Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3795

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
13/680128-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Minderjarige veroordeeld tot jeugddetentie van 147 dagen, 100 uur taakstraf en een voorwaardelijke PIJ maatregel onder mee wegens een gewelddadige gewapende overval op café [naam café], waarbij een aanwezige zwaar, blijvend, letsel heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0867
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/680128-18 (A) 13/140633-18 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 23 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] en aldaar verblijvende.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 mei 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.Y. de Boer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.M.J. van Nieuwenhuizen naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [medewerker RvK] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad), de heer [medewerker JBRA] namens Jeugdbescherming Amsterdam, gevestigd te Amsterdam (hierna: Jeugdbescherming) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat door de benadeelde partij de heer [benadeelde partij 1] en zijn raadsvrouw mr. C.M. Sent naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Zaak A

1.

hij op of omstreeks 5 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1] van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal of meermalen (met kracht) met een hard en/of zwaar voorwerp, op het hoofd en/of het gezicht en/of op het/de (o)og(en), in elk geval op het lichaam van voornoemde [benadeelde partij 1] heeft geslagen, welke vooromschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweldpleging in vereniging, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

hij op of omstreeks 5 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 600 euro, in elk geval enig goed en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere

deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- ( op korte afstand) een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp bij de hals en/of de nek, in elk geval bij het lichaam van voornoemde [aangever 1] heeft/hebben gehouden en/of voornoemd voorwerp op voornoemde [aangever 1] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of aan voornoemde [aangever 1] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden en/of (daarbij) (eenmaal of meermalen) tegen voornoemde [aangever 1] heeft/hebben gezegd: "geld nu, geld, geld, nu, geld", in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( op korte afstand) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, op voornoemde [benadeelde partij 1] is/zijn afgekomen en/of (vervolgens) voornoemde [benadeelde partij 1] meermalen (met kracht) met een hard en/of zwaar voorwerp tegen zijn hoofd en/of gezicht en/of o(o)g(en) en/of arm, in elk geval tegen zijn lichaam heeft/hebben geslagen en/of (daarbij) heeft/hebben gezegd: "ik wil geld", in elk geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking (ten gevolge waarvan voornoemde [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen/opgelopen, te weten een ruptuur van het linker oog

en/of een schedelbasisfractuur en/of meerdere aangezichts- en oogfracturen van het rechteroog en/of meerdere huidwonden rondom oog en rechteroor en/of in- en uitwendig bloedverlies);

3.

hij op of omstreeks 12 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de Keizersbrug, in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas en/of een laptop (merk Apple) en/of een (regen)jas, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (met kracht) die tas (inhoudende die laptop en/of regenjas) uit de hand(en) van voornoemde [benadeelde partij 3] heeft/hebben getrokken en/of gerukt;

Zaak B

hij op of omstreeks 17 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere kledingstukken, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen kleding onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.
(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

3 Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

Zaak A feit 1 en feit 2

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich - conform zijn op schrift gesteld requisitoir - op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De officier van justitie houdt verdachte medeverantwoordelijk voor het letsel dat aangever heeft opgelopen. De overval werd door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in een nauwe onderlinge samenwerking gepleegd. Beide verdachten hadden een wapen mee en zij hebben zich ieder op een andere persoon in het café gericht. Het is onaannemelijk dat zij dit niet met elkaar hebben afgestemd. Verdachte heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door de medeverdachte meegenomen hamer ook door de medeverdachte gebruikt zou worden als de medeverdachte daartoe aanleiding zou zien, hetgeen ook is gebeurd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen van de feiten 1 en 2. Het enkel meenemen van een mes door verdachte en een hamer door de medeverdachte brengt niet mee dat verdachte verantwoordelijk is voor het toebrengen van het letsel aan [benadeelde partij 1] door de medeverdachte. Nergens uit blijkt dat de hamer is meegenomen om te gebruiken als wapen. Als het er al voor zou kunnen worden gehouden dat verdachte de overvaller NN1 met het mes is geweest, dan kan geen (voorwaardelijk) opzet op de dood worden aangenomen. Er was geen zodanige nauwe samenwerking dat sprake was van medeplegen van een poging tot doodslag.

Aangever [aangever 1] , zelf 1.90 meter lang, verklaart dat de dader die met het mes op hem afkwam, langer was dan hijzelf. Hij schat de dader tussen de 1.92 en 1.95 meter. Verdachte is 1.86 meter lang en daarom is het onmogelijk dat verdachte een van de daders is geweest. Bovendien zijn er geen telefoongegevens van verdachte die duiden op de aanwezigheid van verdachte in het café. Er was weliswaar enige wetenschap bij verdachte, maar medeplichtigheid is niet ten laste gelegd. [medeverdachte 2] is aangehouden wegens betrokkenheid bij dit feit en de stukken in het dossier - waaronder telefoongegevens - duiden ook op die betrokkenheid, aldus de raadsvrouw. Er is - ondanks verzoek van de raadsvrouw aan de officier van justitie - geen informatie in het dossier over de lengte van [medeverdachte 2] bekend gemaakt, terwijl wel naar voren komt dat [medeverdachte 2] dermate lang is dat hij in het profiel van dader NN1 kan passen. Er is zodanig veel twijfel over de betrokkenheid van verdachte, dat dit tot vrijspraak dient te leiden, aldus de raadsvrouw.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1 Ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, wordt telkens slechts gebezigd voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

4.3.2.

