Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3873

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
13/684128-18 en 13/674192-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor vernieling en aanranding, meermalen gepleegd. Gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684128-18 (A) en 13/674192-16 (B)

Datum uitspraak: 21 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum te [plaats] .

1 Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zittingen van 12 juni 2018, 24 augustus 2018, 1 november 2018, 19 december 2018, 22 februari 2019 en 7 mei 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.C. Bennis, en van wat verdachte en zijn (waarnemend) raadsvrouw,

mr. W.H.R. Hogewind, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

ten aanzien van zaak A

het op 13 maart 2018 plegen van brandstichting in een afzonderingsruimte van een gebouw van Inforsa;

en/of

het vernielen van een kussensloop door deze in brand te steken.

ten aanzien van zaak B

1. het op 1 maart 2016 verkrachten van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) in een ziekenhuiskamer, (primair) dan wel het seksueel binnendringen van [slachtoffer 1] terwijl zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde (subsidiair), dan wel aanranding van [slachtoffer 1] (meer subsidiair), dan wel ontuchtige handelingen terwijl [slachtoffer 1] in staat van verminderd bewustzijn verkeerde (meest subsidiair); en,

2. op 22 april 2016 aanranding van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) door in haar borst te knijpen en in haar been te prikken.

De volledige tekst van de tenlastelegging is in bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A, zaak B onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Zaak A

Uit het dossier volgt dat verdachte brand heeft gesticht waardoor hij gemeen gevaar voor personen en goederen heeft doen ontstaan. Het verweer van verdachte, dat de brand is ontstaan door as van rookwaar, is op grond van de stukken in het dossier niet aannemelijk geworden.

Zaak B – feit 1

Gelet op de aangifte en de getuigenverklaring kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft aangerand terwijl zij door lichamelijke uitdroging was opgenomen in het Amsterdam Medisch Centrum (hierna: AMC). Verdachte is bij [slachtoffer 1] in bed gekropen en heeft haar benen en vagina betast. Ook heeft hij haar hand op zijn penis gelegd. Dit alles gebeurde tegen de wil van [slachtoffer 1] .

Zaak B – feit 2

Op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte kan ook worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft aangerand door in haar borst te knijpen.

3.2

Standpunt van de verdediging

Zaak A

Verdachte heeft met betrekking tot het ten laste gelegde in zaak A verklaard dat hij geen brand heeft gesticht. Hij was aan het roken en naar alle waarschijnlijkheid is er as op de kussensloop gevallen, waardoor de brand is ontstaan. Of zijn verklaring klopt is niet te verifiëren nu er geen camerabeelden van het incident zijn. In ieder geval strookt zijn verklaring wel met de stukken in het dossier. Daarnaast dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken omdat er geen sprake is geweest van gevaarzetting voor personen en/of goederen. Verder is er geen aanwijzing dat verdachte opzet had op de brandstichting of de vernieling, temeer omdat niet voor de hand ligt dat hij zichzelf ook in gevaar had willen brengen. De brand is per ongeluk ontstaan.

Zaak B – feit 1

Verdachte heeft verklaard dat hij door [slachtoffer 1] werd uitgenodigd om naar het ziekenhuis te komen. Verdachte was zich er niet bewust van dat hij tegen de wil van [slachtoffer 1] naast haar lag en aan haar zat. In ieder geval geldt dat geen sprake is geweest van seksueel binnendringen nu verdachte niet met zijn vingers in haar vagina is geweest. Dit verklaart aangeefster overigens ook zelf. Dat maakt dat de verkrachting niet kan worden bewezen. Ook is uit de bewijsmiddelen niet vast te stellen dat sprake is geweest van geweld of enige feitelijkheid waardoor [slachtoffer 1] gedwongen zou zijn de handelingen te ondergaan. Verdachte verklaart dat hij weg is gegaan toen [slachtoffer 1] hem zei weg te gaan. Daaruit blijkt dat verdachte niet opzettelijk dwang heeft uitgeoefend. Verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 (primair tot meest subsidiair).

