Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3783

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
13/845020-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk + ontzetting van verdachte van de uitoefening van het beroep als bestuurder van een rechtspersoon voor 5 jaar + publicatie van het onherroepelijk geworden vonnis.

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van faillissementsfraude en witwassen door B.V.’s die in het zicht van een faillissement waren, over te nemen, zich daarvoor te laten betalen, de B.V. te ontbinden of failliet te laten verklaren en vervolgens niets meer van zich te laten horen, zodat de schuldeisers met lege handen bleven staan en curatoren de mogelijkheid werd ontnomen te controleren wat er met het geld en/of vermogen van de bedrijven was gebeurd. Daarnaast is gebleken dat verdachte een aantal B.V’s heeft gebruikt als schakel in een witwasnetwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845020-16

Datum uitspraak: 27 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 18 maart 2019, 21 maart 2019, 27 maart 2019 en 27 mei 2019. Verdachte was daarbij niet aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: officier van justitie), mrs. F. Bahadin en M. Boerlage, en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. S. Weening, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

1. deelname aan een criminele organisatie in de periode van 1 december 2009 tot en met 31 december 2016 welke organisatie tot oogmerk had het plegen van onder andere de misdrijven faillissementsfraude, het onjuist doen van belastingaangiften, witwassen en het overtreden van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (hierna: Wwft);

2. medeplegen van (gewoonte)witwassen (primair) in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 van 536.440 euro op de bankrekening(en) op naam van Interjura B.V. en/of [naam B.V. 2] . en/of [naam B.V. 3] en/of Vierpunten B.V. en/of [naam B.V. 5] dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest (subsidiair) door de bankrekening(en) van de bedrijven Interjura B.V. en/of [naam B.V. 2] . en/of [naam B.V. 3] en/of Vierpunten B.V. en/of [naam B.V. 5] ter beschikking te stellen.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Voorvragen

Onder feit 1, de criminele organisatie, is onder meer in algemene bewoordingen tenlastegelegd dat deze tot oogmerk zou hebben gehad het plegen van valsheid in geschrift, het plegen van valsheid in een authentieke akte en het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften. Het dossier, dat 25 ordners bevat, omvat een klein hoofdstuk waarin anderhalve pagina is gewijd aan de criminele organisatie. In algemene bewoordingen wordt daarin aangegeven dat de misdadige organisatie tot oogmerk heeft gehad het plegen van faillissementsfraude, oplichting, witwassen en het plegen van de Wwft-feiten. De misdrijven genoemd in het derde, vierde en vijfde gedachtestreepje - het plegen van valsheid in geschrift, het plegen van valsheid in een authentieke akte en het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften - worden hierin genoemd noch toegelicht. Uit de wijze waarop het dossier is samengesteld en de inhoud van het dossier valt naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende duidelijk af te leiden welke feitelijke gedragingen verdachte in het kader van de criminele organisatie worden verweten ten aanzien van die misdrijven. De tenlastelegging voldoet dus ten aanzien van het derde, vierde en vijfde gedachtestreepje niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal de dagvaarding ten aanzien van die gedachtestreepjes partieel nietig verklaren.

Voor het overige is de dagvaarding geldig, is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en is de officier van justitie ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Bij de FIOD is het Centraal Meldpunt Faillissementsfraude ondergebracht. Alle meldingen van curatoren met betrekking tot mogelijk gepleegde faillissementsfraude worden bij dat meldpunt geregistreerd. Een taak van het meldpunt is om veelplegers van faillissementsfraude in beeld te krijgen. Bij het behandelen van binnenkomende fraudesignalen werd steeds vaker geconstateerd dat er personen zijn die beroepsmatig hun werk maken van het begeleiden van vennootschappen naar een faillissement waarbij er uiteindelijk veelal sprake is van faillissementsfraude. Ten behoeve van de aanpak van deze veelplegers is een onderzoek gestart. Aan de hand van informatie van de curatoren van de failliete ondernemingen bleek het volgende.

Medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) hield zich bezig met het aantrekken en verkopen van slecht lopende ondernemingen. Bestuurders van deze slecht lopende ondernemingen zijn via via of door een krantenadvertentie bij [medeverdachte 1] terecht gekomen. [medeverdachte 1] beloofde hen te helpen van de noodlijdende ondernemingen af te komen. De eigenaren/bestuurders van die vennootschappen betaalden aan [medeverdachte 1] een bedrag om de overdracht van hun bedrijf met schulden te regelen. [medeverdachte 1] ging vervolgens aan de slag om te kijken of hij de vennootschap over kon doen aan een tussenpersoon of dat hij de vennootschap rechtstreeks op naam van een ander, de zogenoemde katvanger, liet zetten. De katvanger kreeg hiervoor een vergoeding.

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van een aantal vaste personen/kopers, nader aangeduid als katvangers, waaronder verdachte. Aandelen van een vennootschap werden in de meeste gevallen door hen overgenomen voor 1 euro. De katvanger nam daarmee tevens de aanwezige schulden in de onderneming over. Vervolgens gingen de ondernemingen kort na de verkoop failliet of werden bij de Kamer van Koophandel ontbonden via een zogenaamde turboliquidatie. De curator van de failliete onderneming kreeg geen dan wel zeer moeizaam contact met de katvanger en een administratie werd niet of nauwelijks aan de curator uitgeleverd. De voormalig bestuurders verklaarden de administratie met de onderneming te hebben overgedragen aan de nieuwe bestuurder, de katvanger. Hierdoor werd het voor de curator onmogelijk om de rechten en verplichtingen van de failliet vast te stellen waardoor de crediteuren werden benadeeld.

In het kader van het voorgaande is door de FIOD onderzoek gedaan naar een aantal rechtspersonen en de daaraan gekoppelde bankrekeningen van verdachte en zijn echtgenote, medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ). Hieruit bleek dat zij samen in totaal achttien rechtspersonen op hun naam hebben gekregen tegen een overnamebedrag van 1 euro, welke activiteiten binnen een korte periode na die overname zijn gestaakt. Van vijf van deze rechtspersonen bleek [medeverdachte 2] middellijk dan wel onmiddellijk bestuurder en aandeelhouder te zijn geweest, namelijk van Interjura B.V. (hierna: Interjura), [naam B.V. 2] . (hierna: [naam B.V. 2] ), [naam B.V. 3] (hierna: [naam B.V. 3] ), Vierpunten B.V. (hierna: Vierpunten) en [naam B.V. 5] (hierna: [naam B.V. 5] ). De bankrekeningen van deze rechtspersonen werden voornamelijk gevoed door contante stortingen. Deze gelden werden doorgestort naar bankrekeningen van Fadusa International B.V. (hierna: Fadusa) en Canitec Group B.V. (hierna: Canitec), waarbij verdachte en medeverdachte [naam 1] (hierna: [naam 1] ) waren betrokken. Hiervandaan werden de gelden doorgeboekt naar Colombiaanse en Bulgaarse bankrekeningen.