Op 5 augustus 2018 rond 01.30 uur komen twee jongens [bedrijf 1] , gelegen aan de [adres 2] in Amsterdam, binnen. Beide jongens hebben een donkere huidskleur en een van de jongens, NN1, is langer dan de andere jongen, NN2. Ze roepen om geld en NN1 loopt gelijk met een groot mes op aangever [aangever 1] af, die achter de bar aan het werk is. NN1 houdt daarbij het mes dicht in de buurt van de nek van [aangever 1] . Onder dreiging van het mes en van geschreeuw maakt [aangever 1] de kassalade open, waarop NN1 de kassa begint leeg te graaien.23Aangever [benadeelde partij 1] verklaart dat hij denkt dat de daders iets zwarts voor hun gezicht hadden. NN2 is bij binnenkomst naar de andere kant van de bar gerend. Aangever [benadeelde partij 1] probeert met een barkruk zichzelf en de anderen te beschermen tegen NN2, maar glijdt uit en valt op de grond. NN2 slaat vervolgens met een tas met zware voorwerpen erin - [benadeelde partij 1] omschrijft dit als het “leek op stenen” - tussen de tien en twintig keer tegen het hoofd, gezicht en arm van [benadeelde partij 1] . Beide jongens rennen vervolgens naar buiten, stappen op een scooter en rijden weg met het geld uit de kassa.4 Later blijkt dat een bedrag van € 604,63 is weggenomen.5 [benadeelde partij 1] heeft door de klappen met het voorwerp het zicht aan zijn linkeroog blijvend verloren en een schedelfractuur en meerdere facturen in zijn gezicht opgelopen. [benadeelde partij 1] verklaart later dat hij niet zeker weet of hij met een (verzwaarde) tas is geslagen, vanwege de ronde vorm van het letsel aan zijn oog.

In de medische verklaring van de oogarts [arts] , verbonden aan de VUMC oogheelkunde, van 8 augustus 2018 wordt het letsel van de heer [benadeelde partij 1] beschreven.6

Bij het maken van de politiefoto’s wordt opgemerkt dat verdachte langer is dan de medeverdachte. Gezien de opgegeven signalementen komt verdachte overeen met NN1.7

De rechtbank is ter terechtzitting gebleken dat het oog niet behouden kon blijven en is vervangen door een kunstoog.

4.3.3.

In de ochtend, na de overval, heeft de bewoonster van de [adres 1] in Amsterdam (op twee kilometer afstand van [bedrijf 1] ) contact opgenomen met de politie. Zij verklaart bij de politie, die direct ter plaatse is gekomen, dat zij omstreeks 02.00 uur die nacht van 5 augustus 2018, drie mannenstemmen voor haar raam hoorde en dat er geld geteld werd. Ook zag zij dat er een scooter voor haar raam was gezet en dat ernaast een plastic tas met een hamer lag. De politie heeft die ochtend in de nabijheid van de scooter en de tas met klauwhamer ook een hoopje kleding, handschoenen, een bivakmuts en sleutels gevonden. Er komt naar voren dat de scooter tussen 20.00 uur op 4 augustus 2018 en 04.00 uur op 5 augustus 2018 is gestolen ter hoogte van de Keizersgracht 404 te Amsterdam.8 De aangetroffen sleutels blijken bij [bedrijf 1] te horen en lagen in de kassa. 9 Op de kop van de klauwhamer en de kleding wordt bloed van [benadeelde partij 1] aangetroffen.10 Op de bivakmuts wordt celmateriaal van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen.11

4.3.4.

Op de camerabeelden van de Big Bazar van 4 augustus 2018 worden de twee jongens die bij de Big Bazar de hamer kopen, die later wordt aangetroffen bij de scooter, herkend als [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . 121314. Naar aanleiding daarvan zijn er taps op de telefoons van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en vervolgens ook op verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] aangesloten. Uit de tapgesprekken van 10 augustus 2018 tussen verdachte en [medeverdachte 1] , waarvan voor de rechtbank voldoende is komen vast te staan dat dit medeverdachte [medeverdachte 1] betreft, volgt dat verdachte met [medeverdachte 1] spreekt over een overval die hij met [medeverdachte 1] heeft gepleegd. [medeverdachte 1] zegt tegen verdachte: “Toen ik die OV met jou heb gezet.” Verdachte antwoordt: “uhuh”. Verdachte zegt tegen [medeverdachte 1] : “ik heb toch al een OVtje gezet”. [medeverdachte 1] : “hahahah nu vind je niks meer erg toch”, verdachte: “nee man”. Verdachte: “Ohh me moeder mist d’r zwarte kapmes”. [medeverdachte 1] : “watte euh..euh..ze mist een kapmes? Verdachte: “nee die ene mes die ik meenam naar die OV toch?” [medeverdachte 1] : “Ja”. Verdachte: “ze zegt: waar is die mes”. [medeverdachte 1] : “je hebt niet eens een nieuw mes voor dr gekocht”. [medeverdachte 1] : “Ehh broer geld gaat snel op bij mij he?” Verdachte: “ja kill ik heb het in één dag opgemaakt”. [medeverdachte 1] : “Ja, ik ook. Dat kan niet he”. Verdachte: “ik had echt toto moeten zetten. Nieuw geld. Nieuw geld.” Verdachte zegt tegen [medeverdachte 1] : “we staan op opsporing verzocht, je moet gewoon kijken opsporing verzocht (…) dan zie je ons. Gewoon bij cruquiuskade.” [medeverdachte 1] zegt hierop: “Is goed ik ga kijken. Dus wat staat er op ops.” Verdachte: (…) Dan zie je ons rijden met kappie eerst en dan gaan we naar binnen. (…) Je ziet bijna alles man. Je ziet zelfs hoe we naar achter rijden. [medeverdachte 1] : “zeg ik zweer, ik ga nu kijken man (…) ziet het er leuk uit?” Verdachte: “Ja (…)Maar je zou nooit denken dat wij het zijn”. (…) [medeverdachte 1] zegt vervolgens: “Je maakt me bijna.. gewoon blij.. soort van blij (…) Ik wil wel op tv gezien worden.”