Zaak B – feit 2

Verdachte verklaart dat hij in de borst van [slachtoffer 2] heeft geknepen. Dit feit kan dus worden bewezen.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Vrijspraak

Zaak A

De rechtbank acht de brandstichting niet bewezen zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Zoals hierna onder 4.3.2. wordt overwogen heeft verdachte met een aansteker een kussensloop aangestoken in de afzonderingsruimte waarin hij werd geplaatst. De afzonderingsruimte was, op het beddengoed na, brandveilig. De in brand gestoken kussensloop lag op een afstand van het bed op een niet-brandbare linoleum vloer. Met het aansteken van de kussensloop was daarom geen gemeen gevaar voor goederen te duchten. Verder was verdachte de enige persoon in de afgesloten ruimte. Hierdoor was ook geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten. Er is dus niet voldaan aan het gevaarscriterium voor brandstichting.

Zaak B – feit 1 primair en subsidiair

De rechtbank acht de verkrachting zoals is tenlastegelegd onder het primaire en het subsidiaire feit niet bewezen zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Voor een bewezenverklaring van verkrachting is immers vereist dat seksueel is binnengedrongen in het lichaam. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte zijn vingers niet in haar vagina heeft gebracht. Hierdoor kan dit bestanddeel niet bewezen worden verklaard.

4.3.2

Bewijsoverwegingen

Zaak A

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 13 maart 2018 opzettelijk een kussensloop heeft vernield door deze kussensloop in brand te steken met een aansteker. Verdachte werd in de

afzonderingsruimte geplaatst en mocht een aansteker meenemen. Omstreeks 22:00 uur ging het brandalarm af en zag het personeel vlammen in de ruimte. Na onderzoek is gebleken dat de kussensloop in brand is gestoken. Omdat verdachte de enige was in de ruimte, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte degene is geweest die de brand heeft veroorzaakt.

Het verweer van verdachte, dat de brand is ontstaan door as van rookwaar, acht de rechtbank niet aannemelijk. Het is onwaarschijnlijk dat een kussensloop vlam vat enkel doordat er as op valt. Verder blijkt uit de stukken in het dossier dat verdachte niet in het bezit was van rookwaar. De aan verdachte gegeven rookwaar heeft hij voorafgaande aan de plaatsing in de afzonderingsruimte opgerookt en in de wc doorgespoeld in het bijzijn van de begeleider.

Zaak B – feit 1 meer subsidiair

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 1 maart 2016 [slachtoffer 1] heeft aangerand, terwijl [slachtoffer 1] in het ziekenhuis was opgenomen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

[slachtoffer 1] werd op 1 maart 2016 opgenomen op de Psychische Medische Unit van het AMC met uitdrogingsverschijnselen. Hier lag zij met een infuus in haar arm. [slachtoffer 1] nodigde verdachte uit om langs te komen. Bij aankomst was verdachte onder invloed van alcohol en drugs. Verdachte ging ongevraagd bij [slachtoffer 1] in bed liggen. Uit de verklaringen van zowel verdachte als van aangeefster blijkt dat verdachte vervolgens over haar benen wreef en haar op de mond kuste. Daarna stopte hij zijn vingers in haar onderbroek en betastte haar vagina. Volgens [slachtoffer 1] legde verdachte haar hand op zijn broek ter hoogte van zijn penis.

Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij in de veronderstelling was dat [slachtoffer 1] ook wilde dat hij haar betastte. De rechtbank acht dat niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] . Zij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op dat moment weliswaar in shock was, maar wel tegen verdachte heeft gezegd dat hij weg moest gaan. Volgens haar verklaring ging verdachte daarna door met zijn handelingen. Zelfs al had verdachte niet in de gaten dat [slachtoffer 1] geen goedkeuring gaf, dan had verdachte zich bewust moeten zijn van de omstandigheden waarin [slachtoffer 1] zich bevond. Zij lag lichamelijk uitgedroogd met een infuus in het ziekenhuis, waardoor zij zich niet kon onttrekken aan de handelingen. Verdachte heeft van deze situatie gebruik gemaakt.

