Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3784

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
13/993044-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een taakstraf van 180 uur. Verdachte heeft zich als oud-bestuurder van een BV schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk, doordat hij grote geldbedragen en goodwill in het zicht van het faillissement aan de boedel heeft onttrokken en hij heeft de inlichtingenplicht geschonden, nu hij zich niet heeft gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en over te leggen aan de curator. Door het handelen van verdachte zijn preferente en concurrente schuldeisers benadeeld. Door het ontbreken van de administratie heeft verdachte de curator de mogelijkheid ontnomen te controleren wat er met het geld en/of vermogen van het bedrijf van verdachte is gebeurd. Verdachte heeft geld en andere goederen aan de boedel onttrokken, waarmee hij zijn schuldeisers in een nog ongunstigere positie heeft gebracht dan ze al verkeerden. Verdachtes handelen heeft geresulteerd in een faillissement zonder volledig inzicht in de vermogenspositie van failliet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993044-17

Datum uitspraak: 27 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 18 maart 2019, 19 maart 2019 en 27 mei 2019. Verdachte was daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: officier van justitie), mrs. F. Bahadin en M. Boerlage, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.R.L.V.M. Kruik namens mr. Y. Özdemir, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich als (voormalig) bestuurder van een rechtspersoon, te weten Dienstverlening Secuur B.V., al dan niet samen met een ander/anderen

1. in de periode van 1 januari 2010 tot en met 19 juni 2014 schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk (primair) dan wel eenvoudige bankbreuk (subsidiair) ten aanzien van de rechtspersoon Dienstverlening Secuur B.V., doordat geldbedragen zijn onttrokken aan de boedel, doordat geld van een debiteur is ontvangen en doordat niet is voldaan/laten voldoen aan de op verdachte rustende verplichtingen een administratie te voeren, bewaren en/of tevoorschijn te brengen;

2. in de periode van 5 juli 2011 tot en met 19 juni 2014, nadat de rechtspersoon Dienstverlening Secuur B.V. op 5 juli 2011 in staat van faillissement is verklaard, schuldig heeft gemaakt aan het niet geven van de vereiste inlichtingen aan de curator en/of het niet verstrekken van de administratie van die rechtspersoon aan de curator.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Van 26 maart 2008 tot 6 januari 2011 was verdachte eigenaar van de rechtspersoon Dienstverlening Secuur B.V. (hierna: Secuur). Op 6 januari 2011 is voornoemde B.V. voor 1 euro verkocht aan medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), die blijkens zijn verhoor een katvanger was. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij B.V.’s met schulden op zijn naam zette vanwege het geld dat hij ervoor kreeg en dat hij niet de intentie had om iets met die bedrijven te doen. Op 5 juli 2011 is Secuur door de rechtbank ’s Gravenhage in staat van faillissement verklaard.

Vanaf december 2010 werden activiteiten verricht door [naam B.V. 1] (hierna: [naam B.V. 1] ), van welke rechtspersoon verdachte medebestuurder was. Volgens de curator waren dat de activiteiten die voorheen werden uitgevoerd door Secuur.

Op 19 juni 2014 heeft de curator in het faillissement van Secuur aangifte gedaan tegen verdachte en [medeverdachte 1] van faillissementsfraude. Weliswaar is er in opdracht van [medeverdachte 1] een zestal ordners aan administratie aan de curator verstrekt en is door boekhouder [naam boekhouder] digitale administratie overhandigd, bijgewerkt tot en met 18 december 2010, echter was daarmee de administratie niet volledig. De bankmutaties na 18 december 2010 waren namelijk niet verwerkt in de administratie. Tevens werd door de curator aangifte gedaan van het niet voldoen aan de inlichtingenplicht met als gevolg dat door het niet uitleveren van de volledige administratie de curator niet in staat is geweest de rechten en de verplichtingen van de failliete onderneming Secuur te bepalen. Bij de curator zijn preferente en concurrente vorderingen ingediend ter hoogte van ruim € 210.000,-.