Verdachte wordt er door het Openbaar Ministerie van beschuldigd dat hij betrokken is geweest bij het witwassen van gelden via de bedrijven waarvan [medeverdachte 2] bestuurder en aandeelhouder was, en dat hij daarmee heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De witwasfeiten kunnen worden bewezen. Uit het dossier volgt dat verdachte en [medeverdachte 2] katvangers zijn die regelmatig vennootschappen op naam hebben gehad waarvan de activiteiten kort na de overname zijn gestaakt en die daarna zijn ontbonden dan wel failliet verklaard. Verdachte had regelmatig contact met [medeverdachte 1] om vennootschappen op zijn naam of die van [medeverdachte 2] te laten zetten. [medeverdachte 1] verklaart dat verdachte en [medeverdachte 2] zijn vaste kopers zijn. De zakelijke bankrekeningen van de vijf tenlastegelegde vennootschappen werden voornamelijk gevoed door contante stortingen van in totaal € 536.440,- in de periode van 23 september 2015 tot en met 13 juni 2016. Onduidelijk is wat de herkomst van deze contante stortingen is. Interjura en de onderliggende B.V.’s hebben in deze periode geen omzet gedraaid. Ook de inkomsten van verdachte en [medeverdachte 2] bieden geen verklaring voor de stortingen. Er is dus sprake van een gerechtvaardigd witwasvermoeden en verdachte heeft geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven over de herkomst van de geldbedragen. Hierdoor kan worden uitgesloten dat de contante stortingen een legale herkomst hebben: de contante stortingen zijn daarmee afkomstig van enig misdrijf. Vanaf de rekeningen zijn de contante stortingen vrijwel direct overgeboekt naar andere vennootschappen waaronder Fadusa en Canitec, waarbij [naam 1] en verdachte betrokken waren.

Er is hierbij sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking: het op naam nemen van rechtspersonen, het openen van bankrekeningen, het ontvangen en doorboeken van enorme geldbedragen leveren een significante bijdrage op. Verdachte was betrokken bij de bv-handel met zowel [medeverdachte 1] als [naam 1] . Uit een tapgesprek blijkt dat hij zich ook bezighield met het overboeken van geld van verschillende rekeningen van verschillende vennootschappen. Gelet op de frequentie, duur en wijze waarop de witwashandelingen hebben plaatsgevonden kan worden bewezen dat verdachte en [medeverdachte 2] van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt.

Hiermee heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan feit 1. Duidelijk was dat verdachte één van de vaste katvangers was van [medeverdachte 1] . Niet alleen was het oogmerk daarmee gericht op het witwassen, zoals hiervoor uiteen is gezet, ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van faillissementsfraude. Sommige vennootschappen werden kort na de overname door verdachte immers zelf ontbonden, anderen werden failliet verklaard. Verdachte moet hiermee hebben geweten dat de bedrijven die hij overnam in financiële problemen verkeerden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich voor wat betreft een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte zat financieel aan de grond en had niets meer te verliezen. Daarom liet hij zich gebruiken als katvanger. Hij wist dat het niet goed was, maar hij was niet in de positie om het anders te doen. Hij heeft niet nagedacht over de gevolgen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal eerst de beschuldiging van witwassen (feit 2) en vervolgens de beschuldiging van deelname aan een criminele organisatie (feit 1) bespreken.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat het primair tenlastegelegde onder feit 2 kan worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen. De rechtbank overweegt als volgt.

De vrouw van verdachte, [medeverdachte 2] , was (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder van een vijftal bedrijven: Interjura, [naam B.V. 2] , [naam B.V. 3] , Vierpunten en [naam B.V. 5] . Op de bankrekeningen van deze bedrijven zijn in de periode van 23 september 2015 tot en met 13 juni 2016 contante stortingen gedaan van in totaal € 536.440,-. De bankpassen van de bankrekeningen van [naam B.V. 2] en Interjura zijn tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte en zijn vrouw [medeverdachte 2] aangetroffen. Deze bankpassen stonden op naam van [medeverdachte 2] , zij was de wettelijk vertegenwoordiger. Uit de uitgeleverde gegevens met betrekking tot de zakelijke bankrekeningen behorend bij de vijf genoemde vennootschappen blijkt dat zij van al die vennootschappen de aanvraag van het zakelijk betaalpakket heeft ondertekend en bij de bank staat geregistreerd als vertegenwoordiger van de betreffende vennootschap. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 2] de zakelijke bankrekeningen behorend bij de vijf vennootschappen minst genomen moet hebben aangevraagd.

