Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:399

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
C/13/627585 / HA ZA 17-411
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijt van overkreditering: eindvonnis na tussenvonnis van 16 mei 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4085; partijen hebben nagelaten een deugdelijke berekening op basis van inkomen en vermogen van kredietnemer te maken van tot welk bedrag zij verantwoord kon lenen; de rechtbank formuleert de te hanteren uitgangspunten op basis van de beschikbare gegevens, en stelt vast dat sprake is van overkreditering. Verplichting tot vergoeding schade, die door de rechtbank wordt geschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/627585 / HA ZA 17-411

Vonnis van 23 januari 2019

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.G.H. Meijerink te Drachten,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.

Partijen worden hierna [eiseres] en ABN AMRO genoemd. ABN AMRO wordt ook wel de bank genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit

  • -

    het tussenvonnis van 16 mei 2018,

  • -

    de akte met producties van [eiseres] (eigen schuld),

  • -

    de akte met producties van ABN AMRO (overkreditering),

  • -

    de antwoordakte van ABN AMRO (eigen schuld),

  • -

    de antwoordakte met producties van [eiseres] (overkreditering en eigen schuld),

  • -

    de akte uitlating producties van ABN AMRO.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

verzoeken tot heroverweging

2.1.

In het tussenvonnis van 16 mei 2018 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank overwogen dat zij een nadere toelichting nodig had van partijen om te kunnen beoordelen of sprake is van overkreditering en partijen in de gelegenheid gesteld aktes te nemen. ABN AMRO is – kort gezegd – opgedragen alsnog inzichtelijk te maken tot welk bedrag [eiseres] op grond van het aanwezige inkomen en vermogen verantwoord kon lenen en [eiseres] mocht haar stelling dat ABN AMRO wist dat zij destijds niet in staat was alles zelf te beoordelen en zelf beslissingen te nemen nader onderbouwen (in het kader van het debat over eigen schuld). Vervolgens heeft deze aktewisseling plaatsgevonden. Daarbij springt allereerst in het oog dat partijen zich in hun aktes niet tot de genoemde onderwerpen hebben beperkt, maar ook expliciet of impliciet de rechtbank verzoeken op diverse punten haar beslissingen of uitgangspunten in het tussenvonnis te heroverwegen. Daarvoor bestaat evenwel geen aanleiding, nu uit hetgeen in de aktes naar voren is gebracht niet blijkt dat deze beslissingen of uitgangspunten berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Aldus wordt het tussenvonnis onverkort tot uitgangspunt genomen bij de verdere beoordeling.

tussenvonnis

2.2.

Voor de leesbaarheid zij herhaald dat het verwijt van overkreditering van [eiseres] ziet op de begin 2006 door ABN AMRO aan haar ter financiering van de aankoop en verbouwing van de woning AM 23 verstrekte kredieten, te weten een aflossingsvrije hypothecaire geldlening (hierna: de hypotheek) voor een bedrag van € 600.000,- met bruto maandlasten van € 2.100,- en een overbruggingskrediet van € 189.900,-. Daaraan kan worden toegevoegd dat ABN AMRO voor de netto maandlasten van de hypotheek van € 600.000,- heeft verwezen naar een eerdere offerte (productie 11 bij dagvaarding). Uit deze offerte volgt dat gedurende de looptijd van dit krediet de netto maandlasten zouden stijgen. Indien hiervan het gemiddelde wordt genomen, levert dat een gemiddelde netto maandlast op van € 1.680,-, en dus jaarlijks van € 20.160,-. Concreet luidt het verwijt van [eiseres] dat de kredieten te hoog waren, waardoor zij de daaraan verbonden lasten niet kon dragen.

2.3.

In het tussenvonnis is overwogen (rov. 4.7) dat uit het dossier van ABN AMRO wel blijkt dat zij het inkomen en het vermogen van [eiseres] in kaart heeft gebracht, maar niet, althans onvoldoende, dat ABN AMRO berekeningen heeft gemaakt en, zo ja, welke, waaruit volgt dat [eiseres] de hypotheeklasten kon dragen, en/of hoe zij anderszins tot de conclusie is gekomen dat het voor [eiseres] verantwoord was om de hypotheek aan te gaan.

2.4.