De curator geeft in de faillissementsverslagen aan dat uit de bankafschriften van Secuur blijkt dat er in de periode van 19 december 2010 tot en met 31 december 2010, derhalve vlak voor de overname door [medeverdachte 1] , verschillende geldopnames hebben plaatsgevonden ter hoogte van totaal € 22.150,-, pinopnames van totaal € 1.368,- en kasopnames van totaal € 17.000,-, allemaal met de bankpas van de bestuurder, zonder reële verklaring. Tevens is uit de administratie gebleken dat in september 2010 de huur voor de bedrijfsruimte werd opgezegd, de arbeidsovereenkomsten van 23 werknemers zijn beëindigd en dat de leaseauto’s zonder vergoeding door een rechtsopvolger zijn overgenomen.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Bewezen kan worden (feit 1, primair) dat verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers niet alleen gelden heeft onttrokken aan Secuur en een schuldeiser ten onrechte heeft bevoordeeld, maar ook dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren, bewaren en tevoorschijn brengen van een administratie. Uit het dossier blijkt dat verdachte kort voor de aandelenoverdracht aan [medeverdachte 1] allerlei gelden heeft onttrokken aan Secuur. Immers, uit de bankafschriften van de bankrekening van Secuur blijkt dat deze geldopnames zijn gedaan met de bankpas van de bestuurder. Voorts heeft in deze periode een betaling plaatsgevonden aan een debiteur. Daarnaast blijkt uit de aangifte van de curator dat de administratie die de curator heeft ontvangen verre van compleet was. De wel aangetroffen administratie mist zo veel stukken dat daarmee niet de rechten en plichten van Secuur konden worden vastgesteld. Met zijn handelen heeft verdachte het de curator dus onmogelijk gemaakt om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen en heeft hij de schuldeisers van het failliete bedrijf benadeeld. De hele bedoeling van de verkoop van Secuur was om van de schulden die in de vennootschap zaten, af te komen. Dit moet verdachte hebben geweten, waarom zou hij anders zijn onderneming voor 1 euro hebben overgedragen aan een koper die hij niet eens kende. Verdachte heeft door zijn handelswijze willens en wetens de aanmerkelijke kans op nadeel voor de schuldeisers van Secuur aanvaard.

Ook feit 2 kan worden bewezen. Na het faillissement is verdachte zonder geldige reden weggebleven bij de curator en heeft zodoende niet de vereiste inlichtingen verstrekt. Dit heeft eraan bijgedragen dat de curator niet in staat is geweest de rechten en verplichtingen van de failliete onderneming Secuur te bepalen en heeft vervolgens geleid tot benadeling van schuldeisers.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte dient integraal te worden vrijgesproken.

Verdachte was weliswaar zelfstandig bevoegd bestuurder van de vennootschap, maar hij betwist dat hij feitelijk bestuurder was van Secuur. Hij bemoeide zich niet met de administratie, hij had geen daadwerkelijke zeggenschap over de belangrijke financiële beslissingen en hij had geen toegang tot de financiële middelen van de vennootschap. Hij gebruikte geen bankpas en deed geen opnames uit de kas. Het bedrijf is kennelijk aan een katvanger verkocht. Verdachte had hier geen idee van. Verdachte kende de katvanger niet. Zijn verklaring is begrijpelijk vanuit een dreiging door vroegere medevennoten die eventueel contact met [medeverdachte 1] kunnen hebben gehouden. Verdachte geeft aan zich bedreigd te voelen door deze vennoten en bang te zijn.

Verdachte heeft geen schuldeisers benadeeld en zichzelf niet verrijkt. Hij kon ook niet weten dat het bedrijf op een faillissement zou afstevenen. Er was geen geld in de beschikkingsmacht van verdachte. Daarnaast was er een deugdelijke administratie. Verdachte benadrukt dat hij de curator alles heeft gegeven wat hij had. Bovendien zou volgens [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] in zijn opdracht zes ordners met administratie hebben afgegeven aan de curator en de digitale administratie zou door administratiekantoor [naam boekhouder] zijn verstrekt. Bij verdachte was er dus geen opzet. Hij heeft achteraf zijn best gedaan om zich te houden aan de hem opgedragen wettelijke plicht om een volledige en juiste administratie aan de curator over te leggen. Maar los daarvan kan ook niet worden gesteld dat het ontbreken van een deugdelijke administratie en het daarna niet uitleveren, tot gevolg heeft gehad dat de rechten en verplichtingen van Secuur niet konden worden vastgesteld en daarmee de rechten van schuldeisers zijn verkort.