Ook zijn tijdens de huiszoeking bescheiden aangetroffen, zijnde notulen van de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders, van onder andere deze bedrijven. Tijdens de aanhouding van verdachte werden bij hem dezelfde notulen aangetroffen, met daarbij een kopie van het paspoort van [medeverdachte 2] , alsmede ondertekende 17A-formulieren van de Kamer van Koophandel betreffende diezelfde rechtspersonen. Deze formulieren worden gebruikt voor de ontbinding van rechtspersonen.

De herkomst van de gelden die op de bankrekeningen zijn gestort, is onduidelijk. In de periode dat de contante stortingen op deze rekeningen zijn gedaan, waren de bedrijfsactiviteiten van de rechtspersonen immers al gestaakt. Zowel verdachte als [medeverdachte 2] hebben over de voorafgaande jaren geen inkomsten opgegeven bij de Belastingdienst. Desondanks waren hun leefomstandigheden ogenschijnlijk riant; ze woonden in een ruime villa, omringd door een landgoed waarop zij paarden hielden en reden in dure auto’s.

Verdachte heeft zich bij de FIOD veelal op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft dus geen concrete en verifieerbare verklaring gegeven voor de herkomst van de gestorte bedragen, die dan ook naar het oordeel van de rechtbank wel van enig misdrijf afkomstig moeten zijn.

[medeverdachte 2] heeft bij de FIOD verklaard dat zij niets te maken heeft gehad met de bv-handel, dat ze [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) heeft vertrouwd en er van uit ging dat het goed zat. Verdachte kwam met papieren die zij moest ondertekenen. Dat heeft ze gedaan zonder deze stukken te lezen. Ze dacht dat het stukken waren van de Kamer van Koophandel, omdat zij het logo van de Kamer van Koophandel op de papieren zag staan. [medeverdachte 2] geeft aan dat ze bang was dat het niet klopte omdat verdachte al eerder was veroordeeld voor faillissementsfraude. Als aan [medeverdachte 2] een verklaring van [medeverdachte 1] wordt voorgehouden, waarin hij verklaart dat hij ervoor zorgde dat aandelen van vennootschappen op naam werden gezet van onder andere verdachte en [medeverdachte 2] , geeft [medeverdachte 2] aan dat haar man en [medeverdachte 1] vroeger contact met elkaar hadden, dat zij weet dat hij belastingzaken doet, dat zij aan haar man heeft gevraagd geen contact meer met [medeverdachte 1] te hebben, maar dat zij er achter kwam dat hij toch dit contact weer was aangegaan.

Niet alleen uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat verdachte zich als katvanger bezig heeft gehouden met het op naam nemen van noodlijdende vennootschappen. Ook uit verklaringen van de betrokken notarissen, medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , en tevens uit verschillende tapgesprekken met [medeverdachte 1] en e-mailberichten met [naam 1] blijkt dat verdachte vennootschappen op zijn naam heeft laten zetten om deze vervolgens te ontbinden dan wel failliet te laten verklaren. Ook blijkt uit tapgesprekken dat verdachte zich actief heeft beziggehouden met het overboeken van geldbedragen. Blijkens deze tapgesprekken geeft verdachte zich regelmatig uit voor zijn vrouw en gebruikt hij haar e-mailadres om met mededaders te corresponderen.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank het volgende. [medeverdachte 2] heeft B.V.’s op haar naam laten zetten op verzoek van haar man, verdachte, door formulieren te ondertekenen zonder zich ervan te vergewissen waar zij voor tekende. Verdachte kon immers geen B.V.’s meer op zijn eigen naam zetten vanwege zijn strafbare verleden, maar had deze wel nodig voor zijn nieuwe strafbare plannen, en heeft daarom zijn vrouw, of liever gezegd haar naam, misbruikt voor zijn criminele plannen. Op de bankrekeningen, die [medeverdachte 2] al dan niet bewust heeft aangevraagd, behorende bij de rechtspersonen waar [medeverdachte 2] bestuurder van was geworden, zijn contante geldbedragen gestort en via rekeningen van andere bedrijven naar het buitenland overgemaakt. Uit het dossier is op te maken dat het niet [medeverdachte 2] is geweest die de contante stortingen heeft gedaan of verantwoordelijk is voor het doorboeken van de gelden. Blijkens e-mailberichten van verdachte aan [naam 1] heeft verdachte in ieder geval de beschikking gehad over de bankgegevens van één van de vijf tenlastegelegde rechtspersonen, namelijk Interjura. Gelet hierop en op het gegeven dat de gelden zijn doorgeboekt naar rekeningen van bedrijven waarbij verdachte wederom betrokken was, gaat de rechtbank ervan uit dat met name verdachte verantwoordelijk is geweest voor het telkens storten en doorboeken van die geldbedragen. Dit wordt door de verdediging op zitting ook niet betwist.

