Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3846

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
31-05-2019
Zaaknummer
13/669021-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man krijg een gevangenisstraf van een jaar (waarvan 3 maanden voorwaardelijk) voor zogeheten ladingdiefstallen die hij samen met een andere man pleegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669021-19

Datum uitspraak: 28 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , verblijvende op het adres [verblijfadres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in [naam PI] te [plaats ] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 mei 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.A. Groenendijk, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat verdachte telkens dient te worden vrijgesproken voor de gekwalificeerde bestanddelen valse sleutel en/of vals kostuum.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsvrouw kunnen de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten worden bewezen, omdat verdachte deze feiten heeft bekend. Hij dient echter te worden vrijgesproken van het medeplegen voor die feiten, omdat het dossier daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat.

Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de feiten 1 en 3 dient te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft hiertoe, kort gezegd, aangevoerd dat de herkenningen van verdachte onvoldoende specifiek zijn om de aangiftes te kunnen ondersteunen. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de feiten niet door middel van schakelbewijs kunnen worden bewezen, omdat geen sprake is van een modus operandi. Volgens de raadsvrouw is er evenmin sprake van medeplegen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.2

Feiten en omstandigheden

Uit de wettige bewijsmiddelen welke zijn opgenomen in de bijlage bij dit vonnis, blijken naar het oordeel van de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van feit 1

Op 5 december 2018 doet aangever [naam aangever 1] namens Ritel B.V. aangifte van diefstal van 29 mobiele telefoons uit een vrachtwagen van Zuidwest Logistiek B.V. op de Houtmarkt in Breda. De mobiele telefoons zaten in een rolcontainer, die uit de vrachtwagen is weggenomen. De diefstal moet tussen 10:15 uur en 10:30 uur hebben plaatsgevonden. De totale waarde van de weggenomen goederen, inclusief rolcontainer, bedraagt € 18.264,51.

Uit camerabeelden op en rondom de Houtmarkt in Breda blijkt dat om 10:12 uur een vrachtwagen met daarop de tekst Zuidwest Logistiek B.V. de laad- en losplaats de Houtmarkt oprijdt. Net daarna komt een witte bestelbus Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] uit de richting van de Houtmarkt rijden. De Citroën Berlingo draait 180 graden waardoor deze weer in de richting van de Houtmarkt staat. De bestuurder stapt uit en loopt in de richting van de Houtmarkt. Deze man wordt omschreven als blank, tussen de 40-50 jaar oud met een licht gezet postuur. De man draagt een bril, een donkere pet en jas. De bijrijder stapt ook uit en loopt in de richting van de Karnemelkstraat. De bijrijder wordt omschreven als een man met een blanke huidskleur, tussen 25-35 jaar oud en draagt een grijs vest en een donkere broek.

Om 10:27 uur komt de bestuurder vanuit de richting van de Houtmarkt teruglopen, hij stapt in de Citroën Berlingo en rijdt in de richting van de Houtmarkt. Om 10:28 uur loopt de bijrijder op het voetgangerspad van de Houtmarkt. Deze man beweegt een rolcontainer met zich. De man loopt de Halstraat in. De Citroën Berlingo rijdt ook de Halstraat in. Om 10:32 uur stalt de bijrijder de rolcontainer in de Halstraat en hij stapt in de Citroën Berlingo. Om 10:36 uur rijdt de Citroën Berlingo de Sint Janstraat in en komt daar tot stilstand. Om 10:39 uur lopen beide mannen richting de rolcontainer op de Halstraat. Met de rolcontainer lopen zij richting de Sint Janstraat. Om 10:41 uur lopen de twee mannen met de rolcontainer in de Sint Jansstraat. Zij zetten de rolcontainer weg nabij een pand dat in de steigers staat. Om 10:52 uur komt de bestuurder in beeld met een oranjekleurig zeil. De bestuurder en de bijrijder leggen het zeil vervolgens samen over de rolcontainer. De rolcontainer staat tot 12:20 uur in de Sint Jansstraat. Wanneer de camera om 13:50 uur terugdraait, is de rolcontainer weg.

De rolcontainer waarmee de verdachten op de beelden te zien zijn, wordt door de contactpersoon van Ritel B.V. herkend als de weggenomen rolcontainer.