In rov. 4.9 is vervolgens overwogen dat, om vast te kunnen stellen of inderdaad sprake is geweest van overkreditering en, zo ja, wat de omvang van de schade is die voor vergoeding in aanmerking komt, allereerst noodzakelijk is dat ABN AMRO alsnog bij akte inzichtelijk maakt tot welk bedrag [eiseres] op grond van het aanwezige inkomen en vermogen verantwoord kon lenen. Daarbij is ABN AMRO opgedragen niet alleen berekeningen te maken aan de hand van de gegevens waar zij destijds vanuit is gegaan (opgenomen in rov. 2.15 van het tussenvonnis), maar ook aan de hand van een tweetal opgaves die volgens [eiseres] de juiste gegevens waren (opgenomen in rov. 4.9 van het tussenvonnis), omdat ABN AMRO destijds niet bij [eiseres] heeft geverifieerd of de gegevens die zij tot uitgangspunt nam, juist waren. Ook is ABN AMRO opgedragen in haar berekening te betrekken (1) de uitgaven van [eiseres] (kosten levensonderhoud) waarmee de bank rekening heeft gehouden en (2) (voor zover zij meent dat hiermee rekening had moeten worden gehouden) de vaste uitgaven die [eiseres] toen maandelijks had volgens eigen opgave; indien ABN AMRO deze laatste uitgaven niet (volledig) meeneemt in haar berekeningen, dient zij aan te geven waarom niet.

overkreditering, beoordeling na aktes

2.5.

Niet in geschil is dat [eiseres] de aan de kredieten verbonden (rente)verplichtingen niet (geheel) uit haar inkomen kon voldoen. In die situatie gold in de periode van verstrekking van de kredieten (2006) als uitgangspunt dat de bank diende na te gaan of de consument de lasten voor het overige met voldoende zekerheid zou kunnen en willen voldoen uit zijn vermogen, en daarbij rekening diende te houden met inteereffecten. Als de geleende gelden zouden worden belegd, en de opbrengst van die beleggingen nodig was om aan de betalingsverplichtingen uit hoofde van het krediet te voldoen, diende de bank naast de veronderstelde opbrengsten ook de risico’s van de belegging in haar onderzoek te betrekken. De zorgplicht van de bank om te waken tegen overkreditering bracht verder mee dat de bank de consument over de resultaten van haar onderzoek diende te informeren op een zodanige wijze dat de consument kon beoordelen of hij de verplichtingen uit de kredietovereenkomst zou kunnen (blijven) dragen. Het onderzoek dat de bank moet verrichten naar de inkomens- en vermogenspositie van de consument is geen zelfstandige verplichting, maar een middel om eventuele overkreditering te kunnen vaststellen, met andere woorden: er is alleen sprake van overkreditering als - in dit geval - [eiseres] de verplichtingen uit de kredieten daadwerkelijk niet kon dragen (vgl. Hoge Raad 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107 en recent Hoge Raad 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298).

2.6.

ABN AMRO heeft (in randnummer 3.8 van haar eerste akte na tussenvonnis) voorgerekend dat zij destijds (dus aan de hand van de gegevens waar de bank vanuit ging) meende dat zij de hypotheek van € 600.000,- aan [eiseres] kon verstrekken omdat [eiseres] uit de overwaarde van het pand in [plaats] (volgens de bank € 350.000,-) jaarlijks een beleggingsrendement kon verkrijgen van € 18.500,-, uitgaande van een rendement van 5%. Dit is evenwel niet toereikend voor de jaarlijkse netto hypotheeklasten (2.2) van (12 maal € 1.680,- =) € 20.160,-. ABN AMRO lijkt verder te (veronder)stellen dat [eiseres] voor het overige dan van haar inkomen op bijstandsniveau zou moeten (kunnen) leven. Ook in die (veronder)stelling gaat de rechtbank niet mee; in het tussenvonnis is immers reeds overwogen (rov. 4.7) dat het jaarinkomen van [eiseres] veel te laag was om van te leven.

2.7.

De bank heeft in haar akte verder geen berekeningen gemaakt aan de hand van de gegevens die volgens [eiseres] de juiste zijn.

2.8.