In een gesprek van 10 augustus 2018 met iemand die verdachte [persoon 1] noemt zegt verdachte dat hem om € 625 is gevraagd. (…) “Omdat je weet…je ziet… ik heb doekoe gemaakt met die OV”. 15 In een gesprek tussen verdachte en ene [persoon 2] (eveneens op 10 augustus 2018) zegt verdachte dat hij samen met [medeverdachte 1] iemand gaat “kieren” voor € 50.000,-. Vervolgens praat verdachte met iemand op de achtergrond en zegt hij daarna tegen [persoon 2] : “Hoor je wat ie zegt? (..) beroven, toch? Dan gaat ie hem slaan met een hamer op zijn hoofd”. 16

4.3.5.

Uit onderzoek op de telefoon van verdachte is gebleken dat op 4 augustus 2018 om 23.04 uur op Google is gezocht naar de zoektermen “avondwinks” en “avondwinkels openingstijden”. Op 4 augustus 2018 om 23.07 uur is op Google gezocht naar de zoekterm “café openingstijden” en om 23.11 uur is er een screenshot gemaakt van een Google add van [bedrijf 1] . De afstand tot dit café was 1.1 kilometer. Op 5 augustus 2018 om 03.48 uur is er op de telefoon van verdachte een Whatsapp bericht van “Ma” binnengekomen met de tekst: “Als je niet snel naar huis komt, komt je vader je halen”. Op 5 augustus 2018 om 4.11 uur maakt de telefoon verbinding met Wifi op het adres Muntplein 1 te Amsterdam. Op 5 augustus 2018 om 04.31 is de website AT5 Sport en Misdaad bezocht. Op 5 augustus 2018 om 14,21 uur wordt op AT5 het nieuwsartikel over de overval op [bedrijf 1] bekeken. Om 14.22 uur is er een screenshot gemaakt van dit artikel met de koptekst “Gewonde bij overval restaurant [adres 2] ”.

Oordeel over het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

4.3.6.

De voornoemde feiten en omstandigheden duiden er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte één van de twee overvallers - de langere - van [bedrijf 1] is geweest. Zij zijn, in onderling verband en samenhang bezien, redengevend voor het bewijs en vragen derhalve om een verklaring van de zijde van verdachte. Verdachte heeft bij de politie alle betrokkenheid bij het feit ontkend. Pas op de terechtzitting van 9 mei jl. heeft hij een verklaring afgelegd. In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat hij van de overval af wist, dat hij op het Muntplein was met een groep jongens en dat hem daar werd gevraagd om screenshots van [bedrijf 1] te maken. Meermalen geconfronteerd met de stukken in het dossier waaruit blijkt dat die verklaring onmogelijk waar kon zijn, nu het screenshot om 23.11 uur is gemaakt en de telefoon van verdachte van 4 augustus 2018 van 20.43 uur tot 5 augustus 1.22 uur uitpeilt vlakbij de woning van verdachte, heeft verdachte uiteindelijk verklaard dat hij het screenshot thuis heeft vervaardigd, dat hij een dag eerder al wist van het plan om een overval te plegen en dat iemand, die alleen een sms telefoon had en wiens naam hij niet wil noemen, hem had gevraagd of hij een screenshot van het café wilde maken. Het feit dat de verdachte eerst pas ter terechtzitting met een verklaring komt, waarbij hij ook nog diverse elkaar tegensprekende scenario’s schetst die aantoonbaar onjuist respectievelijk ongeloofwaardig zijn, terwijl hij zich in het vooronderzoek telkens op zijn zwijgrecht heeft beroepen, leidt tot het volgende oordeel. De rechtbank is van oordeel dat dit geen redelijke verklaring is die de redengevendheid van de bewijsmiddelen waarnaar wordt verwezen in dit vonnis ontzenuwt. Dit leidt tot een bewezenverklaring van zaak A feit 2.

Bespreking van de bewijsverweren

4.3.7.

De raadsvrouw heeft uitvoerig betoogd dat verdachte niet een van de daders kán zijn geweest omdat aangever [aangever 1] heeft verklaard dat de dader die met het mes op hem af kwam langer was dan hijzelf, te weten 1.90 meter, en de lengte van verdachte is vastgesteld op 1.86 meter.

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat NN1 volgens aangever op hem is afgekomen met een groot mes in zijn uitgestrekte arm voor zich, terwijl hij schreeuwde en naar aangever toeliep achter de bar, dat NN1 met het mes heen en weer zwaaide richting aangever, dat hij vervolgens aangever heeft vastgepakt en naar de grond heeft geduwd met het mes heel dicht langs de nek van aangever. Aangever is achterover op zijn ellebogen, onderarmen en rug op de grond terecht gekomen en is na geschreeuw van NN1 overeind gekomen, heeft de kassa opengemaakt en is een paar passen weggelopen. Dit zijn zodanig overweldigende en stressvolle omstandigheden dat deze een nauwkeurige schatting (kunnen) bemoeilijken. Dat aangever NN1 heeft omschreven als (iets) langer dan hijzelf is, beoordeelt de rechtbank in de genoemde omstandigheden dan ook niet als beslissend. Daarbij merkt de rechtbank op dat het verschil tussen de geschatte lengte en de werkelijke lengte van verdachte slechts enkele centimeters is, en dat de werkelijke lengte van verdachte past in het beeld van een lang persoon. De rechtbank volgt de raadsvrouw dan ook niet in haar verweer dat verdachte niet een van de daders kan zijn geweest.

4.3.8.

Voorts heeft de raadsvrouw verklaard dat de telefoon van verdachte niet uitpeilt op de plaats delict, noch op de plaats waar de scooter is aangetroffen en dat dit de ontkenning van verdachte ondersteunt.

