Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3770

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
13/993046-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een taakstraf van 100 uur. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk en hij heeft de inlichtingenplicht geschonden, doordat hij zich niet heeft gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en over te leggen aan de curator. Door het handelen van verdachte kunnen preferente en concurrente schuldeisers zijn benadeeld. Door het ontbreken van een volledige administratie heeft verdachte de curator de mogelijkheid heeft ontnomen te controleren wat er met het geld en/of vermogen van het bedrijf van verdachte is gebeurd. Verdachte heeft daarmee de schuldeisers in een ongunstige positie gebracht. Het handelen van verdachte heeft geresulteerd in een faillissement zonder enig inzicht in de vermogenspositie van de failliet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/853
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993046-17

Datum uitspraak: 27 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 18 maart 2019, 19 maart 2019 en 27 mei 2019. Verdachte was daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: officier van justitie), mrs. F. Bahadin en M. Boerlage, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A. Bijl, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich als (voormalig) bestuurder van een rechtspersoon/commanditaire vennootschap, te weten Strike Line en/of Toohoe LTD, al dan niet samen met een ander/anderen

1. in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014 schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk (primair) dan wel eenvoudige bankbreuk (subsidiair) ten aanzien van deze rechtspersoon/commanditaire vennootschap, doordat niet is voldaan/laten voldoen aan de op verdachte rustende verplichtingen een administratie te voeren, bewaren en/of tevoorschijn te brengen;

2. in de periode van 5 februari 2013 tot en met 30 april 2014, nadat de rechtspersoon/ commanditaire vennootschap op 5 februari 2013 in staat van faillissement is verklaard, schuldig heeft gemaakt aan het niet geven van de vereiste inlichtingen aan de curator en/of het niet verstrekken van de administratie van die rechtspersoon/commanditaire vennootschap aan de curator.

De precieze tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Sinds 28 februari 2011 was verdachte samen met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) bestuurder van Toohoe Limited (hierna: Toohoe). Beiden waren voor vijftig procent aandeelhouder van Toohoe. Toohoe was beherend vennoot van de commanditaire vennootschap Strike Line (hierna: Strike Line), dat op 28 februari 2011 door hen samen was opgericht. Op 10 augustus 2012 werd medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) via de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), die veel bemiddelde bij aandelenoverdrachten van noodlijdende vennootschappen, gevolmachtigde van Strike Line met volledige volmacht. Op 5 februari 2013 werden zowel Strike Line als Toohoe in staat van faillissement verklaard.

Op 30 april 2014 heeft de curator in het faillissement van Strike Line aangifte gedaan van faillissementsfraude, gepleegd door verdachte, [naam 1] en [medeverdachte 1] . Tevens werd door de curator aangifte gedaan van het niet voldoen aan de inlichtingenplicht met als gevolg dat door het niet uitleveren van de administratie door de bestuurders van de beherend vennoot Toohoe en de gevolmachtigde van Strike Line, de curator niet in staat is geweest de rechten en de verplichtingen van Strike Line en Toohoe vast te stellen. Bij de curator zijn vorderingen ingediend. Bij Strike Line betrof het totaalbedrag van de vorderingen van de schuldeisers

€ 143.966,- en bij Toohoe € 31.876,-.

De curator vermeldt in de aangifte dat aan verdachte, [naam 1] en [medeverdachte 1] diverse keren is verzocht om de administratie van Strike Line dan wel van Toohoe aan de curator over te leggen, dan wel aan te geven waar de administratie is gebleven. Hier is niet aan voldaan. De curator vermeldt in de aangifte dat hij geen enkel stukje administratie heeft ontvangen en hierdoor geen beeld heeft kunnen vormen van de rechten en verplichtingen van Strike Line en Toohoe.