De berekeningen die [eiseres] door een deskundige heeft laten maken zijn niet goed bruikbaar voor de beoordeling of sprake was van overkreditering. Deze berekeningen maken immers niet duidelijk of [eiseres] aan de aan haar door de bank verstrekte kredieten (zie hiervoor onder 2.2) verbonden lasten kon voldoen, nu daarin andere mogelijke manieren van financiering uiteen zijn gezet. Duidelijk is wel dat ook de deskundige (en dus [eiseres] ), hoewel destijds door partijen ook nog verhuur als optie werd gezien, voor de berekeningen, net als de bank, uitgaat van verkoop (op korte termijn) van het pand in [plaats] . De deskundige heeft vervolgens echter niet berekend of met de aldus tot uitgangspunt genomen verkoop van het pand in [plaats] (en de belegging van de overwaarde) een hypotheek van € 600.000,- financierbaar was, maar of – met de inbreng van de overwaarde – een hypotheek voor een lager bedrag wél mogelijk was. Dat is een andere manier van aanwending van de overwaarde, maar geeft, zoals hiervoor al is overwogen, geen antwoord op de vraag die voorligt: of een lening ten bedrage van € 600.000,- verantwoord was.

2.9.

Nu beide partijen hebben nagelaten duidelijke en bruikbare berekeningen te maken, zal de rechtbank dit – zo goed en zo kwaad als mogelijk – zelf (moeten) doen aan de hand van de gegevens die partijen hebben verstrekt om vast te stellen of sprake is (geweest) van overkreditering. De rechtbank hanteert daarbij de volgende uitgangspunten.

2.10.

De bank stelt dat de lasten in de periode tot aan de verkoop van KEK 195 en het pand in [plaats] konden worden voldaan uit een bedrag van € 50.000,- dat [eiseres] in depot zou storten. [eiseres] heeft slechts betwist dat zij het bedrag in depot heeft gestort, maar niet dat zij dit bedrag ter beschikking had, zodat de rechtbank voor het overige van de juistheid van de stelling van de bank zal uitgaan en van overkreditering ten aanzien van het overbruggingskrediet derhalve geen sprake was. Het gaat derhalve thans alleen nog om de vraag of sprake is (geweest) van overkreditering bij het verstrekken van de hypotheek van € 600.000,-.

2.11.

Indien tot uitgangspunt wordt genomen dat het pand in [plaats] zou worden verkocht, kan eveneens tot uitgangspunt worden genomen dat de overwaarde kon worden belegd. Deze overwaarde moet ten tijde van de verstrekking van de hypotheek worden bepaald op € 300.000,-. Op de overwaarde van € 350.000,- die de bank tot uitgangspunt neemt, zijn ten onrechte niet de op deze woning rustende hypotheek van afgerond € 45.000,- en de verkoopkosten van € 5.000,- in mindering gebracht. [eiseres] heeft nog betoogd dat ook de voor de latere verkoop gemaakte verbouwingskosten van ruim € 50.000,- op de overwaarde in mindering moeten worden gebracht, maar hierin kan zij niet worden gevolgd, nu niet blijkt dat zij de bank van deze verbouwing, of de noodzakelijkheid daarvan, op de hoogte heeft gesteld. Evenmin bestaat aanleiding om, zoals [eiseres] heeft betoogd, de WOZ-waarde van het pand tot uitgangspunt te nemen, omdat deze waarde doorgaans lager is dan de marktwaarde, zoals ook blijkt uit het bedrag waar het pand in 2007 daadwerkelijk voor is verkocht.

2.12.

Uitgaande van een jaarlijks rendementspercentage van 5% (waarvan de juistheid niet gemotiveerd is betwist door [eiseres] en dat de rechtbank voor die tijd ook niet onredelijk voorkomt) zou een jaarlijks rendement op deze overwaarde van € 300.000,- worden behaald van € 15.000,-. Onbetwist is dat de overwaarde daadwerkelijk is ondergebracht bij ABN AMRO om daaruit de lasten van de hypotheek te voldoen. Wel geldt dat gesteld noch gebleken is dat dit bedrag ook daadwerkelijk is belegd of dat de bank met [eiseres] heeft besproken of zij wilde beleggen. Dit leidt niet tot de conclusie dat het (fictieve) rendement op de overwaarde niet mag worden meegenomen in de beoordeling of sprake is geweest van overkreditering, maar brengt wel met zich dat ABN AMRO – door de mogelijkheid en risico’s van beleggen niet (uitdrukkelijk) met [eiseres] te bespreken – ook op dit punt haar zorgplicht heeft verzaakt.

2.13.