De rechtbank is van oordeel dat uit de historische gegevens blijkt dat de telefoon van verdachte tussen 4-8-2018 20.43 uur en 5-8-2018 te 01.22 uur uitpeilt bij een zendmast aan de Molukkenstraat 493 te Amsterdam, een mast nabij het woonadres van verdachte. De eerstvolgende registratie van de telefoon van verdachte is om 02.30 uur, bij een zendmast aan het Damrak 1 te Amsterdam. De overval heeft plaatsgevonden rond 01.30 uur op de [adres 2] in Amsterdam, 1,1 kilometer van verdachtes huis vandaan. Dit maakt dat het voor verdachte zonder meer mogelijk is geweest om omstreeks 01.30 uur bij het café te zijn. Dat het telefoonnummer van verdachte ten tijde van de overval geen registraties heeft sluit verdachte niet uit als dader, gelet op voornoemde gegevens.

Vrijspraak van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

4.3.9.

De rechtbank acht met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie, niet bewezen wat in zaak A onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Op grond van de wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] samen een plan hebben gemaakt om [bedrijf 1] te overvallen.. Verdachte heeft een mes meegenomen en de mededader [medeverdachte 1] een tas met daarin een klauwhamer. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden opgemaakt dat het opzet van verdachte mede was gericht op een (poging tot) doodslag, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Uit het gegeven dat verdachte en zijn mededader met een mes respectievelijk een hamer het café zijn binnengegaan kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de mededader met de hamer buitenproportioneel gewelddadig te werk zou gaan door aangever [benadeelde partij 1] tussen de tien en twintig keer tegen het hoofd, gezicht en arm te slaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte zelf een fors mes in zijn handen had en dat hij hiermee aangever [aangever 1] heeft bedreigd en onder bedwang gehouden, maar dat hij het mes niet heeft gebruikt om letsel toe te brengen, ook niet na verzet door die aangever.

Feit 3

4.4.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde straatroof wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte, de vondst van de laptop bij verdachte en de bekentenis van verdachte ter terechtzitting.

4.5.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.6.

Het oordeel van de rechtbank

Voor het bewijs gebruikt de rechtbank de inhoud van de hieronder vermelde processen-verbaal, evenals de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Nu hij daarbij het ten laste gelegde heeft bekend en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de hieronder genoemde opgave van de gebruikte bewijsmiddelen.

- proces-verbaal van aangifte 17

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2019. 18

Zaak B

4.7.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefstal in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte, de camerabeelden en de bekentenis van verdachte.

4.8.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.

4.9.

Oordeel van de rechtbank

Voor het bewijs gebruikt de rechtbank de inhoud van de hieronder vermelde processen-verbaal, evenals de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Nu hij daarbij het ten laste gelegde heeft bekend en de raadsman ten aanzien van de feiten geen vrijspraak heeft bepleit, kan ingevolge artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de hieronder genoemde opgave van de gebruikte bewijsmiddelen.

- proces-verbaal van aangifte 19

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 mei 2019 20

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

op 5 augustus 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 600 euro, toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [benadeelde partij 2] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte en zijn mededader

- op korte afstand een mes bij de nek van voornoemde [aangever 1] hebben gehouden en voornoemd voorwerp op voornoemde [aangever 1] hebben gericht en gericht gehouden en aan voornoemde [aangever 1] hebben getoond en voorgehouden en daarbij meermalen tegen voornoemde [aangever 1] hebben gezegd: "geld nu, geld, geld, nu, geld" en

- op voornoemde [benadeelde partij 1] zijn afgekomen en vervolgens voornoemde [benadeelde partij 1] meermalen met kracht met een hard en zwaar voorwerp tegen zijn hoofd en gezicht en ogen en arm hebben geslagen ten gevolge waarvan voornoemde [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een ruptuur van het linker oog en een schedelbasisfractuur en meerdere aangezichts- en oogfracturen van het rechteroog en meerdere huidwonden rondom oog en rechteroor en in- en uitwendig bloedverlies;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

op 12 augustus 2018 te Amsterdam, op of aan de Keizersbrug, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas en een laptop (merk Apple) en een regenjas, toebehorende aan [benadeelde partij 3] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en zijn mededader met kracht die tas (inhoudende die laptop en regenjas) uit de handen van voornoemde [benadeelde partij 3] hebben getrokken.

Zaak B

op 17 juli 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen kledingstukken, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [bedrijf 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten in zaak A 2 en 3 en in zaak B zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem in zaak A onder 1, 2 en 3 en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 147 dagen, met aftrek van voorarrest. Ook vordert de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen. Ten slotte vordert de officier van justitie de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel) in voorwaardelijke vorm aan verdachte op te leggen.

Daarbij dienen als bijzondere voorwaarden de door de Raad geformuleerde voorwaarden te worden opgenomen, zonder de avondklok nu de Raad deze voorwaarde ter terechtzitting niet langer handhaaft. Het contactverbod dient zich uit te strekken tot [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] voor de duur van 6 maanden. Verdachte dient toezicht en begeleiding te krijgen van Jeugdbescherming Amsterdam. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (zaak A feit 2).

Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de reiskosten, de ziektekosten, de hulpmiddelen, de buitengerechtelijke incassokosten voor het eigen risico van de rechtsbijstandsverzekeraar en de advocaatkosten kunnen worden toegewezen. De gevorderde bedragen voor inkomensverlies en de verbouwingskosten zijn te complex om te kunnen beoordelen in deze strafprocedure en dienen voor de burgerlijke rechter aangebracht te worden. Datzelfde geldt voor de kosten van de financieel adviseur die zijn gemaakt om het bedrag van de inkomstenderving vast te stellen. Voor dat deel van de vordering dient [benadeelde partij 1] dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden. De immateriële schade van € 35.000,- dient in zijn geheel te worden toegewezen. De officier van justitie vordert de schadevergoeding van in totaal € 39.306,59, hoofdelijk op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij vervangende jeugddetentie dient te worden opgelegd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] (zaak A feit 2), [benadeelde partij 3] (zaak A feit 3) en [bedrijf 2] (zaak B)

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 2] namens [bedrijf 1] , [benadeelde partij 3] (feit 3) en [bedrijf 2] (zaak B) vordert de officier van justitie algehele toewijzing, hoofdelijke veroordeling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel waarbij vervangende jeugddetentie dient te worden opgelegd.

8.2.

Standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om bij een bewezenverklaring verdachte een voorwaardelijke PIJ maatregel op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (zaak A feit 2)

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering zich deels niet leent voor behandeling in het strafproces. De gevorderde inkomstenderving en de verbouwingskosten vergen nader onderzoek en contra-expertise van de zijde van de verdediging, maar daar heeft de verdediging in het kader van het strafproces geen gelegenheid voor omdat dit een onevenredige belasting zal vormen. De zorgkosten en de kosten deskundige zijn onvoldoende onderbouwd. De raadsvrouw verzoekt de benadeelde partij hierin niet ontvankelijk te verklaren en niet over te gaan tot een schatting van deze kosten. Dit moet in een civiele procedure zorgvuldig worden bekeken. De reiskosten, de hulpmiddelen, de ziektekosten en kosten rechtsbijstand acht de raadsvrouw wel toewijsbaar. Ten aanzien van de immateriële schade refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] (zaak A feit 2), [benadeelde partij 3] (zaak A feit 3) en [bedrijf 2] (zaak B)

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] namens [bedrijf 1] , [benadeelde partij 3] en [bedrijf 2] acht de raadsvrouw voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van alle vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsvrouw bepleit geen hoofdelijke veroordeling uit te spreken en niet de schadevergoedingsmaatregel met daarbij vervangende jeugddetentie op de te leggen. Verdachte zal niet aan zijn betalingsverplichting kunnen voldoen, zodat dit zal leiden tot het uitzitten van de aan de schadevergoedingsmaatregel gekoppelde vervangende jeugddetentie, hetgeen de behandeling van verdachte en alle positieve ontwikkelingen zou doorkruisen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders.

Het betreffen in de onderhavige zaak A -kort gezegd- 1) een diefstal met geweld in vereniging waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en 2) een diefstal met geweld in vereniging en 3) zaak B, een diefstal in vereniging met braak.

Als uitgangspunt voor strafoplegging voor dergelijke feiten geldt als oriëntatiepunt dat – bij een first offender – ten aanzien van 1) vanaf 4 maanden jeugddetentie zal worden opgelegd, waarbij strafverzwarende omstandigheden de strafmaat naar boven kunnen wijzigen. In het onderhavige geval gelden als strafverzwarende omstandigheden de aard en de ernst van het fysiek geweld, de aard en ernst van het letsel, de bedreiging met een wapen en het georganiseerd karakter van de groep. Ten aanzien van 2) geldt als oriëntatiepunt dat een taakstraf vanaf 60 uur dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie zal worden opgelegd met als strafverzwarende omstandigheden het georganiseerd karakter van de groep en ten aanzien van 3) een taakstraf vanaf 80 uur, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de vrijheidsbenemende straf en de maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewelddadige gewapende overval op een café (zaak A feit 2). Tegen sluitingstijd zijn verdachte en de mededader het café binnengedrongen, waarbij verdachte een groot mes bij zich had en de mededader een tas met daarin een klauwhamer. Verdachte heeft een medewerker naar de grond gedwongen en onder bedreiging van het mes dat door verdachte op zijn nek werd gezet, heeft de medewerker geld uit de kassalade afgegeven. De mededader heeft een in het café aanwezige gast, de heer [benadeelde partij 1] , terwijl deze op de grond lag, tien tot twintig keer geslagen tegen diens hoofd, gezicht en arm met (de tas met daarin) de klauwhamer, waardoor [benadeelde partij 1] zijn linkeroog is verloren en een schedelfractuur en diverse fracturen in het gezicht heeft opgelopen.

Ook heeft verdachte zich een week na voornoemde overval op het café met dezelfde mededader schuldig gemaakt aan een beroving van een vrouw op straat, door een tas (met inhoud) uit de handen van het slachtoffer te grissen. Ten slotte heeft verdachte zich drie weken voor de hiervoor genoemde feiten, samen met anderen schuldig gemaakt aan een diefstal van kleding bij de [bedrijf 2] , waarbij de verdachte en de mededaders met kracht net zolang een steen tegen de ruit van de winkel hebben gegooid en tegen de ruit hebben getrapt, totdat de ruit ingedrukt kon worden. Vervolgens zijn de daders de winkel ingegaan en hebben zij een grote hoeveelheid kledingstukken uit de winkel meegenomen.