Zaak B – feit 2

De rechtbank acht de ten laste gelegde aanranding bewezen. Gezien de bekennende verklaring van verdachte en de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw behoeft dit oordeel geen nadere motivering.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde

op 13 maart 2018 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een kussensloop, toebehorende aan Inforsa, gelegen aan de Vlaardingenlaan, heeft vernield door die kussensloop met een aansteker in brand te steken;

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde onder feit 1 meer subsidiair

op 1 maart 2016 te Amsterdam door een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte

- met zijn verdachtes, hand, over de vagina van voornoemde [slachtoffer 1] gewreven;

- met zijn, verdachtes, hand, over het been van voornoemde [slachtoffer 1] gewreven;

- voornoemde [slachtoffer 1] gekust;

- de hand van voornoemde [slachtoffer 1] op zijn, verdachtes, penis gelegd;

en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat

- verdachte gebruik heeft gemaakt van het feit dat voornoemde [slachtoffer 1] op de Psychische Medische Unit (PMU) van het AMC lag en

- verdachte gebruik heeft gemaakt van het feit dat voornoemde [slachtoffer 1] psychisch ziek en lichamelijk uitgedroogd was en

- voornoemde [slachtoffer 1] aan het infuus lag,

waarbij voornoemde handelingen plaatsvonden in een ziekenhuiskamer van het AMC en voor voornoemde [slachtoffer 1] een zodanig dreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich onvoldoende aan seksuele handelingen met verdachte durfde te onttrekken;

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde onder feit 2:

op 22 april 2016 te Amsterdam, door een feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte

- met zijn, verdachtes, hand (hard) in de borst van voornoemde [slachtoffer 2] geknepen en

- het been van voornoemde [slachtoffer 2] aangeraakt en

- in het been van voornoemde [slachtoffer 2] geprikt,

en bestaande die feitelijkheid hierin dat verdachte

- voornoemde [slachtoffer 2] onverhoeds heeft benaderd terwijl voornoemde [slachtoffer 2] met verdachte zat te praten en

- aldus voor voornoemde [slachtoffer 2] een situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan seksuele handelingen van verdachte kon onttrekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Op grond van het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC-rapport) van 21 februari 2019 acht de rechtbank verdachte strafbaar, met dien verstande dat hij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Het PBC-rapport opgemaakt door psychiater C.J. Kerssens en psycholoog P.E. Geurkink houdt onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende in:

Verdachte lijdt aan een chronisch psychotisch beeld, weliswaar wisselend van intensiteit,

maar wel continue aanwezig. Hij heeft geen ziektebesef en -inzicht, waardoor hij medicatie weigert. Hij is hierdoor altijd in een min of meer ontregelde staat. Er zijn forse oordeels- en kritiekstoornissen en overzichtsproblemen door deze ziekelijke stoornis. Hij kan intenties van anderen en situaties niet goed inschatten, neigt tot een paranoïde inkleuring van situaties. Daarnaast neigt hij door deze ontregeling tot seksuele ontremming (hyperseksualiteit). Het middelengebruik heeft hierbij een verder ontregelende invloed gehad. Zo had verdachte bij alle ten laste gelegde feiten middelen gebruikt. Ingeschat wordt dat verdachte het verband tussen drugs en ontregeling niet ziet. Hoewel we door zijn toestandsbeeld het delictscenario niet goed in kaart hebben kunnen brengen en daarmee ook de tenlasteleggingen niet uitgebreid hebben kunnen analyseren, menen onderzoekers op grond van hun onderzoek dat verdachte bij alle ten laste gelegde feiten - indien bewezen - in een toestand van psychische ontregeling is geweest met oordeel- en kritiekstoornissen.