Gelet op het structurele karakter van het witwassen, en in het bijzonder gelet op de hoeveelheid “lege” bedrijven, oordeelt de rechtbank dat sprake is van gewoontewitwassen. Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn mededaders in de tenlastegelegde periode herhaaldelijk contante, uit misdrijf afkomstige, geldbedragen voorhanden hebben gehad, in totaal € 536.440,-, en hebben gestort op de bankrekeningen van Interjura, [naam B.V. 2] , [naam B.V. 3] , Vierpunten en [naam B.V. 5] om deze gelden vervolgens telkens door te boeken naar andere (buitenlandse) rekeningen. Hierdoor is een zodanig mistgordijn opgeworpen dat het niet mogelijk is gebleken om met enige zekerheid de herkomst en de rechthebbenden vast te stellen. Door deze wijze van handelen hebben zij "verborgen" of "verhuld" wie de rechthebbenden op die geldbedragen waren.

Feit 1

De rechtbank is ook van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen, kan worden bewezen dat verdachte met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voor een veroordeling ter zake deelneming aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Voor een criminele organisatie moet er sprake zijn van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Voor de deelneming is van belang dat betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Deelneming impliceert opzet, dat wil zeggen dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Zoals hierna wordt toegelicht is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met [medeverdachte 1] en [naam 1] , gericht op het plegen van faillissementsfraude en (gewoonte)witwassen. De organisatie had een gestructureerd samenwerkingsverband waarbij ieder een eigen aandeel heeft gehad, dan wel ondersteunende gedragingen heeft verricht, die rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie.

Verdachte was een vaste katvanger van [medeverdachte 1] , die hij al jaren kende. Hij ging met [medeverdachte 1] mee naar de notaris, tekende voor de aandelenoverdracht en liet de B.V. vervolgens ‘op de plank liggen’. Verdachte kreeg hiervoor betaald. Verdachte verrichtte geen activiteiten met de vennootschap. [medeverdachte 1] noemt als hij door de FIOD als verdachte wordt verhoord, het op naam van katvangers zetten van noodlijdende bedrijven zelfs de “ [verdachte] -constructie”. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij jarenlang gebruik heeft gemaakt van die “ [verdachte] -constructie”. Uit onderzoek in de systemen van de Belastingdienst en uit uittreksels van de Kamer van Koophandel volgt dat verdachte in 2015 aandeelhouder en/of bestuurder is geweest van elf rechtspersonen of stichtingen. Deze zijn - op één na - allemaal kort na de aandelenoverdracht ontbonden of failliet verklaard (of de activiteiten zijn gestaakt). Alle elf rechtspersonen zijn - op één na - verkocht voor 1 euro. Verdachte zorgde er ook zelf voor dat zijn B.V.’s werden opgeheven en ontbonden. Dat deed hij door ontbindingsformulieren op te maken en in te schrijven bij de Kamer van Koophandel. Tijdens zijn aanhouding zijn dergelijke 17A-formulieren bij hem aangetroffen. Uit het voorgaande volgt naast de deelname van verdachte aan de organisatie bovendien een duurzaam samenwerkingsverband. Bovendien heeft verdachte door zijn feitelijk handelen het oogmerk gehad op het medeplegen van faillissementsfraude.

