sprake is van ongebruikelijke transacties als bedoeld in artikel 16 van de Wwft. In 2011 gold dat [verdachte] , dat zich beroeps- of bedrijfsmatig bezighield met de verkoop van sieraden en/of juwelen (de zogenaamde handelaren in zaken van grote waarde), melding van een ongebruikelijk transactie moest doen als een contante betaling € 25.000,- of meer bedroeg. Deze grens betrof een zogenaamde objectieve indicator. De door [verdachte] niet gemelde transacties van 4 april 2011 (afnemer [naam eenmanszaak] ) en 19 april 2011 (afnemer [naam 2] ) voldoen niet aan dat criterium. [verdachte] moet ten aanzien van deze transacties dan ook worden vrijgesproken.

b) Niet op de juiste wijze gemelde transacties

Dit deel van het verwijt ziet op transacties die wel zijn gemeld, maar op naam van [naam 1] of [naam 2] , terwijl de transacties in de ogen van het Openbaar Ministerie feitelijk werden aangegaan met [medeverdachte] .

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de Wwft de (rechts)personen gemeld moeten worden met wie een transactie wordt aangegaan, alsmede degene die een transactie laat uitvoeren en de ‘ultimate beneficial owner’ (UBO). Bij transacties die werden aangegaan door [medeverdachte] namens [naam 1] of [naam 2] viel [medeverdachte] als tussenpersoon in geen van deze categorieën. Dat [verdachte] opzettelijk geen melding heeft gedaan van ongebruikelijke transacties met [medeverdachte] is dan ook niet bewezen.


c) Ta laat gemelde transacties

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] de overige in de tenlastelegging opgenomen ongebruikelijke transacties te laat heeft gemeld. De transacties zijn verricht in de periode van april 2011 tot en met oktober 2011, terwijl de meldingen bij de FIU pas in 2012 zijn binnengekomen. Daarmee is sprake van het te laat melden van ongebruikelijk transacties. Het verweer dat de systemen geen mogelijkheden boden om op tijd de meldingen in te dienen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank overweegt echter dat de overige verweren ten aanzien van het te laat gemelde ongebruikelijke transacties geen verdere bespreking behoeven. De tenlastelegging luidt ten aanzien van de feitelijk handelingen namelijk als volgt: “immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen melding gedaan van”. De opsteller van de tenlastelegging verwijt [verdachte] daarmee in zijn geheel geen melding te hebben gemaakt van de hiervoor omschreven transacties. Nu [verdachte] wel degelijk melding heeft gemaakt van deze ongebruikelijke transacties, alleen te laat, kan ook dit onderdeel van de tenlastelegging niet worden bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht ook het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en E.G.C. Groenendaal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2019.