Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3996

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2019
Datum publicatie
07-06-2019
Zaaknummer
13/845052-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor valsheid in geschrifte en het feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Gevangenisstraf van vijf maanden voor het opzettelijk niet indienen van maandaangiften omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-06-2019
FutD 2019-1618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845052-14 (Promis)

Datum uitspraak: 4 juni 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 april 2019 en 4 juni 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Boerlage.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het samen met anderen plegen van valsheid in geschrifte door het valselijk opmaken/vervalsen van meerdere provisiefacturen van [naam 1] aan [naam 2] te [plaats] ;

2. het opzettelijk niet indienen van maandaangiften omzetbelasting over het jaar 2011;

3. het samen met anderen plegen van valsheid in geschrifte door het valselijk opmaken/vervalsen van een handgeschreven Proforma Invoice en meerdere handgeschreven facturen van T- Watches B.V. aan [naam 2] te [plaats] ;

4. feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste/onvolledige aangiften omzetbelasting over het 1e kwartaal 2012 en april 2012 door T. Watches B.V.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Valselijk opmaken/vervalsen provisiefacturen (feit 1)

4.1.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 ten laste gelegde feit kan worden bewezen en heeft daarvoor het volgende aangevoerd.

Tijdens het boekenonderzoek bij verdachte (hierna: [verdachte] ) zijn provisiefacturen aangetroffen. De provisiefacturen zijn uitgeschreven op naam van de eenmanszaak van [verdachte] . Uit deze facturen zou blijken dat [verdachte] van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op grote schaal provisie heeft ontvangen in verband met de verkoop van horloges door [medeverdachte] aan [naam 2] . [naam 2] , eigenaar van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) herkent de provisiefacturen niet en verklaart dat hij nooit provisiebetalingen aan [verdachte] heeft gedaan. Daarnaast volgt uit het dossier dat [verdachte] de provisiefacturen achteraf heeft opgemaakt om voor te wenden dat er daadwerkelijk leveringen hebben plaatsgevonden bij [naam 2] .

Aangezien de facturen op naam van de eenmanszaak van [verdachte] zijn opgemaakt, waar niemand anders werkzaamheden verrichtte dan hij, kan het niet anders dan dat [verdachte] de facturen heeft opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken.

Hij heeft immers de facturen in zijn administratie opgenomen en de facturen aan [medeverdachte] verstrekt ter onderbouwing van de voorgewende transacties met [naam 2] .

4.1.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

De provisiefacturen zijn gericht aan [naam 2] . [naam 2] heeft tijdens zijn verhoor – geconfronteerd met een aantal provisiefacturen – ontkend provisiebetalingen aan [verdachte] of een bedrijf van hem te hebben verricht.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 2] tegenover de Duitse autoriteiten niet erg gedetailleerd of concreet is over sommige transacties. Bovendien is het niet duidelijk welke documenten precies aan [naam 2] zijn getoond tijdens het verhoor.
De rechtbank neemt daarbij in overweging dat [naam 2] mogelijk een belang kan hebben om verklaringen af te leggen die hem in het kader van de bedrijfsvoering van [naam 2] niet kunnen worden tegenworpen. [naam 2] kan daarmee beweegredenen hebben op grond waarvan hij zijn verklaring heeft afgelegd. De rechtbank ziet in deze omstandigheid aanleiding om terughoudendheid te betrachten bij het gebruik van de verklaring van [naam 2] . Nu bovendien het dossier onvoldoende ander bewijs bevat dat de verklaring van [naam 2] ondersteunt om te komen tot de vaststelling dat de provisiefacturen vals zijn, zal [verdachte] worden vrijgesproken.

4.2.

Niet indienen aangifte omzetbelasting (feit 2)

4.2.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen en heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] heeft verklaard dat hij in 2011 met zijn eenmanszaak [naam 1] heeft gehandeld in dure horloges. Over dat jaar heeft hij een aanzienlijke omzet geboekt. [verdachte] heeft over 2011 echter geen aangiften omzetbelasting ingediend. Dit bevestigt hij in een e-mail aan zijn boekhouder.

4.2.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen gelet op de inhoud van het e-mailbericht dat [verdachte] aan zijn boekhouder heeft gestuurd waarin hij bevestigt dat hij geen aangiften omzetbelasting heeft gedaan over 2011.

4.3.

Valselijk opmaken/vervalsen facturen (feit 3)

4.3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar haar schriftelijke requisitoir op het standpunt gesteld dat het onder feit 3 ten laste gelegde feit kan worden bewezen.


[verdachte] dient wel te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde pro forma factuur van 23 februari 2012. Van de overige drie facturen kan de valsheid worden vastgesteld omdat [naam 2] aangeeft de horloges niet te hebben aangekocht, dan wel omdat de verkochte horloges ten tijde van de datum van de factuur niet in voorraad waren of de consignatie al was opgezegd. De facturen zijn door [verdachte] gebruikt, door opname in de administratie van T-Watches B.V. in oprichting.

4.3.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de pro forma factuur van 23 februari 2012. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.

Hij zal eveneens worden vrijgesproken van de overige ten laste gelegde facturen. Daartoe is het volgende redengevend.

Ten aanzien van de factuur van 1 mei 2012 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de daarop vermelde horloges zijn verkocht op een datum waarop de consignatie reeds was opgezegd en de horloges al waren teruggegeven. De officier van justitie verwijst daarbij naar de factuur (D-083) en de opzegging van de consignatie (D-211). De rechtbank stelt echter vast dat laatstgenoemde document niet ziet op de horloges die in de factuur van 1 mei 2012 worden genoemd. De opzegging van consignatie ziet op horloges die zijn genoemd in de factuur van 31 maart 2012 (D-087). Daarmee staat niet vast dat de horloges niet verkocht kunnen zijn en de verkoopfactuur vals is.