Verdachte heeft aan de curator meegedeeld dat hij Strike Line in augustus 2012 heeft verkocht. [naam 1] heeft daarentegen verklaard dat hij op 3 augustus 2012 uit Strike Line is getreden en zijn aandelen in Strike Line aan verdachte heeft verkocht voor € 15.000,-. Ook verklaarde [naam 1] dat verdachte de administratie deed en daarover beschikte.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Bewezen kan worden (feit 1, primair) dat verdachte samen met anderen ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voeren, bewaren en tevoorschijn brengen van de administratie, terwijl hij daartoe verplicht was. De curator heeft in zijn aangifte vermeld dat hij geen enkel stukje administratie heeft ontvangen. Verdachte was ten tijde van de overdracht bestuurder en verantwoordelijk voor de administratie. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij geen administratie heeft ontvangen. Met zijn handelen heeft verdachte het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen en heeft hij schuldeisers van de failliete ondernemingen benadeeld. Op het moment dat [medeverdachte 1] als gevolmachtigde van Strike Line werd ingeschreven stond al vast dat de onderneming vol zat met schulden en dat het slechts een kwestie van tijd was voordat Strike Line en Toohoe failliet zouden gaan. Door de noodlijdenden onderneming zonder administratie over te dragen aan een katvanger en zonder de administratie in ieder geval beschikbaar te houden, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de benadeling van de schuldeisers van Strike Line en Toohoe aanvaard. Op grond hiervan heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan faillissementsfraude.

Ook feit 2 kan worden bewezen. Na het faillissement is verdachte zonder geldige reden weggebleven bij de curator en heeft hij zodoende niet de vereiste inlichtingen verstrekt. Dit heeft eraan bijgedragen dat de curator niet in staat is geweest de rechten en verplichtingen van de failliete ondernemingen Strike Line en Toohoe te bepalen en heeft vervolgens geleid tot benadeling van schuldeisers.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De onderneming liep slecht en er werd geen winst gemaakt. Om die reden moest er een oplossing worden gevonden voor het verlieslatende bedrijf en die werd gevonden in de persoon van ene [naam 2] . Het bedrijf zou aan derden worden overgedragen en verdachte betaalde [naam 2] daar een paar honderd euro voor. Vanaf augustus 2012 heeft [naam 2] de verantwoordelijkheid van de onderneming en daarmee ook voor het voeren van de administratie van verdachte overgenomen. Daarna is verdachte niet meer betrokken geweest bij de onderneming. Hij heeft geen activiteiten meer verricht en zich niet meer met de administratie of de financiën bezig gehouden. Verdachte ging er dus van uit dat hij geen bestuurder meer was. Dit wordt niet alleen bevestigd door de verklaring van verdachte bij de curator, want ook [medeverdachte 1] heeft over [naam 2] verklaard. Gek genoeg blijkt uit de stukken dat [naam 1] op 3 augustus 2012 zijn deel van de aandelen heeft verkocht aan verdachte voor

€ 15.000,-. Kennelijk hadden beide bestuurders de intentie om het zinkende schip te verlaten, maar is het papierwerk enkel voor [naam 1] goed geregeld. Verdachte heeft te goede trouw gehandeld waardoor er geen sprake is van opzet om schuldeisers te benadelen en ook niet van opzet op het schenden van de inlichtingenplicht.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen van oordeel

dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk (feit 1, primair) en schending van de inlichtingenplicht (feit 2). De rechtbank overweegt als volgt.

Vrijspraak ten aanzien van Strike Line

Om te beginnen overweegt de rechtbank dat verdachte wordt vrijgesproken van het in dit verband tenlastegelegde onderdeel ‘als bestuurder van een rechtspersoon, te weten commanditaire vennootschap Strike Line’, omdat Strike Line een commanditaire vennootschap en derhalve geen rechtspersoon is zoals bedoeld in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 348a lid 2 van het Wetboek van Strafrecht - dat bepaalt dat onder bestuurders van een rechtspersoon tevens worden begrepen de bestuurders van een commanditaire vennootschap - is pas in werking getreden op 1 juli 2016. Dit is een datum die na de pleegdatum van de tenlastegelegde feiten ligt. Nu dit artikel nog niet gold ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde feit en niet ziet op het onder 2 tenlastegelegde feit kan niet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld als bestuurder van de rechtspersoon, te weten ‘commanditaire vennootschap Strike Line’.

