Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3809

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
13/751895-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB Polen. Tussenuitspraak i.v.m. afwachten van antwoorden inzake de Poolse rechtsstaat.r

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751895-16 (EAB III)

RK-nummer: 16/6147

Datum uitspraak: 23 mei 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 augustus 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 september 2015 door the Regional Court in Olsztyn, Criminal Matters Division 2 (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvende op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

Zitting van 25 oktober 2016

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 oktober 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn toenmalige raadsvrouw, mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Zitting van 19 april 2018

De behandeling is voortgezet op de zitting van 19 april 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De behandeling van de zaak is voor onbepaalde tijd aangehouden.

Zitting van 19 maart 2019

De behandeling van de vordering is voortgezet op de zitting van 19 maart 2019. Gelet op een op voorhand door de raadsman van de opgeëiste persoon ingediend aanhoudingsverzoek heeft de rechtbank toegestaan dat de opgeëiste persoon niet ter zitting aanwezig was. Zijn raadsman, mr. R. Malewicz, was wel aanwezig, evenals de officier van justitie, mr. K. van der Schaft.

Aan de orde is onder meer gekomen dat de rechtbank in een andere overleveringszaak bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) een aantal vragen heeft geformuleerd over - zakelijk weergegeven - de waarborg van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

Het Openbaar Ministerie heeft deze vragen ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd, namelijk bij brief van 12 november 2018. De vragen zijn bij brief van 22 november 2018 beantwoord door the Circuit Court in Olsztyn, Second Criminal Division. Op de zitting van 19 maart 2019 is de behandeling van de vordering aangehouden tot de zitting van 9 mei 2019, onder meer omdat de vragen niet waren beantwoord voor de hoger beroepsinstantie.

Zitting van 9 mei 2019

De behandeling van de vordering is vervolgens voortgezet op de openbare zitting van 9 mei 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R. Malewicz, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:

- een decision of the District Court in Olsztyn of 13 August 2014, case file reference VII Kp 630/14, on the application of a preventive measure in the form of provisional detention for a period of 14 days from the date of arrest;

- een decision of the Prosecutor of the Regional Prosecutor’s Office in Olsztyn of 8 April 2015, case file reference V Ds. 30/14, on the search by means of a wanted notice.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

4.1

Inleiding

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (hierna: het arrest).

De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:

“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88 (Rechtbank: HvJ 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198) gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.

Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?

2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”.

In vervolg daarop heeft de rechtbank bij de hiervoor onder ‘Procesgang’ genoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018 vastgesteld

- dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;

- dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;

- dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;

- dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.

Deze vragen zijn ook in de onderhavige zaak op 12 november 2018 ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. Tot op heden is er, ook na meermalen herhaald rappel van het Openbaar Ministerie, geen antwoord op deze vragen gekomen, ten aanzien van de hoger beroepsinstantie.

4.2

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling opnieuw aan te houden omdat nog niet alle antwoorden zijn ontvangen. Hij heeft de antwoorden nodig voordat hij een standpunt kan innemen over de derde vraag in het beslisschema van het HvJ.

4.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzet zich niet tegen aanhouding.

4.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat getracht wordt de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit verder te voeren.

De rechtbank beschikt op dit moment niet over informatie van de instantie die eventueel in hoger beroep over de strafzaak van de opgeëiste persoon zal oordelen. Zodoende beschikt de rechtbank, in het licht van het geformuleerde toetsingskader (LM, C-216/18 PPU) over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

De rechtbank hecht nog steeds waarde aan de beantwoording van de vragen door deze gerechtelijke instantie, ook in verband met de inhoud van de al bij haar hiervoor genoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018 genoemde rapportages en voorstellen, alsmede de volgende, recente, rapportages betreffende de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Polen:

Association of Judges "Themis": Judges under special supervision, that is "the great reform" of the Polish justice system, 5 maart 2019;

KOS (The Justice Defence Committee): A country that punishes. Pressure and repression of Polish judges and prosecutors, Warsaw 2019.