Ten aanzien van de facturen van 16 april 2012 en de factuur van 21 april 2012 overweegt de rechtbank dat een bewezenverklaring in overwegende mate zou steunen op de verklaring van [naam 2] . Nu het dossier onvoldoende ander bewijs bevat om te komen tot een vaststelling dat de facturen vals zijn, zal [verdachte] hiervan worden vrijgesproken.

4.4.

Feitelijk leiding geven aan onjuiste aangifte omzetbelasting (feit 4)

4.4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

[verdachte] moet worden vrijgesproken, dan wel worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu T-Watches B.V. in oprichting geen rechtspersoon is waaraan feitelijk leiding kan worden gegeven.

4.4.2.

Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder 4 ten laste gelegd – kort gezegd – het feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen die zijn gepleegd door T-Watches B.V. Daarbij gaat het om onjuiste aangiften omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2012 en april 2012.

Uit het in het dossier gevoegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, blijkt dat T-Watches op 1 mei 2012 is opgericht. Dat is na het eerste kwartaal van 2012 en april 2012, waar de beschuldiging op ziet. T-Watches was op dat moment nog in oprichting.

In artikel 51 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Het begrip 'rechtspersoon' dient in beginsel naar civielrechtelijke maatstaven te worden geïnterpreteerd.

Naar civielrechtelijke maatstaven heeft een B.V. i.o. als zodanig geen rechtspersoonlijkheid. Noodzaak om de strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 51 Sr zodanig ruim te interpreteren dat deze de B.V. i.o. als zodanig omvat, bestaat niet. Het is namelijk mogelijk de oprichter(s) zelf als (mede)pleger(s) aan te spreken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de besloten vennootschap T-Watches i.o. niet kan gelden als de entiteit die naar strafrechtelijke maatstaven het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat [verdachte] van het feitelijk leidinggeven aan het door T-Watches i.o. gepleegde delict moet worden vrijgesproken

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

2.

in de periode van 1 januari 2011tot en met 11 maart 2014 in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten maandaangiften omzetbelasting voor de eenmanszaak [verdachte] over het jaar 2011 (D-006), niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Amsterdam en/of Apeldoorn gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Bij haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van tien maanden.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door opzettelijk geen maandaangiften omzetbelasting te doen over het jaar 2011 voor zijn eenmanszaak [naam 1] . Als gevolg daarvan is de verschuldigde omzetbelasting te laag vastgesteld. De goede werking van het belastingsysteem staat of valt met het indienen en de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van aangiften. Dit systeem is namelijk mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een (juiste) aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting kan vaststellen. Daarvan heeft [verdachte] misbruik gemaakt met als gevolg dat financieel nadeel aan de Nederlandse Staat (en daarmee de samenleving) is berokkend. De rechtbank kan de hoogte van het nadeel niet exact bepalen, nu de in het dossier opgenomen berekeningen eveneens zien op gedragingen van [verdachte] waarvan de rechtbank niet met zekerheid kan vaststellen dat de Staat daardoor is benadeeld. Uit het dossier komt echter voldoende naar voren dat de eenmanszaak van [verdachte] transacties heeft verricht in 2011 met betrekking tot exclusieve en dure horloges, waarvoor hij geen omzetbelasting heeft afgedragen.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 5 februari 2019.

Op dat strafblad staat een veroordeling van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van

21 september 2010, waarbij hij is veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrifte. De Hoge Raad heeft de uitspraak op 4 december 2012 uitsluitend wat betreft de opgelegde straf vernietigd en een gevangenisstraf van elf maanden en drie weken, waarvan

8 maanden voorwaardelijk opgelegd, alsmede de maximale taakstraf. De rechtbank heeft kennis genomen van de uitspraak van het Gerechtshof en stelt vast dat het ging om valsheid in geschrifte die indirect verband hield met regelgeving omtrent de omzetbelasting. Alhoewel het hiervoor door de rechtbank bewezenverklaarde feit, het niet doen van omzetbelasting, niet gelijk is aan het bewezenverklaarde bij het Gerechtshof, ging het bij die laatste veroordeling dus eveneens om het overtreden van regelgeving met gevolgen voor de door de Staat te innen omzetbelasting. Om die reden acht zal de rechtbank bij de strafoplegging als strafverzwarende omstandigheid meewegen dat sprake is van recidive.

[verdachte] was een gewaarschuwd man, maar hij heeft geen blijk gegeven lering te hebben getrokken uit de eerdere strafoplegging. De rechtbank weegt daarnaast mee dat [verdachte] bij de FIOD geen verklaring heeft willen geven en eveneens niet ter terechtzitting is verschenen. Daarmee neemt hij geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen.

Gelet op de ernst van het feit, het nadeel dat daardoor is ontstaan voor de Staat en de eerdere veroordeling, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf een passende sanctie is op het handelen van [verdachte] . Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel. Omdat de rechtbank [verdachte] vrij spreekt van het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde bestaat eveneens aanleiding om bij de duur van de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging kon worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn aangevangen op 27 juni 2016. Dit is de dag waarop de officier van justitie via een brief kenbaar heeft gemaakt vervolging te zullen instellen. Nu sinds die dag tot aan de dag waarop de zaak ter terechtzitting is afgerond met een eindvonnis meer dan twee jaren zijn verstreken, namelijk een kleine drie jaar, is sprake van overschrijding van de redelijke termijn met bijna één jaar. De rechtbank is van oordeel dat de omvang en complexiteit van de zaak niet zodanig zijn dat een extra vertraging gerechtvaardigd was. De rechtbank zal hiermee in strafmatigende zin rekening houden bij de strafoplegging.

De rechtbank acht alles afwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van vijf maanden passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en E.G.C. Groenendaal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2019.