Bewezenverklaring ten aanzien van Toohoe

In het dossier zit een koopovereenkomst, gedateerd op 3 augustus 2012 en ondertekend door verdachte, waarbij [naam 1] de onderneming Strike Line voor € 15.000,- verkoopt aan verdachte. Verdachte verklaart daarin de koop te hebben aangenomen: “50% aandelen van de onderneming Strike Line C.V.” en bedrijfsmiddelen als goodwill, handelsnaam en bedrijfsinventaris. Uit de stukken blijkt ook dat [medeverdachte 1] vervolgens op 10 augustus 2012 gevolmachtigde werd van Strike Line. Op zitting heeft verdachte echter verklaard dat hij dacht dat hij zijn deel van de aandelen in de onderneming op 3 augustus 2012 voor een paar honderd euro had verkocht en dat een D66-politicus, [naam 2] , alles zou regelen en dat hij er vanaf dat moment van uit ging dat hij geen bestuurder meer was en helemaal geen verantwoordelijkheden meer had. De rechtbank begrijpt deze verklaring zo dat verdachte hiermee zowel Strike Line als Toohoe bedoelt. Wat er ook zij van deze verklaring, ook als verdachte Strike Line en Toohoe heeft verkocht ontslaat hem dat als voormalig bestuurder niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de administratie en ook niet van zijn plicht om inlichtingen te verschaffen aan de curator.

Zowel [naam 1] als [medeverdachte 1] verklaren geen administratie te hebben. Ook de curator heeft aangegeven geen administratie te hebben ontvangen. Ter zitting heeft verdachte voor het eerst verklaard dat de administratie bij de boekhouder lag en dat de boekhouder deze niet heeft willen verstrekken. Omdat verdachte dit niet eerder heeft verklaard - ook niet bij de curator - acht de rechtbank dit niet aannemelijk, maar ook als wel van de juistheid van deze verklaring zou worden uitgegaan, is dat naar het oordeel van de rechtbank niet relevant in ontlastende zin, nu verdachte dus wist waar de administratie zich bevond en dit niet kenbaar heeft gemaakt aan de curator.

Elke ondernemer heeft een verplichting om administratie te voeren, te bewaren en tevoorschijn te brengen. Degenen die aan deze administratieve verplichtingen zijn onderworpen worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat als de curator in het faillissement niet kan beschikken over een deugdelijke administratie, dit kan strekken tot benadeling van de faillissementsschuldeisers. Immers, zonder deugdelijke administratie kan de curator zich geen beeld vormen van de rechten en verplichtingen van de gefailleerde onderneming en van de gang van zaken binnen die onderneming voorafgaand aan het faillissement. De curator vermeldt in de aangifte dat aan verdachte, [medeverdachte 1] en [naam 1] diverse keren is verzocht om de administratie van Strike Line dan wel van Toohoe aan de curator over te leggen, dan wel aan te geven waar de administratie is gebleven. Hier is niet aan voldaan. De curator vermeldt in de aangifte dat hij hierdoor geen beeld heeft kunnen vormen van de rechten en verplichtingen van Strike Line en Toohoe. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet aan zijn verplichting om als (voormalig) bestuurder van Toohoe de vereiste inlichtingen en administratie te geven, heeft voldaan.

Ter bedrieglijke verkorting

Verdachte verklaart dat hij de onderneming voor een paar honderd euro heeft verkocht en dat [naam 2] alles zou regelen. Uitgaande van deze verklaring heeft verdachte de aandelen in de vennootschap kort voor het faillissement overgedragen waarbij hij er kennelijk van uit ging ook geen bestuurder meer te zijn, terwijl van te voren bekend was dat de kans groot was dat dat faillissement zou intreden en verdachte van die kans op de hoogte was. Dit blijkt uit zijn eigen verklaringen. Verdachte heeft - uitgaande van zijn verklaring - de rechtspersoon verkocht aan een voor hem onbekend persoon naar wie hij verder geen enkel onderzoek heeft verricht, waarvoor hij een paar honderd euro bemiddelingskosten betaalde, terwijl een faillissement in zicht was. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat het niet anders kan zijn, dan dat een katvanger is ingeschakeld.

