Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:395

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
13/751975-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering naar Hongarije toegestaan | Verweer met betrekking tot de detentieomstandigheden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751975-18

RK nummer: 18/7916

Datum uitspraak: 18 januari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juni 2017 door the Szeged Regional Court (Hongarije) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1986,

als verblijfsadres opgegeven: [adres] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.M.J. Coumans, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis, gewezen door the District Court of Szeged en gedateerd 16 december 2013, referentie no. 18.B.2963/2012/34. Dit vonnis is door the Szeged Regional Court in hoger beroep bekrachtigd bij uitspraak van 27 maart 2015, referentie no. 4.Bf.497/2014/14.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Uit het dossier blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandelingen ter terechtzitting die tot het vonnis in eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep hebben geleid.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:

oplichting.

Volgens de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: detentieomstandigheden in Hongarije

5.1.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon mogelijk een onmenselijke behandeling in de Hongaarse penitentiaire instelling wacht. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat op grond van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit niet vast staat dat de opgeëiste persoon in Hongarije zal worden geplaatst in de penitentiaire instelling van Szombathely of Tiszalök.

5.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer en zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot de detentieomstandigheden verwijst de rechtbank naar de brief van het Ministry of Justice of Hungary van 5 december 2018. De rechtbank leest de brief aldus dat de bijlage behorende bij deze brief dient te worden gezien als een aanvulling op het EAB. In de bijlage is met betrekking tot de opgeëiste persoon het volgende medegedeeld:

In connection with the case of transfer of [opgeëiste persoon] (place and date of birth: [geboorteplaats] , [geboortedag] 1986), Hungarian citizen, pending at the Dutch Court on the basis of a European arrest warrant, please be informed that – upon completion of the transfer proces – the Hungarian Prison Services continues to undertake the guarantee of placing the abovementioned person either at the Szombathely National Prison or at the Tiszalök National Prison providing conditions consistent with the European and Hungarian legislation, in accordance with the request of the Dutch authorities.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt, gelet op het voornoemde, dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Hongarije zal worden geplaatst in de gevangenis in Szombathely of Tiszalök.

De rechtbank heeft geen bewijzen zoals bedoeld in punt 88 van het arrest Aranyosi en Căldăraru1, dat personen die in hetzij de gevangenis in Szombathely hetzij de gevangenis in Tiszalök gedetineerd zijn in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling lopen. De conclusie is daarom dat artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet in de weg staat aan de verzochte overlevering.

De rechtbank verwijst in dit verband naar haar eerdere uitspraken (zie o.a.: ECLI:NL:RBAMS:2016:4966, ECLI:NL:RBAMS:2017:6707, ECLI:NL:RBAMS:2017:7304 en ECLI:NL:RBAMS:2018:1675).

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Szeged Regional Court (Hongarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 18 januari 2019.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198