De rechtbank neemt voorts tot uitgangspunt dat [eiseres] nog over een bedrag van (ten minste) € 200.000,- aan spaargeld kon beschikken (rekening houdend met de € 50.000,- die nodig was om de rente op het overbruggingskrediet te betalen, zie 2.10). Aan het betoog van [eiseres] dat zij niet over dit bedrag kon beschikken omdat dit op een rekening op naam van haar zoon stond, wordt voorbijgegaan. Vaststaat immers dat het bedrag van € 250.000,-: (a) door [eiseres] zelf als spaargeld is opgevoerd in haar (subsidiaire) vermogensopstelling, (b) ook voorkomt in het overzicht dat de bank heeft opgesteld naar aanleiding van gesprekken met [eiseres] destijds en (c) eerst op 8 juli 2005 – toen [eiseres] naar eigen zeggen was verwikkeld in een echtscheidingsgeschil met haar ex-man – door [eiseres] is overgeboekt naar de rekening op naam van haar toen 13-jaar oude zoon. [eiseres] heeft niet nader toegelicht dat en waarom (op welke rechtsgrond) zij dit bedrag aan haar zoon heeft overgemaakt.

2.14.

Een hoger bedrag aan spaargeld zal niet worden meegenomen en dit mocht de bank destijds ook niet doen, nu [eiseres] niet meer vermogen had opgegeven. [eiseres] had de bank bovendien uitdrukkelijk gevraagd de overwaarde van KEK 194 buiten de berekening te houden, vanwege een mogelijke aanspraak van haar ex-man. Aan de stellingen van de bank dat [eiseres] over nog meer vermogen beschikte en dit voor haar verborgen heeft gehouden, gaat de rechtbank dan ook voorbij, omdat de eventuele juistheid van deze stellingen niet relevant is voor de beoordeling; de bank moest destijds immers aan de hand van de haar wel bekende gegevens beoordelen of de hypotheekfinanciering van € 600.000,- verantwoord was. Overigens blijft, ook na de aktewisseling, onduidelijk of de bank het overige vermogen (volgens haar dus een bedrag € 375.000,- aan spaargeld) ook heeft meegenomen in haar berekeningen.

2.15.

Zoals al in het tussenvonnis (in rov. 4.7) en opnieuw hiervoor (onder 2.6) is overwogen, mocht de bank niet zonder meer tot uitgangspunt nemen dat het inkomen van [eiseres] (hooguit op bijstandsniveau) voldoende was om in haar (overige) kosten van levensonderhoud te voldoen. Dat inkomen correspondeerde immers niet met de bij haar leefsituatie passende standaarduitgaven; zij was een academisch geschoolde, alleenstaande vrouw van begin 50, moeder van drie schoolgaande kinderen, die zou verhuizen naar een huis ter waarde van (na verbouwing) circa € 1 miljoen en die meerdere woningen/panden in bezit had. Voorts is gesteld noch gebleken dat ABN AMRO de vaste lasten en kosten van levensonderhoud van [eiseres] – ook als de lasten van KEK 195 en het pand in [plaats] , die immers binnen afzienbare termijn zouden worden verkocht, buiten beschouwing worden gelaten (zie rov. 4.9 tussenvonnis) – in kaart heeft gebracht.

2.16.

Op basis van de hiervoor weergegeven uitgangspunten komt de rechtbank tot de slotsom dat de bank destijds op grond van de haar ter beschikking staande gegevens [eiseres] niet een hypotheek van € 600.000,- heeft kunnen adviseren, temeer nu de bank zelf uitdrukkelijk stelt (randnummer 3.8 van haar eerste akte na tussenvonnis) dat zij bij haar advies alleen is uitgegaan van het beleggen van de (te hoog ingeschatte) overwaarde van het pand in [plaats] . In aanmerking nemend de reële overwaarde van € 300.000,- (zie hiervoor onder 2.11) en de overige beperkte en (mogelijk) onvolledige en onjuiste (want niet bij [eiseres] geverifieerde) informatie die de bank destijds ook bij haar advisering had en tot uitgangspunt heeft genomen en hetgeen hiervoor overigens is overwogen, moet worden geconcludeerd dat maximaal een hypotheek met netto rentelasten van € 15.000,- per jaar verantwoord was (te weten het (fictieve) beleggingsresultaat op de overwaarde van € 300.000,-, zie hiervoor onder 2.12). ABN AMRO heeft weliswaar aangevoerd dat zij ervan uitging dat [eiseres] (tijdelijk) op haar vermogen zou interen, maar heeft nagelaten voor te rekenen aan [eiseres] in hoeverre hiervan sprake zou zijn. De rechtbank kan deze vage stelling dan ook niet meenemen in haar berekeningen en zal tot uitgangspunt nemen dat het spaargeld van [eiseres] nodig was om haar inkomen aan te vullen om in haar overige kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien.