Dit betreffen ernstige feiten waarbij aan de gedupeerden schade en/of ernstig letsel is toegebracht. Met name de overval op [bedrijf 1] is bijzonder gewelddadig geweest. Verdachte heeft enkel en alleen voor zijn eigen financiële gewin de slachtoffers in een voor hen buitengewoon beangstigende situatie gebracht. Hij heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de slachtoffers en de (psychische) schade die hij door zijn handelen zou veroorzaken. Feiten als deze houden een grove aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers in. Te verwachten valt dat de slachtoffers van het café nog geruime tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van deze traumatische ervaringen. Verdachte en zijn mededader zijn voor de enorm ernstige gevolgen die het met name voor het slachtoffer [benadeelde partij 1] heeft gehad, verantwoordelijk. De rechtbank rekent deze gevolgen verdachte in volle omgang aan. Uit het voegingsformulier en de behandeling ter terechtzitting blijken de enorme gevolgen voor het slachtoffer [benadeelde partij 1] die zich als benadeelde partij heeft gesteld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie
d.d. 12 april 2019 waaruit blijkt dat verdachte eerder, op 15 augustus 2017, door de Kinderrechter tot een leerstraf is veroordeeld wegens mishandeling, maar daar kennelijk geen lering uit heeft getrokken.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

  • -

    rapporten van de Raad, laatstelijk opgemaakt op 7 mei 2019;

  • -

    een rapport van Jeugdbescherming, laatstelijk opgemaakt op 6 mei 2019;

  • -

    een Psychologisch Pro Justitia rapport opgemaakt door drs. T. Smits, GZ-psycholoog op 10 november 2018;

  • -

    een Psychiatrisch Pro Justitia rapport opgemaakt door I.T.M. Nurmohamed, (kinder- en jeugd) psychiater op 12 november 2018.

Ter zitting heeft de Raad het advies om verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen gehandhaafd en toegelicht. Om de kans op herhaling zo klein mogelijk te maken is een voorwaardelijke PIJ maatregel en de dadelijke tenuitvoerlegging hiervan, noodzakelijk. In een ambulant kader kan verdachte aan zichzelf werken en als dat mislukt dan moet dit in een instelling. Verdachte wil geld en status en dat vormt een heel groot risico. Anders dan in de rapportage vermeld, adviseert de Raad geen avondklok. Het contactverbod moet gelden voor de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , nu zij elkaar negatief lijken te beïnvloeden.

Ter zitting heeft Jeugdbescherming naar voren gebracht dat verdachte vanaf de start goed meewerkt. Verdachte wordt gemakkelijk overvraagd, kan situaties niet goed overzien en als de spanningen oplopen toont hij agressief gedrag. Verdachte heeft onvoldoende copingvaardigheden om met spanning om te gaan. Begin januari jl. is gestart met gezinstherapie en begeleiding door De Waag. Verdachte woont weer bij zijn moeder en dit gaat goed. Ook op school gaat het goed, maar verdachte heeft wel in een korte periode drie time-outs gehad. Na dit jaar zal verdachte naar het ROC [locatie] gaan, waar hij minder individuele aandacht zal krijgen. Zijn gedrag is een aandachtspunt. Jeugdbescherming is behoorlijk tevreden over de ontwikkeling van verdachte.

De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het thuis veel beter gaat en dat verdachte het druk heeft met zijn bijbaan, school en kickboksen.

De psychiater komt tot de volgende conclusie. Er is bij onderzochte sprake van een zwakbegaafd niveau van functioneren bij een fors grillig disharmonisch intelligentie profiel (moeilijk lerend-zwakbegaafd- gemiddeld niveau), een aandacht deficiëntie-/hyperactiviteit stoornis (ADHD, mate van ernst ernstig), een normoverschrijdende gedragsstoornis, een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en een onrijp sociaal-emotioneel niveau. Vanwege dit alles is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Geadviseerd wordt verdachte het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen. Het recidiverisico wordt, zonder behandeling voor zijn psychiatrische problematiek binnen een stevig toezicht, hoog ingeschat. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke PIJ maatregel op te leggen en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De psycholoog komt tot de volgende conclusie. Er is bij verdachte sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van ADHD, een normoverschrijdende gedragsstoornis en ODD en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vanwege de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij antisociale, borderline en narcistische trekken zich dreigen te vormen. Verdachte trekt op met delinquente vrienden wat gezien zijn pathologie ongunstig is. Op dit moment versterken de omstandigheden het risico dat samenhangt met de pathologie van verdachte. Om het recidiverisico te beperken en zijn ontwikkeling in goede banen te leiden wordt geadviseerd een ambulante behandeling op te leggen die bestaat uit systeembehandeling en individuele behandeling, waarnaast intensief toezicht wordt geboden. De behandeling kan in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel vormgegeven worden.

De rechtbank neemt de conclusies en de adviezen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal verdachte de feiten in verminderde mate toerekenen.

Hoewel de rechtbank, anders dan de officier van justitie, de poging doodslag (zaak A feit 1) niet bewezen acht, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, gelet op alle omstandigheden en de ernst van de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank ziet aanleiding om de bijzondere voorwaarde van contactverbod met de medeverdachten gedurende de gehele proeftijd van twee jaar op te leggen.

8.4.

Maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Verdachte heeft zich op nog jonge leeftijd, te weten 15 jaar, binnen een kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een drietal ernstige delicten. Door de deskundigen is bij verdachte een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling vastgesteld, vanwege de zwakbegaafdheid en gedragsproblematiek. De kans op recidive wordt zonder behandeling van de psychiatrische problematiek van verdachte door de deskundigen als hoog ingeschat. Anderzijds wordt beschreven dat verdachte (nog) geen verharde of antisociale jongen is, dat hij ontwikkelings- en behandelmogelijkheden heeft en zich leerbaar toont. Daarnaast wordt opgemerkt dat het gevaar van verharding in de Justitiële Jeugdinrichting een gevaar is bij deze beïnvloedbare verdachte, met een stoere façade.

De rechtbank heeft in het voorgaande aanleiding gezien de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen in voorwaardelijke vorm op te leggen. Op de feiten waarvoor de maatregel wordt opgelegd is gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld, de veiligheid van anderen eist het opleggen van de maatregel en de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank acht dit ter bevordering van de verdere ontwikkeling van verdachte als ook in het belang van de maatschappij, teneinde verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

Nu verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor en zich richten tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten - kort gezegd - een diefstal met geweld in vereniging welk feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad en een straatroof in vereniging, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, gelet op de problematiek van verdachte en hetgeen de deskundigen over het recidiverisico hebben opgemerkt. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Tevens is verlenging van de opgelegde maatregel mogelijk, aangezien deze is opgelegd terzake misdrijven die gevaar veroorzaken voor en zich richten tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

8.5.

Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. zaktelefoon kleur zwart, IPhone, rode cover 5616062

1. fiets heren kleur: grijs 5616067

De officier van justitie vordert bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen fiets en teruggave van de inbeslaggenomen IPhone aan verdachte.

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het beslag

De rechtbank is van oordeel dat de in beslaggenomen fiets dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, aangezien tot nu toe geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven zwarte IPhone met rode cover (5616062) dient te worden teruggegeven aan verdachte, nu geen strafvorderlijk belang zich tegen die teruggave verzet.

8.6.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Zaak A feit 2

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 78.331,10 aan materiële schadevergoeding en

€ 35.000,00 aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel voor zover het niet de buitengerechtelijke kosten betreft. Ter zitting heeft de benadeelde partij de vordering ten aanzien van de post verbouwingskosten € 10.900,- verminderd tot € 3.000,-.

Vast staat dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] door het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Materiële schadevergoeding

Inkomstenverlies

Het grootste deel van de gevorderde schade ziet op het inkomensverlies dat [benadeelde partij 1] als gevolg van de bewezenverklaarde feiten heeft geleden, dan wel verwacht te lijden. [benadeelde partij 1] heeft ter onderbouwing van deze schade een rapport van [bedrijf 3] d.d. 13 maart 2019 overgelegd. Uit dit rapport volgt dat [benadeelde partij 1] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft, die uiterlijk op 5 mei 2019 eindigt. Op basis van de arbeidsovereenkomst heeft [benadeelde partij 1] gedurende de eerste 52 weken arbeidsongeschiktheid recht op 91% van het salaris. Vaststaat dat [benadeelde partij 1] sinds 5 augustus 2018 niet heeft kunnen werken. Ter zitting heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat hij sinds kort op therapeutische basis werkzaam is en dat nu nog niet duidelijk is of en wanneer hij weer (volledig) zal kunnen werken. Wel stelt hij dat zijn contract is verlengd tot de duur van het project, dit kan maanden zijn of misschien een jaar. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [benadeelde partij 1] tot aan de einddatum van zijn arbeidsovereenkomst arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat [benadeelde partij 1] gedurende de periode van 5 augustus 2018 tot 5 mei 2019 maar 91% van zijn salaris betaald heeft gekregen. Dit is schade en die valt onder meer aan verdachte toe te rekenen. Op basis van het rapport leidt de rechtbank af dat het gaat om een bedrag van in totaal € 690,- en dit bedrag is dus toewijsbaar. Voor wat betreft het inkomensverlies vanaf 5 mei 2019 en de mogelijke toekomstige inkomstenderving is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende duidelijk is op dit moment. Zo is bijvoorbeeld niet met concrete feiten en omstandigheden gesteld dat [benadeelde partij 1] , zonder dat het letsel zou zijn opgelopen, werk zou hebben na afloop van de arbeidsovereenkomst eindigend op 5 mei 2019 en tegen welk salaris dit dan zou zijn en hoe lang en tot welk percentage van zijn inkomen hij wegens ziekte uitbetaald zal krijgen. De mededeling ter zitting dat het contract is verlengd, is niet schriftelijk onderbouwd. Ook is nu nog onvoldoende duidelijk of [benadeelde partij 1] inderdaad niet meer zijn huidige of vergelijkbare werkzaamheden kan uitvoeren. Daarbij komt nog dat de beoordeling van de uitgebreide en complexe berekeningen voor de verdediging eigen onderzoek behoeven. Niet verwacht kan en hoeft te worden, mede gelet op de aard van deze strafprocedure, dat de verdediging dit heeft kunnen (laten) onderzoeken. Het komt er op neer dat de beoordeling van de gevorderde toekomstige inkomstenderving een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en de benadeelde partij dient voor dat deel niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Verbouwingskosten

De rechtbank zal de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde verbouwingskosten. De rechtbank acht de hoogte van dit onderdeel van de vordering onvoldoende onderbouwd. Het nader laten onderbouwen van deze kosten levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij ook voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

Zorgkosten

De zorgkosten acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist en voor toewijzing vatbaar.

Overige kosten

De reiskosten, de ziektekosten, de hulpmiddelen en de kosten rechtsbijstand zijn niet betwist en voldoende onderbouwd. Deze kosten acht de rechtbank redelijk en zullen integraal worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

Anders dan de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de kosten die [benadeelde partij 1] heeft gemaakt om het rapport door [bedrijf 3] te laten opmaken wel in deze procedure voor vergoeding in aanmerking komen. Ter zitting is de factuur overgelegd, waardoor de kosten voldoende zijn onderbouwd. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij recht op vergoeding van de redelijke kosten die zijn gemaakt om de hoogte van de schade te kunnen vaststellen. Of de schade vervolgens wel of niet voor vergoeding in aanmerking komt doet er niet aan af of de kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Van belang is dat het redelijk moet zijn geweest dat [benadeelde partij 1] deze deskundige heeft ingeschakeld om te onderzoeken wat de (financiële) gevolgen van het toegebrachte letsel (kunnen) zijn. De rechtbank acht dat redelijk en de kosten zullen dan ook worden toegewezen.