De persoon met het grijze vest, de bijrijder, wordt door vier verbalisanten herkend als verdachte. Zij herkennen hem aan zijn uiterlijke gezichtskenmerken en zijn manier van lopen. De bestuurder wordt door één verbalisant herkend als de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] .

De Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] staat sinds 19 maart 2018 op naam van de medeverdachte [medeverdachte] .

Ten aanzien van feit 2

Op 12 december 2018 wordt er geobserveerd aan de [adres 1] te [plaats ] , het adres van medeverdachte [medeverdachte] . Om 9:05 uur komt een man in donkere kleding uit dit huis en stapt aan de bijrijderskant in een witte Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] . De man wordt herkend als medeverdachte [medeverdachte] . De bestuurder van de Citroën Berlingo wordt herkend als verdachte. De bestelbus rijdt direct naar Rotterdam. Om 9:54 uur wordt de Citroën Berlingo geparkeerd op het Rodezand in Rotterdam. [verdachte] stapt uit, pakt een steekkarretje uit de achterzijde van de Citroën Berlingo en loopt naar een witte vrachtauto met kenteken [kenteken] . De laadklep van die vrachtwagen wordt geopend. Wanneer de laadklep is geopend stapt [verdachte] in de vrachtwagen en bekijkt de lading. Verdachte loopt op dat moment langs de vrachtauto en bekijkt de omgeving aandachtig. Vervolgens staat [verdachte] weer naast de auto en de laadklep gaat dicht. [verdachte] loopt met de steekkar terug naar de Citroën Berlingo. Ook verdachte komt terug naar de Citroën Berlingo en samen rijden ze weg.

Verdachte heeft bekend dat hij in de vrachtwagen is geklommen met de intentie daaruit een goed weg te nemen.

Op 5 februari 2019 is de Citroën Berlingo doorzocht. Hierbij is onder meer een steekkar in beslag genomen.

Ten aanzien van feit 3

Aangever [naam aangever 2] doet namens United Parcel Service Nederland B.V. aangifte van diefstal van een pakket van afzender Swatch group export uit een bestelauto op 17 december 2018. Getuige [naam getuige 1] heeft gezien dat een jongen met een grijs vest en een petje naar de UPS auto liep en via de zijdeur de laadruimte inliep en vervolgens met een doos onder zijn arm de laadruimte uitkwam. De jongen liep naar een witte Citroën Berlingo. Getuige [naam getuige 2] heeft gezien dat één van de jongens het UPS voertuig uitliep met een doos. Deze jongen liep naar een witte Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] en hij stapte in aan de bijrijderszijde. De bestuurder die in het voertuig blijft zitten is een oudere man met kort haar en hij draagt een brilletje. [naam getuige 2] kent het duo, omdat hij hen iedere dag ziet en zij pakketjes stelen.

Het voertuig met kenteken [kenteken] is op diezelfde dag door middel van camera’s gevolgd in Amsterdam. Om 9:52 uur rijdt het voertuig in de richting van de P.C. Hooftstraat. Om 10:21 uur rijdt het voertuig door de ANPR te Hoofddorp en om 10:35 uur krijgen verbalisanten de auto ter hoogte van Leiderdorp in beeld, zij hebben de auto een stopteken gegeven. De bestuurder van het voertuig blijkt te zijn [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] te ’s- [geboorteplaats] . De bijrijder blijkt verdachte te zijn. In de bestelbus wordt een doos met daarin twintig Swatch horloges aangetroffen.

Ten aanzien van feit 4

Aangever [naam aangever 3] heeft namens Logistiekcentrum Stad Alkmaar B.V. aangifte gedaan van diefstal van twee Dyson stofzuigers uit een vrachtauto met kenteken [kenteken] op 3 januari 2019. De weggenomen stofzuigers hebben een waarde van € 858,00.

Op 3 januari 2019 wordt de witte Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] geobserveerd. De personen in de auto worden herkend als [medeverdachte] (bestuurder) en verdachte (bijrijder). Om 9:44 uur stopt het voertuig op het Koningsplein in Amsterdam. De twee mannen stappen uit en lopen in de richting van vrachtwagen en bestelbusjes. Kort hierna loopt verdachte bij een vrachtwagen met kenteken [kenteken] weg met twee kartonnen dozen in zijn handen.