Verdachte was niet alleen katvanger voor eigenaren van bedrijven die in zwaar weer verkeerden. Hij was ook katvanger bij bedrijven die voor witwassen werden gebruikt, zoals hierboven bij de bespreking van de witwasverdenking is overwogen en naar welke overwegingen de rechtbank verwijst. Hierbij was sprake van een samenwerkingsverband met [medeverdachte 1] en [naam 1] . Het was [naam 1] die lege B.V.’s wilde en [medeverdachte 1] die die lege B.V.’s aan [naam 1] aanleverde. De rechtbank heeft reeds overwogen dat sprake was van een structureel karakter van het witwassen, in het bijzonder gelet op de hoeveelheid “lege” vennootschappen. Gelet hierop kan ook worden gesproken van een duurzame samenwerking. Bovendien volgt uit hetgeen ter zake het witwassen is overwogen dat verdachte op de hoogte was van het feit dat over bankrekeningen waarover hij en zijn vrouw konden beschikken, grote hoeveelheden geld zijn gevloeid. Daarmee heeft verdachte deelgenomen aan een organisatie die ook het oogmerk had op witwassen.

Dat die organisatie ook het oogmerk had op overtreding van Wwft bepalingen acht de rechtbank niet bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 1 december 2009 tot en met 31 december 2016 in Nederland heeft deelgenomen aan één of meer organisatie(s), bestaande uit (een) samenwerkingsverband(en) met:

- [medeverdachte 1] en

- [naam 1]

welke organisatie(s) tot oogmerk had het plegen van de volgende misdrijven:

- faillissementsfraude (artikel 340, 341, 342 en 343 WvSr (oud));

- het niet geven van inlichtingen tijdens een faillissement (artikel 194 Wetboek van Strafrecht (oud));

- ( gewoonte en/of schuld)witwassen (artikel 420 bis/ter/quater WvSr);

ten aanzien van feit 2, primair:

in de periode van 23 september 2015 tot en met 13 juni 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte en zijn mededader(s) telkens van geldbedragen van in totaal euro 536.440,- op de bankrekeningen ten name van Interjura B.V., [naam B.V. 2] ., [naam B.V. 3] , Vierpunten B.V. en [naam B.V. 5] , verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemde geldbedragen, waren of wie bovenomschreven geldbedragen, voorhanden had(den),

en

telkens geldbedragen verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl de verdachte en zijn mededader(s) wisten dat die geldbedragen – geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, en een afroomboete van € 5.000,-. Daarnaast dient een bestuursverbod van 5 jaar te worden opgelegd en het vonnis moet worden gepubliceerd. Het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de eis van de officier van justitie niet geheel te volgen. Verdachte kan zich vinden in het geëiste bestuursverbod, maar hij is het niet eens met de geëiste geldboete. Daarmee zijn zowel verdachte als de samenleving niet geholpen. Verdachte heeft geen riant inkomen waardoor het heel lang zal duren voordat hij een boete zal hebben afbetaald. Bij het bepalen van de strafmaat dient ook rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en met het feit dat verdachte anderhalve maand in voorarrest heeft gezeten. Ten aanzien van zijn vrouw [medeverdachte 2] gaat het om hetzelfde feitencomplex en is door de officier van justitie een taakstraf geëist. Dat zou ten aanzien van verdachte ook een passende straf zijn. In ieder geval dient de helft van de geëiste straf voorwaardelijk te worden opgelegd zodat dit als stok achter de deur geldt. Daarnaast verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte een opleiding is begonnen tot makelaar en dat hij daarin in juli 2019 examen moet doen. Dit examen wil hij graag afleggen voordat hij een eventuele gevangenisstraf moet uitzitten zodat hij een toekomst heeft als hij weer vrij komt. Daarbij zijn zowel verdachte als de samenleving gebaat.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van faillissementsfraude en witwassen. Dat eerste doet verdachte door B.V.’s die in het zicht van een faillissement zijn, over te nemen, zich daarvoor te laten betalen, de B.V. te ontbinden of failliet te laten verklaren en vervolgens niets meer van zich te laten horen, zodat de schuldeisers met lege handen blijven staan en curatoren de mogelijkheid wordt ontnomen te controleren wat er met het geld en/of vermogen van de bedrijven is gebeurd. Daarnaast is gebleken dat verdachte een aantal B.V’s heeft gebruikt als schakel in een witwasnetwerk. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt er immers toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk over het geld kan beschikken in de legale economie, zodat “misdaad loont”. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd. Verdachte heeft hiervan ook zelf meegeprofiteerd gezien zijn levensstandaard die in geen verhouding stond tot zijn legale inkomsten.