Verdachte heeft nooit zelf geld opgenomen in de vorm van privévermogen, hij heeft niet zelf activa weggehaald en hij heeft geen relaties aangeschreven met het verzoek om te betalen op nieuw opgerichte bankrekeningen. We weten al helemaal niet of [naam B.V. 1] de activiteiten van Secuur één op één heeft overgenomen. Niet kan dus worden gesteld dat verdachte heeft geprofiteerd. Verdachte heeft de kasopnames in december 2010 niet gedaan, daarvoor is geen steunbewijs. Ook hebben er geen onttrekkingen van goodwill plaatsgevonden. Er zijn geen medewerkers door [naam B.V. 1] overgenomen van Secuur, althans daarvoor is geen bewijs.

Verdachte heeft ook na het faillissement zijn verplichtingen niet geschonden. Hij is niet weggebleven bij de curator, wat alleen al volgt uit de correspondentie tussen zijn advocaat en de curator, en ook heeft hij niet geweigerd om nadere inlichtingen of administratie te verstrekken. Hij beschikte niet over alle administratie en waar hij wel over kon beschikken heeft hij aan de curator gegeven. Verdachte heeft aangegeven dat hij de brieven die hij van de curator heeft ontvangen aan zijn advocaat heeft gegeven waardoor hij erop mocht vertrouwen dat deze zouden worden beantwoord. Verdachte was dus te goeder trouw.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1, primair en feit 2

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen van oordeel

dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk (feit 1, primair) en schending van de inlichtingenplicht (feit 2). De rechtbank overweegt als volgt.

In tegenstelling tot wat de raadsvrouw door middel van haar pleitnota naar voren heeft gebracht, heeft verdachte ter zitting van 18 en 19 maart 2019 bekend dat hij geldopnames heeft gedaan van de rekening van Secuur. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij op enig moment samen met een vriend het bedrijf [naam B.V. 1] heeft opgericht, voor welk bedrijf personen werkzaam waren die ook bij Secuur hadden gewerkt.

Uit de aangifte van de curator is daarnaast gebleken dat hij op datum faillissement in het geheel geen activa heeft aangetroffen en dat er ook geen werknemers in dienst waren. Dit terwijl er 23 werknemers in dienst zouden zijn geweest. Geen van deze werknemers heeft zich gemeld bij de curator dan wel het UWV. Daarnaast blijkt uit de aangifte van de curator dat door [naam B.V. 1] twee leasecontracten voor auto’s onverplicht zijn overgenomen van Secuur waardoor de boedel van Secuur is benadeeld.

Op grond van deze aangifte van de curator, die wordt ondersteund door de bekennende verklaring van verdachte op zitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte gelden heeft onttrokken aan de boedel en goodwill heeft vervreemd. Dit laatste vindt bovendien bevestiging in de omstandigheid dat [naam B.V. 1] een schikking heeft getroffen met de curator ter zake de overname van activa dan wel de voortzetting van de onderneming van Secuur. [naam B.V. 1] heeft een bedrag van € 15.000,- aan de boedel van Secuur betaald. Verdachte heeft verklaard dat [naam B.V. 1] dit heeft betaald ‘om er maar van af te zijn’, maar dit komt de rechtbank niet logisch voor indien er geen sprake zou zijn van overname van enige activa of goodwill door [naam B.V. 1] . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat, zoals de curator ook al vermeldde, (een deel van) de activiteiten van Secuur werden voortgezet door [naam B.V. 1] .

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan, in opdracht van zijn vroegere vennoten met wie hij zaken deed, door wie hij werd bedreigd en voor wie hij bang is/was. De rechtbank acht dit, mede gelet op het late tijdstip waarop verdachte dit naar voren brengt - pas op de zitting en niet bij de curator of de FIOD - niet geloofwaardig. Daar komt bij dat de rechtbank zich moeilijk kan voorstellen welk belang de vroegere vennoten/bedreigers erbij zouden hebben dat verdachte zich ontdoet van Secuur in tegenstelling tot verdachte die er juist alle belang bij had om af te komen van een B.V. waarin hij wordt afgeperst.