2.17.

Uit de vaststelling dat maximaal een hypotheek met jaarlijkse netto rentelasten van € 15.000,- verantwoord was geweest en dus had mogen worden verstrekt, volgt dat de hypotheek van € 600.000,- die ABN AMRO in werkelijkheid heeft verstrekt, met jaarlijkse netto rentelasten van € 20.160,-, te hoog en dus onverantwoord was. Daarmee is sprake van overkreditering (hetgeen een onrechtmatige daad oplevert), hetgeen betekent dat ABN AMRO gehouden de schade die [eiseres] dientengevolge heeft geleden te vergoeden.

Schade

2.18.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure. De schade die het gevolg is van de overkreditering kan in het licht van de beperkte gegevens die ABN AMRO destijds in haar beoordeling heeft betrokken en de beperkte gegevens die partijen in het geding hebben gebracht niet precies worden berekend. Dat betekent dat de schade zal moeten worden geschat (zie artikel 6:97 BW). Aan de hand van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten schat de rechtbank de schade op het verschil tussen de jaarlijkse netto rentelasten van de (afgesloten) hypotheek (ten bedrage van € 20.160,-) en de (fictieve) jaarlijkse rentelasten van de verantwoorde hypotheek (te weten € 15.000,-), derhalve € 5.160,- per jaar, berekend over de looptijd van de hypotheek, te weten van 24 april 2006 tot en met 15 oktober 2015, afgerond 9,5 jaar, derhalve € 49.020,-.

eigen schuld

2.19.

In het tussenvonnis is overwogen dat evident was, zeker voor een academisch geschoolde als [eiseres] , dat haar inkomen onvoldoende was om de hypotheekverplichtingen te voldoen, en dat het haar daarom eveneens duidelijk was, althans dat haar duidelijk had moeten zijn, dat zij zou interen op haar vermogen. Overwogen is voorts dat [eiseres] dan ook in ieder geval voor een deel zelf verantwoordelijk is (‘eigen schuld heeft aan’) haar keuze om een hypotheek voor het bedrag van € 600.000,- aan te gaan. Voorts is overwogen dat de ‘omvang’ van deze eigen schuld afhangt van de omstandigheden van het geval en vooral van de persoon van [eiseres] en hoe zij zich aan ABN AMRO heeft gepresenteerd. Uit (de correspondentie in) het procesdossier, zo is voorts overwogen, komt het beeld naar voren van een vrouw die – ondanks het ongeval dat haar is overkomen – heel goed wist wat ze wilde en voldoende deskundig was om zelf haar beslissingen te nemen. Tijdens de comparitie heeft [eiseres] dat beeld bestreden en verklaard dat zij beschikt over stukken waarmee zij kan onderbouwen dat ABN AMRO wist dat het toen helemaal niet goed met haar ging en dat zij niet goed in staat was alles zelf te beoordelen en zelf beslissingen te nemen. De rechtbank heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld deze stelling bij akte te onderbouwen.

2.20.

[eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling diverse verklaringen in het geding gebracht: een gezamenlijke, in het kader van de procedure opgestelde, verklaring van haar drie (toen nog inwonende) kinderen, in het kader van deze procedure opgestelde verklaringen van de behandelend psychiater van [eiseres] , haar huisarts en twee advocaten die [eiseres] die in 2005/2006 hebben bijgestaan, en in 2007 opgestelde rapporten van de door de gemeente ingeschakelde verzekeringsarts. Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat de betrokkenen die de verklaringen hebben opgesteld menen dat [eiseres] destijds niet in staat was haar eigen belangen te behartigen. Uit de verklaringen van de psychiater en de verzekeringsarts maakt de rechtbank op dat dit ook de medewerkers van de bank niet kan zijn ontgaan. De psychiater verklaart dat de beperkingen van [eiseres] (forse cognitieve stoornissen) voor een ieder die met haar in gesprek was direct duidelijk werden. De verzekeringsarts schrijft in haar rapport van begin 2007 weliswaar onder meer: “(…) betrokkene maakt een gezonde indruk (…) cliënt presenteert zich op coherente, coöperatieve en ontspannen wijze. (…) het bewustzijn is normaal. (…)”, maar ook: “Ze is vaak even de kluts kwijt en valt dan enkele seconden stil. Hoewel ze dan niet altijd adequaat met haar verhaal doorgaat, kan ze uiteindelijk het verhaal wel produceren, maar niet zonder veelvuldig in herhaling te vallen en daar geen besef van hebben. (…) Onderbreekt haar zinnen: woordvindingsstoornis? Lijkt vaak even de kluts kwijt te zijn. (…) de gedachtengang vertoont duidelijke stoornissen: erg chaotisch. Handelen en willen: er is geen sprake van adequate strevingen en de mogelijkheid daar overeenkomstig naar te handelen. (...) er is sprake van een normale reality-testing. (...) er worden tijdens het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor een lager dan gemiddelde intelligentie. (...)”.