Ter zitting was verdachte niet aanwezig, maar hij heeft via zijn advocaat laten weten de volle verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen.

Uit het strafblad van verdachte van 14 januari 2019 blijkt dat hij in het verleden enkele malen voor fraudedelicten is veroordeeld. Zijn laatste veroordeling dateert echter van juli 2012.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank ook het tijdsverloop van het strafproces in aanmerking genomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. In de onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten 27 juni 2016. Tussen die datum en de datum van het vonnis - 27 mei 2019 - ligt een periode die de redelijke termijn met 11 maanden overschrijdt. Deze overschrijding is niet te wijten aan enig handelen van de verdediging. Daarom zal de rechtbank de straf overeenkomstig vaste jurisprudentie matigen.

Blijkens straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, is een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn komt de rechtbank tot een lagere strafoplegging dan de officier van justitie heeft geëist. Ook zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om naast deze gevangenisstraf een geldboete op te leggen.

Net als de officier van justitie ziet de rechtbank aanleiding om een beroepsverbod aan verdachte op te leggen, in die zin dat verdachte het beroep van bestuurder van rechtspersonen in de zin van artikel 51 Wetboek van Strafrecht niet mag uitoefenen. Daarvoor is van belang dat verdachte - die eerder is veroordeeld voor faillissementsfraude - zich als bestuurder van verschillende rechtspersonen heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen en in het verleden al meerdere malen voor fraudedelicten is veroordeeld. Het verbod zal gelden voor 5 jaar en zal ingaan op de dag dat dit vonnis ten uitvoer kan worden gelegd.

De rechtbank zal tevens als bijkomende straf de openbaarmaking van dit vonnis gelasten. Hierbij weegt mee, gelet op aard en de ernst van de bewezen strafbare feiten en de gewoonte van verdachte dergelijke misdrijven te plegen, zoals in de strafmotivering weergegeven, dat de maatschappij tegen verdachte moet worden beschermd. De openbaarmaking zal dienen te geschieden door middel van publicatie van dit ongeanonimiseerde vonnis op www.rechtspraak.nl. De kosten van openbaarmaking zal de rechtbank bepalen op nihil.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir gevorderd om de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Hoewel verdachte zich - door niet op de zitting te verschijnen - niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de schorsing op te heffen. De vordering van de officier van justitie wordt daarom afgewezen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 36, 47, 63, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde partieel nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 2, primair:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Ontzet de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde van de uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Gelast de openbaarmaking van dit vonnis na het onherroepelijk worden daarvan, met vermelding van de personalia van verdachte, door publicatie ervan op www.rechtspraak.nl, waartoe het Openbaar Ministerie dit vonnis dient aan te bieden aan de redactie van voornoemde website. De kosten van openbaarmaking worden bepaald op nihil.

Gelast de teruggave aan verdachte P [verdachte] van alle op de beslaglijst genoemde goederen en zoals in bijlage III opgenomen.

Wijst de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2019.