Niet alleen heeft verdachte kort voor het faillissement geldbedragen onttrokken aan de boedel en goodwill vervreemd. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte ook niet heeft voldaan aan de administratieverplichting. Elke ondernemer heeft een verplichting om administratie te voeren, te bewaren en tevoorschijn te brengen. Degenen die aan deze administratieve verplichtingen zijn onderworpen worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat als de curator in het faillissement niet kan beschikken over een deugdelijke administratie dit kan strekken tot benadeling van de faillissementsschuldeisers. Immers, zonder deugdelijke administratie kan de curator zich geen beeld vormen van de rechten en verplichtingen van de gefailleerde onderneming en van de gang van zaken binnen die onderneming voorafgaand aan het faillissement. In het dossier bevinden zich drie brieven van de curator aan verdachte waarin de curator verdachte verzoekt om de administratie van Secuur aan de curator over te leggen. Hier is niet aan voldaan. De curator vermeldt in de aangifte dat hij weliswaar een zestal ordners heeft ontvangen met administratie en tevens digitale administratie heeft ontvangen van boekhouder [naam boekhouder] , maar dat deze administratie onvolledig is waardoor hij zich geen beeld heeft kunnen vormen van de rechten en verplichtingen van Secuur. Verdachte was als oud-bestuurder verantwoordelijk voor de administratie en heeft zich niet gehouden aan deze wettelijke verplichting. Deze verplichting kan verdachte als bestuurder van de vennootschap niet ontlopen door de aandelen in de vennootschap over te dragen kort voor het faillissement.

De volgende vraag die dan moet worden beantwoord is of verdachte in het kader van handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ als bedoeld in artikel 341 en 343 van het Wetboek van Strafrecht, heeft gehandeld met het opzet om de rechten van de schuldeisers te verkorten. Gelet op het voorgaande, waaruit blijkt dat verdachte kort voordat Secuur werd overgedragen vrijwel alle activa aan de boedel heeft onttrokken en goodwill heeft vervreemd - uit welke handeling mag worden afgeleid dat verdachte dus wetenschap had van het aankomend faillissement - is de rechtbank van oordeel dat sprake was van opzet, nu verdachte heeft moeten weten dat door zijn handelen schuldeisers zouden kunnen worden benadeeld. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door het feit dat uit het dossier is gebleken dat verdachte naar aanleiding van een civiele rechtszaak, waarin de rechter het voorlopig oordeel heeft uitgesproken dat verdachte zijn taken als bestuurder onbehoorlijk zou hebben vervuld wegens het niet correct nakomen van de boekhoud- en administratieplicht, een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten waarbij hij zich heeft verbonden om aan de boedel van Secuur een bedrag van € 26.000,- te betalen.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het in verband met feit 1 tenlastegelegde onderdeel ‘bevoordelen van een schuldeiser doordat aan een debiteur 35.999,38 euro is betaald’, omdat uit het dossier juist blijkt dat dit geldbedrag van een debiteur is ontvangen, welke handeling geen onttrekking aan de boedel oplevert.

Daarnaast wordt in het voordeel van verdachte ten aanzien van beide feiten de pleegperiode aangepast. Ten aanzien van het primaire onder feit 1 zal deze periode beginnen op 19 december 2010, nu de curator heeft aangegeven dat vanaf die datum administratie ontbrak en vanaf dat moment de onttrekkingen aan de boedel hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van feit 2 eindigt de pleegperiode op 18 december 2013 omdat verdachte op die datum een vaststellingsovereenkomst heeft getekend en vanaf die datum dus wel gehoor heeft gegeven aan de verzoeken van de curator.

Verdachte wordt ten aanzien van beide feiten vrijgesproken van het onderdeel medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt dat hij samen met anderen heeft gehandeld.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1, primair:

als (voormalig) bestuurder van een rechtspersoon, te weten Dienstverlening Secuur B.V, die bij vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. 5 juli 2011 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 19 december 2010 tot en met 19 juni 2014 in Nederland, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van voornoemde rechtspersoon,

- enig goed aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft verdachte in de periode van 19 december 2010 tot en met 31 december 2010 geldbedragen van 22.150 euro, 1.368,13 euro en 17.000,00 euro aan de boedel onttrokken en;

-enig goed om niet heeft vervreemd en;

-niet heeft voldaan/laten voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld, immers heeft hij verdachte als (voormalig) bestuurder van voornoemde rechtspersoon

- geen (volledige) (deugdelijke) (bedrijfs)administratie gevoerd, in elk geval de administratie van voornoemde rechtspersoon niet zodanig gevoerd dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van voornoemde rechtspersoon konden worden gekend, en;