Hiermee is naar de mening van onderzoekers te onderbouwen dat de ten laste gelegde feiten

verdachte minimaal verminderd toe te rekenen zijn.

De rechtbank houdt hiermee rekening bij het bepalen van de strafmaat- en duur.

8 Motivering van de straf en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen acht, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar, met aftrek van voorarrest. Ook vordert hij de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat gelet op de relatief geringe ernst van de feiten die bewezen kunnen worden verklaard en de zwaarte van de maatregel, de gevorderde TBS met dwangverpleging niet proportioneel is. Daarbij moet in gedachten worden gehouden dat de maatregel van TBS dient te worden beschouwd als een ultimum remedium.

8.3

Oordeel van de rechtbank

8.3.1.

Motivering van de op te leggen gevangenisstraf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

Verdachte heeft in de afzonderingsruimte van de Inforsa-kliniek een kussensloop vernield door deze met een aansteker in brand te steken. Daarnaast heeft verdachte een psychiatrische patiënt, waarmee hij bevriend was en kende uit de Inforsa-kliniek, aangerand terwijl zij op dat moment met uitdrogingsverschijnselen was opgenomen in het AMC. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan aanranding van een begeleider van de kliniek. Dit alles gebeurde terwijl hij onder invloed was van verdovende middelen. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze vrouwen. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid. Verdachte heeft zich hierbij kennelijk laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de gevoelens van aangeefsters. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] is gebleken dat zij nog dagelijks terug denkt aan de gebeurtenis en verdachte als goede vriend zag. Hij heeft haar vertrouwen beschaamd.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 april 2019 blijkt dat verdachte recent voor geweldsdelicten veroordeeld is. Het voorgaande weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. In strafverminderende zin neemt de rechtbank in aanmerking dat de bewezen verklaarde feiten verdachte verminderd toe te rekenen zijn, zoals hiervoor onder 7. is overwogen.

Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie heeft gevorderd, komt zij tot een lagere straf dan geëist. Vanwege de aard en ernst van de strafbare feiten is uitsluitend een vrijheidsbenemende straf van zes maanden op zijn plaats.

8.3.2.

Motivering van de op te leggen maatregel

De TBS-maatregel kan door de rechter worden opgelegd als is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het is aan de rechtbank om dit vast te stellen. Die vaststelling kan worden gegrond op bevindingen, conclusies en adviezen van gedragsdeskundigen die zijn vervat in door deze opgestelde rapporten.

Verdachte heeft zeer beperkt meegewerkt aan het in de onderhavige zaak gelaste onderzoek naar de persoon van verdachte door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum. Uit het PBC-rapport maakt de rechtbank het volgende op. Verdachte wordt in 2011 voor het eerst opgenomen in de GGZ, nadat hij meerdere bedreigingen heeft geuit naar een hulpverleningsteam. Hij wordt met een rechterlijke machtiging opgenomen in de Valeriuskliniek. Nadat hij vluchtpogingen heeft ondernomen wordt er dwangmedicatie ingezet. Hij wordt overgeplaatst naar een kliniek van Mentrum. Er wordt geen goed zicht op verdachte gekregen omdat hij nergens aan mee wil werken.

Eind 2011 wordt verdachte opgenomen in verband met een psychotische decompensatie en agressie naar zijn ambulante behandelaar. Met medicatie verdwijnt de achterdocht, maar zijn afwerende houding blijft. Men wil de rechterlijke machtiging verlengen, maar verdachte loopt weg en voorkomt daarmee de verlenging.

In 2013 verblijft verdachte in een Penitiair Psychiatrisch Centrum (PPC) waar hij lastig te hanteren is wegens achterdocht en bedreigingen.