Verdachte heeft bekend dat hij de stofzuigers heeft weggenomen uit de vrachtwagen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde:

Schakelbewijs

De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van voornoemde feiten door de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de verschillende feiten als zogenoemd schakelbewijs te gebruiken. Volgens de doctrine en de jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakel-, ketting- of ketenbewijs) toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.

De rechtbank vindt het schakelbewijs in de eerste plaats in de werkwijze die verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] telkens heeft gehanteerd (modus operandi). Deze is terug te vinden in de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden en komt op de volgende essentiële punten in voorkomende gevallen overeen:

- Verdachte rijdt steeds samen met [medeverdachte] in de witte Citroën Berlingo met kenteken [kenteken] , die op naam staat van [medeverdachte] , vanuit Den Haag/Rijswijk naar het centrum van een andere stad. [medeverdachte] is altijd de bestuurder, verdachte is telkens de bijrijder;

- Verdachte en [medeverdachte] rijden rond op zoek naar onbemande vrachtwagens of bestelbusjes;

- Verdachte betreed telkens de laadruimte van een vrachtwagen/bestelbus, pakt daar lading uit en verlaat de laadruimte. In de tussentijd houdt [medeverdachte] de omgeving in de gaten.

Daarnaast wijst de rechtbank op het korte tijdsbestek waarin de diefstallen hebben plaatsgevonden, te weten binnen een periode van ongeveer twee maanden.

Verdachte heeft het plegen van de feiten 2 en 4 bekend. Nu zowel ten aanzien van deze feiten als ten aanzien van de feiten die verdachte heeft ontkend (feiten 1 en 3), dezelfde modus operandi is gebruikt zoals hierboven is geschetst, acht de rechtbank ook deze feiten bewezen. Daar komt ten aanzien van feit 3 nog het volgende bij. Zoals hiervoor al overwogen, is uit het dossier gebleken dat [medeverdachte] en verdachte kort na de diefstal zijn aangetroffen in het betrokken voertuig met daarin de weggenomen doos. Verdachte heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat indien een gestolen goed binnen korte tijd na een diefstal wordt aangetroffen bij een verdachte, ervan uit mag worden gegaan dat deze verdachte dat goed heeft weggenomen, tenzij hij een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van het gestolen goed. Dit heeft verdachte niet gedaan. Verdachte en de medeverdachte verklaren wel dat er niemand anders bij hen is ingestapt en dat niemand anders een doos in de auto heeft gezet.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de diefstallen met behulp van een vals kostuum of een valse sleutel zijn begaan.

Herkenningen verdachte

Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank de herkenningen van verdachte door de verbalisanten voldoende betrouwbaar. Uit de processen-verbaal van bevindingen in de zaken 1 en 2 volgt dat de verbalisanten verdachte op de camerabeelden herkenden, omdat zij allen eerder met hem in contact zijn geweest. De verbalisanten herkennen verdachte uit deze eerdere contacten en niet van, zoals door de raadsvrouw aangevoerd, vergelijkingen met andere foto’s. Tevens volgt uit het processen-verbaal dat de verbalisanten verdachte herkennen aan zijn uiterlijke kenmerken. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om de waarneming van de verbalisanten in twijfel te trekken, zullen ook deze herkenningen voor het bewijs worden gebruikt.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat sprake is van medeplegen indien is komen vast te staan dat bij het begaan van strafbare feiten sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de ten

laste gelegde feiten het volgende af.

Verdachte is steeds samen met [medeverdachte] , in het voertuig op naam van [medeverdachte] , van Den Haag of Rijswijk naar een andere stad gereden. In dit voertuig worden tevens gestolen goederen en een steekkar aangetroffen. Bovendien is het verdachte die telkens in een vrachtwagen klimt en daar goederen wegneemt. Daarbij heeft [medeverdachte] zowel ten tijde van de diefstallen als daarna een belangrijke rol. Na de wegnemingshandeling van feit 1 bestaat deze rol uit het samen met [verdachte] afdekken van de weggenomen rolcontainer met een zeil dat door [medeverdachte] lijkt te worden verzorgd. Ten aanzien van de feiten 2 en 4 blijkt dat [medeverdachte] de omgeving in de gaten houdt terwijl verdachte een laadruimte van een vrachtwagen betreedt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van de wegnemingshandeling, is er evident sprake van een zeer bewuste en nauwe samenwerking tussen beide verdachten en is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde steeds van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het onder de feiten 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Kennelijke vergissing