In deze publicaties is onder meer vermeld dat er verschillende disciplinaire en strafrechtelijke procedures jegens rechters in Polen in gang zijn gezet/hebben plaatsgevonden, naar aanleiding van zaken die de desbetreffende rechters hebben behandeld.

Deze gegevens bevestigen en versterken de zorgen die er heersen over de gevolgen van de wetswijzigingen voor de Poolse rechtsstaat en daaruit voorvloeiend het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon.

De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom de eerder gestelde vragen alsnog te beantwoorden en eventueel door te geleiden naar een instantie ter beantwoording, teneinde de rechtbank in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de vragen 2 en 3 van het hiervoor weergegeven toetsingskader van het HvJ.

De rechtbank merkt hierbij op dat in soortgelijke zaken, waarbij de opgeëiste persoon zich in Nederland bevond en de strafzaak zich nog in de vervolgingsfase bevond, de Poolse uitvaardigende autoriteiten wel antwoord hebben gegeven op de eerder gestelde vragen. De rechtbank benadrukt dat deze vragen zowel ter zake van de bevoegde rechtbank in eerste aanleg als van de bevoegde instantie in hoger beroep dienen te worden beantwoord.

De rechtbank wijst in dit verband ook op punt 97 van het arrest van het HvJ van 5 april 2016 (Aranyosi en Caldararu, C-404/15 en C-659/15 PPU, EU:C:2016:198). Hieruit volgt het verplichtend karakter van deze dialoog in het kader van artikel 15, tweede, lid 2 van het kaderbesluit.

Daarbij merkt de rechtbank ten aanzien van de vragen B1, B2, D1, D2 en E het volgende op.

Ten aanzien van de vragen B1, B2, D1 en D2 is de rechtbank van oordeel dat zij naar aanleiding van de gelijkluidende antwoorden die zij van meerdere uitvaardigende justitiële autoriteiten in andere vergelijkbare Poolse overleveringszaken heeft ontvangen, voldoende is voorgelicht. Om die reden wenst de rechtbank enkel nog te vernemen of er recentelijk wijzigingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de toewijzing en behandeling van zaken en ten aanzien van de procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht.

Ten aanzien van vraag E is de rechtbank intussen ambtshalve op de hoogte geraakt van het feit dat op 15 februari 2019 drie 'buitengewoon beroep'-procedures aanhangig zijn gemaakt, waarop het Hooggerechtshof – voor zover bekend - nog niet heeft beslist. Om die reden wenst de rechtbank ten aanzien van vraag E door de hoger beroepsinstantie te worden geïnformeerd of er zich recentelijk, sinds 15 februari 2019, nog nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan.

Ten slotte herhaalt de rechtbank haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

4.5

Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, zodat deze kunnen worden doorgeleid naar de hoger beroepsinstantie om te worden beantwoord:

A. Wijzigingen personele bezetting

1. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (vice)voorzitters en rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?

2. Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?

3. Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd?

4. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht assistent-rechters benoemd en zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijk college?

B. Toewijzing en behandeling van zaken

De rechtbank wenst te vernemen of er recentelijk wijzigingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de toewijzing en behandeling van zaken.

C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen

1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?

2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?

3 Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van 'written remarks' door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?

D. Procedures ter bescherming van bet recht op een onafhankelijk gerecht

De rechtbank wenst te vernemen of er recentelijk wijzigingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht.

E. Buitengewoon beroep

Hebben er zich sinds 15 februari 2019, toen drie 'buitengewoon beroep'-procedures aanhangig zijn gemaakt waarop het Hooggerechtshof nog niet had beslist, nog nieuwe ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de procedure van 'buitengewoon beroep' bij het Hooggerechtshof?

Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst?

Eindvraag:

Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle gegevens die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.

5 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4.5 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;

BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.


Aldus gedaan door

mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 mei 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.