In februari 2014 zou verdachte een jong meisje hebben lastig gevallen. Verdachte wordt opgenomen in de Kliniek Intensieve Behandeling (KIB) van Mentrum, waar paranoïde wanen worden gezien. Er is ook sprake van verbale agressie en seksueel manipulerend gedrag. Begin 2015 wordt hij opgenomen bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) Inforsa. De diagnose schizofrenie wordt gesteld, evenals middelenafhankelijkheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Op 28 mei 2015 wordt naar aanleiding van vier bedreigingen met de dood naar hulpverleners

een Pro Justitia rapportage over verdachte uitgebracht. De psychiater concludeert dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie van het paranoïde type, cannabisafhankelijkheid en misbruik van cocaïne. Het advies is een gemaximeerde TBS om verdachte langs die weg te kunnen behandelen. De rechtbank legt verdachte echter een maatregel op grond van artikel 37 Sr op. Op 25 augustus 2015 wordt hij in dat kader in de FPK Inforsa opgenomen.

Hij is soms ongeoorloofd afwezig, waarbij op 1 maart 2016 één van de huidige ten laste gelegde en bewezenverklaarde feiten plaatsvindt (aanranding). Verdachte wordt wederom op medicatie ingesteld en de kliniek geeft aan dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie van het paranoïde type. Op 22 april 2016 wordt verdachte aanhouden wegens aanranding van een medewerkster, wat ook onderdeel is van het huidige ten laste gelegde en bewezenverklaarde. Vanwege de aanranding van 22 april 2016 en zijn gespannen houding wordt verdachte overgeplaatst naar FPK de Kijvelanden. Over de behandeling die verdachte daar krijgt is weinig bekend. Eind augustus 2016 gaat verdachte terug naar Mentrum. Seksueel grensoverschrijdend gedrag staat op de voorgrond. Verdachte loopt een aantal keren weg uit de kliniek en komt vaak onder invloed van cannabis en cocaïne weer terug.

Op 12 juni 2017 wordt verdachte opnieuw opgenomen in Mentrum, om te stabiliseren

en te starten met medicatie. Hij onttrekt zich wederom aan de behandeling. Na heropname

en de inzet van psychofarmaca verbetert zijn psychische conditie en raken paranoïde wanen

en achterdocht naar de achtergrond. Op 7 december 2017 wordt verdachte opgenomen in de KIB van Mentrum. Hij is voor enige tijd psychosevrij en abstinent van middelen. Verdachte krijgt meer vrijheden. Op 9 maart 2018 keert verdachte niet terug van verlof. Hij drinkt alcohol en gebruikt cannabis. In de nacht van 12 op 13 maart 2018 meldt verdachte zich weer bij de kliniek. Er is geen kamer meer vrij voor hem en hij wordt daarom in de afzonderingsruimte geplaatst, waar hij op 13 maart 2018 een kussensloop in brand steekt. Dit feit is ten laste gelegd en bewezenverklaard.

Psychiater C.J. Kerssens en psycholoog P.E. Geurkink concluderen dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie met daarnaast een stoornis in het gebruik van middelen, in de vorm van alcohol, cocaïne en XTC. Bij verdachte zien rapporteurs meerdere risicofactoren voor geweldsdelicten en schatten de kans op herhaling hoog in, terwijl er nauwelijks tot geen beschermende factoren zijn.

De inschatting is dat de behandeling van verdachte een proces is van enkele jaren waarbij de duur van een jaar zeker als ontoereikend wordt gezien, wat ook al eerder is gebleken. Er zijn al meerdere dwangmiddelen toegepast zonder voldoende resultaat. Verdachte kreeg eerder een artikel 37 Sr opgelegd, terwijl een gemaximeerde TBS was geadviseerd. Ook een behandeling en begeleiding in het kader van de Top600 is mislukt. Huidige tenlasteleggingen vonden plaats tijdens een rechterlijke machtiging in een psychiatrische kliniek, wat aangeeft dat gekozen dient te worden voor een sterke structuur met een hoog beveiligingsniveau en een langere behandelduur van meerdere jaren. Een behandeling in een voorwaardelijk juridisch kader is gedoemd te mislukken door zijn ontbrekend ziektebesef, gebrek aan inzicht, gebrek aan motivatie, gebrek aan responsiviteit op behandeling (zelfs in een psychiatrische kliniek) en zijn ernstige verslaving.