In zaak 4 heeft de rechtbank geconstateerd dat in het proces-verbaal van bevindingen van 15 januari en in het ongetekende proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2019 wordt geverbaliseerd omtrent gedragingen op 4 januari 2019, terwijl de aangifte van 15 januari 2019 en in de getuigenverklaring van [naam getuige 3] 3 januari wordt genoemd. Nu in deze stukken omtrent dezelfde gebeurtenissen wordt geverbaliseerd gaat de rechtbank er van uit dat er sprake is van kennelijke vergissing. De verdachte wordt hiermee niet in zijn verdediging geschaad, omdat door de omschrijving van de handelingen duidelijk is waar het over ging.

4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op 5 december 2018 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een vrachtwagen (kenteken: [kenteken] ) heeft weggenomen 29 telefoons van onder andere het merk Apple en/of Samsung, toebehorende aan Ritel B.V.;

ten aanzien van feit 2

op 12 december 2018 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen uit een vrachtwagen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader, waarbij

verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming, immers is verdachte in de laadruimte van die vrachtwagen geklommen op zoek naar geld en/of goederen van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 3

op 17 december 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bestelbus heeft weggenomen 20 horloges, toebehorende aan het Rijksmuseum te Amsterdam en/of UPS;

ten aanzien feit 4

op 3 januari 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een vrachtwagen met kenteken: [kenteken] heeft weggenomen 2 Dyson stofzuigers toebehorende aan Logistiekcentrum Stad Alkmaar B.V. en/of de Bijenkorf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de voorlopige hechtenis, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals verwoord in het reclasseringsrapport van 13 mei 2019.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde gevangenisstraf disproportioneel is. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat aansluiting moet worden gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten voor winkeldiefstallen, omdat de gestolen goederen naar hun aard bezien winkelgoederen zijn. Daarbij dient een groter gedeelte van de straf voorwaardelijk te worden opgelegd met daaraan verbonden de door de Reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden , zodat verdachte een laatste kans wordt geboden zijn leven te beteren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan meerdere ladingdiefstallen. Verdachte heeft gehandeld ten behoeve van zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij enkel met dit oogmerk heeft gehandeld en zich kennelijk geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen voor de benadeelde winkeliers en leveranciers. Het is uitermate brutaal om in een winkelgebied waar leveranciers winkels bevoorraden goederen weg te nemen uit een bus of vrachtwagen.

De rechtbank vindt het kwalijk dat verdachte zelfs na zijn aanhouding op 17 december 2018, zijn criminele praktijken heeft voortgezet. Dit getuigt van een zeer criminele inslag. Het feit dat verdachte ter terechtzitting twee feiten heeft bekend doet daar niet aan af.

Blijkens het Uittreksel Justitiële documentatie van 14 april 2019 is verdachte vaker veroordeeld voor vermogensdelicten. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 13 mei 2019. De reclassering schat de kans op recidive hoog in. De reclassering adviseert in het rapport om de verdachte nog een kans te geven en geen ISD maatregel op te leggen maar de volgende bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijke straf te koppelen:

- een meldplicht bij Reclassering Nederland;

- een ambulante behandelverplichting en

- meewerken aan het vinden van dagbesteding en een regulier inkomen.

Verdachte heeft verklaard mee te willen werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank neemt het advies over en ziet in de jonge leeftijd van verdachte aanleiding een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden de door de reclassering in haar advies geadviseerde bijzondere voorwaarden en geeft verdachte hiermee een kans de hem aangeboden hulp te benutten en nog een positieve draai aan zijn leven te geven.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

1. zich meldt bij Reclassering Nederland. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. meewerkt aan een traject van intake en behandeling bij De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. meewerkt aan het vinden van een dagbesteding en een regulier inkomen. Veroordeelde wordt daartoe door Reclassering Nederland bij de gemeente Den Haag aangemeld.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Degenaar, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 mei 2019.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.