- niet de (gehele) administratie van voornoemde rechtspersoon bewaard en

- niet de (gehele) administratie van voornoemde rechtspersoon (op verzoek van de curator) aan de curator in het faillissement uitgeleverd en/of ter beschikking gesteld;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 5 juli 2011 tot en met 18 december 2013 in Nederland, als bestuurder van een rechtspersoon te weten Dienstverlening Secuur B.V., die bij vonnis van de rechtbank Den Haag d.d. 5 juli 2011 in staat van faillissement is verklaard, en wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, immers heeft hij niet voldaan aan de verzoeken van de, door de rechter aangewezen, curator in dit faillissement om inlichtingen en/of (een of meerdere stukken en/of de gehele) administratie van Dienstverlening Secuur B.V. te verstrekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren. Bij het formuleren van de eis is rekening gehouden met het feit dat verdachte een first offender is en dat het om relatief oude feiten gaat.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte 50 jaar oud is en een gezin heeft met kinderen en kostwinner is. Daarnaast dient het tijdsverloop in de strafmaat te worden verdisconteerd. Op grond van het voorgaande dient in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd, maar hoogstens een voorwaardelijke straf, dan wel dient artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht te worden toegepast.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich als oud-bestuurder van Secuur schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk, doordat hij grote geldbedragen en goodwill in het zicht van het faillissement aan de boedel heeft onttrokken en hij heeft de inlichtingenplicht geschonden, nu hij zich niet heeft gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en over te leggen aan de curator. Door het handelen van verdachte zijn preferente en concurrente schuldeisers benadeeld. Door het ontbreken van de administratie na 18 december 2010 heeft verdachte de curator de mogelijkheid ontnomen te controleren wat er met het geld en/of vermogen van het bedrijf van verdachte is gebeurd. Hoewel de vennootschap voor de overdracht al te kampen had met schulden en omdat door een gebrek aan administratie niet meer is vast te stellen hoe hoog de schulden waren en/of welke schulden er nadien zijn bijgekomen en of de vennootschap ook vorderingen had op derden (of op (voormalig) bestuurders), en daardoor niet is vast te stellen hoe hoog het benadelingsbedrag door het handelen van verdachte exact is geweest, staat wel vast dat verdachte geld en andere goederen aan de boedel heeft onttrokken, waarmee hij zijn schuldeisers in een nog ongunstigere positie heeft gebracht dan ze al verkeerden. De rechtbank vindt dit heel kwalijk. Verdachtes handelen heeft geresulteerd in een faillissement zonder volledig inzicht in de vermogenspositie van failliet. Verdachte heeft hiermee blijk gegeven van een lichtzinnige houding ten opzichte van de vermogensbelangen van de schuldeisers. Verder heeft verdachte het met zijn handelen voor de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen.

Uit het strafblad van verdachte van 14 januari 2019 blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Ook blijkt hieruit dat verdachte vorig jaar voor een vuurwapenfeit is veroordeeld.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank ook het tijdsverloop van het strafproces in aanmerking genomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. De redelijke termijn in strafzaken vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de FIOD heeft in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanige handeling te gelden, te meer nu geen sprake was van voorarrest. Wel dient de brief van het Openbaar Ministerie gericht aan verdachte waarin kenbaar is gemaakt dat de officier van justitie voornemens is om te dagvaarden, als zodanig te worden aangemerkt. Deze brief is verzonden binnen de tweejaarstermijn teruggerekend vanaf de datum van de uitspraak in de zaak, te weten 27 mei 2019, zodat van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is.

Desalniettemin zijn de gepleegde feiten van lang geleden en daarmee zal de rechtbank dan ook rekening houden. Bij het bepalen van de strafmaat is ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd en waaruit volgt dat in faillissementsfraudezaken waar sprake is van een ontbrekende administratie, taakstraffen worden opgelegd tussen de 120 uur en 160 uur. Fors strafverzwarend in deze zaak is dat bewezen is dat er kort voor het faillissement sprake is van grote onttrekkingen aan de boedel door verdachte. In beginsel zou dat naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank zal dat echter niet doen, omdat verdachte uiteindelijk een geldbedrag aan de boedel heeft terugbetaald (en dus enigszins zijn verantwoordelijkheid heeft genomen) en gezien het tijdsverloop. De rechtbank ziet, al het voorgaande in aanmerking nemend, wel aanleiding om een taakstraf op te leggen die wat betreft de duur hoger ligt dan de hiervoor genoemde bandbreedte, te weten een taakstraf van 180 uur.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 63, 194 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, primair:

bedrieglijke bankbreuk;

ten aanzien van feit 2:

als bestuurder van een in staat van faillissement verklaarde rechtspersoon wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2019.