De rapporteurs adviseren verdachte te behandelen in het kader van een TBS met bevel tot verpleging van overheidswege, waarvan rapporteurs van mening zijn dat dit de enige haalbare optie is om het recidivegevaar op de langere termijn te verminderen en verdachte de beste kansen biedt op herstel.

Conclusie

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het PBC-rapport vast dat bij verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste van hem bewezen geachte feiten, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een TBS met dwangverpleging aangewezen is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Niet alleen is gebleken dat bij de verdachte sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of ziekelijke stoornis, maar ook dat sprake is van een aanzienlijk recidivegevaar, gelet op de behandelgeschiedenis van verdachte en conclusies in het PBC-rapport. Eerdere ingrepen hebben niet geholpen. De feiten zijn ernstig van aard en leveren een gevaar voor anderen op.

Gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn

begaan, de inhoud van het PBC-rapport en de problematiek van verdachte, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte nu onmiskenbaar een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen, en dat behandeling noodzakelijk en vereist is om herhaling van een geweldsdelict te voorkomen. Om het gevaar voor recidive te kunnen beteugelen, om de problematiek van verdachte zoveel mogelijk te beperken en ter optimale bescherming van de maatschappij, is de rechtbank van oordeel dat alleen kan worden volstaan met de maatregel van TBS met dwangverpleging.

De bewezen verklaarde feiten in zaak B (feit 1 meer subsidiair en feit 2) betreffen misdrijven als genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 1, Sr (misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld). Aan de wettelijke voorwaarden voor het kunnen opleggen van TBS is dan ook voldaan. Voor deze feiten wordt de maatregel opgelegd.

Verdachte zit in voorlopige hechtenis op grond van een bevel in het kader van zaak A. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf en het feit dat de bewezenverklaarde vernieling geen feit is waarvoor TBS kan worden opgelegd, heft de rechtbank op grond van artikel 67a, derde lid Sv het lopende bevel voorlopige hechtenis op. Dit leidt echter niet tot vrijlating van verdachte omdat de rechtbank de gevangenneming beveelt in het kader van zaak B. De rechtbank acht de voorlopige hechtenis noodzakelijk in verband met het recidivegevaar en toepassing van artikel 67a, derde lid Sv is aangaande de feiten van zaak B niet aan de orde gelet op de oplegging van TBS voor deze feiten.

9 Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 3.000,- immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij te hoog is. Een bedrag van € 1.200,- is passend en geboden, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw verzoekt de vordering van de benadeelde partij ernstig te matigen tot een bedrag dat lager ligt dan € 1.000,- gebaseerd op de door haar aangehaalde jurisprudentie.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] ontvankelijk is in haar vordering. De immateriële schade vloeit rechtstreeks voort uit het in zaak B onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, matigt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 maart 2016. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De rechtbank zal de gevorderde schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 600,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 maart 2016. De rechtbank houdt bij het bepalen van de vervangende hechtenis rekening met de draagkracht van verdachte en beperkt de hechtenis bij niet voldoen aan de betalingsverplichting tot 1 dag. Die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 246 en 350 Sr.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak B onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, het in zaak B onder 1 meer subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde:

vernieling;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 meer subsidiair en het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 600,- (zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 maart 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 600,- (zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 maart 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) dag, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, als en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Beveelt de gevangenneming, welke afzonderlijk geminuteerd is.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.M. Degenaar voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Onnink, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 21 mei 2019.

[...]