2.21.

De rechtbank blijft van oordeel dat [eiseres] gezien haar opleidingsniveau en beroep (jurist) in ieder geval enige mate van eigen schuld heeft. De verklaringen en rapporten die in het geding zijn gebracht en overige omstandigheden van het geval geven wel aanleiding om te oordelen dat de mate van eigen schuld geringer is dan in het geval van een volledig gezond academisch geschoolde persoon. Uit de overgelegde verklaringen en rapporten komt het beeld naar voren van iemand die – in de woorden van de verzekeringsarts – af en toe ‘de kluts kwijt’ en ‘erg chaotisch’ was. ABN AMRO was bekend met het feit dat [eiseres] een verkeersongeluk had gehad en had er – mede gezien hetgeen de verzekeringsarts beschrijft over het optreden van [eiseres] – als adviseur rekening mee moeten houden dat zij onder die omstandigheden mogelijk duidelijker advisering nodig had dan wanneer zij gezond was geweest. Dit alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de schade van [eiseres] in beduidend hogere mate het gevolg is van omstandigheden die aan ABN AMRO kunnen worden toegerekend dan aan omstandigheden die aan [eiseres] kunnen worden toegerekend.

2.22.

Het feit dat ABN AMRO in haar advisering – niet alleen in het maken van duidelijke berekeningen en in de besteding/belegging van haar vermogen, maar met name bij het informeren van [eiseres] op een zodanige wijze dat zij kon beoordelen of zij de verplichtingen uit de kredietovereenkomst zou kunnen (blijven) dragen (en in hoeverre zij zou interen op haar vermogen) – ernstig tekort is geschoten, alsmede de (ook voor ABN AMRO kenbare) psychische gesteldheid van [eiseres] acht de rechtbank een billijkheidscorrectie op zijn plaats in die zin dat de eigen schuld van [eiseres] op nihil wordt bepaald en ABN AMRO de volledige schade ten bedrage van € 49.020,- aan [eiseres] zal moeten vergoeden.

2.23.

Zoals in het tussenvonnis reeds is overwogen, zullen de overige vorderingen worden afgewezen.

kosten ter vaststelling van schade

2.24.

[eiseres] heeft ook op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kosten ter vaststelling van de schade gevorderd, te weten de kosten voor het inschakelen van de deskundige ABAX ten bedrage van € 11.000,-. ABN AMRO heeft betwist dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, en daartoe aangevoerd dat deze kosten haar onredelijk hoog voorkomen. Tegenover de gespecificeerde onderbouwing die [eiseres] van deze kosten heeft gegeven, moet deze betwisting als onvoldoende concreet toegelicht worden gepasseerd. Deze kosten komen daarom eveneens voor vergoeding in aanmerking.

buitengerechtelijke incassoskosten en proceskosten

2.25.

[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gaat uit van een hogere toegewezen hoofdsom en is daardoor hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook overeenkomstig het wettelijke tarief toewijzen tot een bedrag van € 1.530,89.

2.26.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt ABN AMRO als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] . Deze worden aan de hand van het toegewezen bedrag als volgt begroot:

- explootkosten € 97,31

- griffierecht € 1.545,00

- salaris advocaat (3 punten à tarief IV) € 3.222,00

Totaal € 4.864,31

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat in het geval van [eiseres] sprake is van overkreditering doordat ABN AMRO is overgegaan tot verstrekking van de hypotheek van € 600.000,-,

3.2.

veroordeelt ABN AMRO tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 60.020,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2017 tot aan de dag der voldoening,

3.3.

veroordeelt ABN AMRO tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.530,89 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der voldoening,

3.4.

veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 4.864,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der voldoening,

3.5.

veroordeelt ABN AMRO in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ABN AMRO niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der voldoening,

3.6.

wijst het gevorderde voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door

mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2019.