Conclusie rechtbank materiële schadevergoeding

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal (Inkomensverlies 690,- + Reiskosten 728,67 + Ziektekosten 1130,00 + Hulpmiddelen 754,49 + Zorgkosten 860,- + Buitengerechtelijk 3557,93 = ) € 7.721,09 zal worden toegewezen. Over een bedrag van € 4.163,16, (€ 7.721,09 minus de buitengerechtelijke kosten van € 3.557,93) zal wettelijke rente worden berekend vanaf het ontstaan van de schade.

De benadeelde partij zal ten aanzien van de gevorderde loonderving (anders dan de toegewezen € 690,-) en de verbouwingskosten niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dat deel van de vordering levert zoals hiervoor omschreven, een onevenredige belasting van het strafgeding op en het toelaten van nader onderzoek en bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schadevergoeding

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade De rechtbank is van oordeel dat het permanente lichamelijke letsel en de psychische klachten als gevolg van het feit voldoende zijn komen vast te staan. Er is dan ook een ernstige inbreuk gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit.

Het door de officier van justitie aangehaalde voorbeeld (Rechtbank Overijssel, 12 augustus 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4545) vindt de rechtbank vergelijkbaar met de omstandigheden en de gevolgen die in deze zaak aan de orde zijn. In die zaak is een bedrag van € 37.000,00 aan immateriële schadevergoeding toegewezen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op het bedrag van € 35.000,- (vijfendertigduizend euro) zoals gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Schadevergoedingsmaatregel

Anders dan door de raadsvrouw verzocht, zal de rechtbank verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder zaak A onder feit 2 bewezen geachte is toegebracht en het van belang is dat de benadeelde partij wordt gecompenseerd voor de door hem geleden schade. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van in totaal € 42.721,09 (tweeënveertigduizend zevenhonderd eenentwintig euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 39.163,16, vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Anders dan door de officier van justitie gevorderd, zal de rechtbank geen vervangende jeugddetentie verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel, gelet op de landelijke afspraken die hierover zijn gemaakt en de rechtbank geen aanleiding ziet om van die afspraak af te wijken.

De vordering van de heer [benadeelde partij 2] , namens [bedrijf 1]

zaak A feit 2

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 824,58 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de vordering.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding hoofdelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van € 824,58 (achthonderd vierentwintig euro en achtenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [benadeelde partij 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder zaak A onder feit 2 bewezen geachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 824,58 (achthonderd vierentwintig euro en achtenvijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Zaak A, feit 3

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 195,29 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de vordering.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding hoofdelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van € 195,29 (honderd vijfennegentig euro en negenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [benadeelde partij 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder zaak A onder feit 3 bewezen geachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 195,29 (honderd vijfennegentig euro en negenentwintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2]

Zaak B

De benadeelde partij [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [benadeelde partij 4] , vordert € 859,84 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de vordering.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding hoofdelijk zal worden toegewezen tot een bedrag van € 859,84 (achthonderd negenenvijftig euro en vierentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [bedrijf 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder zaak B bewezen geachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 859,84 (achthonderd negenenvijftig euro en vierentachtig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g,77i, 77m, 77n, 77s, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 77za, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2 en 3 en in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

ten aanzien van het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen, op de openbare weg.

ten aanzien van het in zaak B bewezen verklaarde

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 147 (honderdzevenenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Legt op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich onder behandeling van De Waag of een vergelijkbare instelling zal stellen en aldaar individuele en systeembehandeling zal volgen (FAST of een vergelijkbare module) met aanvullende behandeling indien dit passend wordt geacht door de hulpverlening;

- onderwijs zal volgen volgens het aangegeven rooster dan wel een andere dagbesteding zal hebben;

- gedurende de proeftijd van 2 jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] 2001, [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] 2001 en [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 4] 2000;

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. zaktelefoon kleur zwart, IPhone, rode cover (5616062)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1. fiets heren kleur: grijs (5616067)

Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] toe tot € € 42.721,09 (tweeënveertigduizend zevenhonderd eenentwintig euro en negen cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 39.163,16 vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] , € 42.721,09 (tweeënveertigduizend zevenhonderd eenentwintig euro en negen cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 39.163,16 vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] toe tot € 824,58 (achthonderd vierentwintig euro en achtenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] € 824,58 (achthonderd vierentwintig euro en achtenvijftig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [benadeelde partij 3] toe tot € 195,29 (honderd vijfennegentig euro en negenentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] € 195,29 (honderd vijfennegentig euro en negenentwintig eurocent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [benadeelde partij 4] , toe tot € 859,84 (achthonderd negenenvijftig euro en vierentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [bedrijf 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering reeds door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [bedrijf 2] € 859,84 (achthonderd negenenvijftig euro en vierentachtig eurocent), aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. I.M. Nusselder en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van J.O. van Saase-Zaagman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 mei 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Aangifte door [aangever 1] p. 054-057;

3 Getuige [aangever 1] p. 058-059

4 Aangifte door [benadeelde partij 1] p. 046-052;

5 Bevindingen p. 279

6 Geschrift te weten een verklaring VUmc betreffende [benadeelde partij 1] van 8-08-18;

7 Bevindingen p. 268, p. 273

8 Bevindingen p. 66-67;

9 Bevindingen p. 281;

10 Een geschrift, te weten NFI rapport van 10 augustus 2018 p. 072-073

11 Geschriften, te weten NFI rapporten van 12 februari 2019 p. 336 e.ven 15 februari 2019 p. 334 e.v.

12 Bevindingen p. 79-83

13 Bevindingen p. 84

14 Bevindingen p. 85-87

15 Bevindingen p. 148-165, waarvan p. 157, 159, 160, 165

16 Bevindingen p. 303-305, waarvan p. 305

17 Aangifte door [benadeelde partij 3] p 01-03

18 Proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 9 mei 2019.

19 Aangifte door [aangever 2] namens [bedrijf 2] p. 7-8

20 Zie voetnoot 18