De rechtbank overweegt voorts dat voorop staat dat onder handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ als bedoeld in artikel 341 en 343 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan handelen met het opzet de rechten van de schuldeisers te verkorten. Onder dit opzet is ook het voorwaardelijk opzet begrepen. Hiervoor moet worden vastgesteld of er een aanmerkelijke kans was dat de schuldeisers van de rechtspersoon zouden worden benadeeld en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. Het onvoldoende voeren van een administratie levert niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers op. Anders ligt het zodra de voormalig bestuurder voorafgaand aan het faillissement een katvanger aanstelt, enkel om zijn aansprakelijkheid te ontlopen (Hof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2015, NJFS 2015/204).

Verdachte heeft Toohoe overgedragen aan een katvanger en over het voeren en bewaren van de administratie ten tijde van de aandelenoverdracht geen afspraken gemaakt. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van Toohoe doen ontstaan en aanvaard.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte hierbij nauw en bewust heeft samengewerkt met andere(n). Hij wordt dan ook vrijgesproken van het medeplegen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1, primair:

als (voormalig) bestuurder van een rechtspersoon, te weten Toohoe LTD, die bij vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, locatie Zutphen op 5 februari 2013, in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2014, in Nederland, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van voornoemde rechtspersoon, niet heeft voldaan/laten voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld, immers heeft hij verdachte als (voormalig) bestuurder van voornoemde rechtspersoon

- geen (volledige) (deugdelijke) (bedrijfs)administratie gevoerd, in elk geval de administratie van voornoemde rechtspersoon niet zodanig gevoerd dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van voornoemde rechtspersoon konden worden gekend, en;

- niet de (gehele) administratie van voornoemde rechtspersoon bewaard, en;

- niet de (gehele) administratie van voornoemde rechtspersoon aan de nieuwe bestuurder en (op verzoek van de curator) aan de curator in het faillissement heeft uitgeleverd en/of ter beschikking heeft gesteld;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 5 februari 2013 tot en met 30 april 2014, in Nederland, als (voormalig) bestuurder van de rechtspersoon Toohoe LTD, die bij vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, locatie Zutphen op 5 februari 2013, in staat van faillissement is verklaard, en wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, immers heeft hij niet voldaan aan het verzoek van de, door de rechter aangewezen, curator in dit faillissement om inlichtingen en/of een of meerdere stukken en/of de gehele administratie van Toohoe LTD te verstrekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 primair en feit 2 moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 140 uur. Bij het formuleren van de eis is rekening gehouden met het feit dat verdachte een first offender is en dat het om relatief oude feiten gaat.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte is de afgelopen jaren een moeilijke periode doorgegaan. Hij is zijn gezin en huis kwijtgeraakt en is jaren dakloos geweest. Hij heeft forse schulden waarvoor hij recentelijk is toegelaten tot de schuldsanering. Voornoemde omstandigheden hebben geleid tot psychische problemen en alcoholmisbruik. Daarnaast dient bij het bepalen van de strafmaat rekening te worden gehouden met het feit dat het om een oud feit gaat en dat de redelijke termijn is overschreden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk en hij heeft de inlichtingenplicht geschonden, doordat hij zich niet heeft gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren, te bewaren en over te leggen aan de curator. Door het handelen van verdachte kunnen preferente en concurrente schuldeisers zijn benadeeld. Omdat de vennootschap voor de overdracht al te kampen had met schulden en omdat door een gebrek aan administratie niet meer is vast te stellen hoe hoog de schulden waren en/of welke schulden er nadien zijn bijgekomen en of de vennootschap ook vorderingen had op derden (of op (voormalig) bestuurders), is niet vast te stellen hoe hoog het benadelingsbedrag door het handelen van verdachte exact is geweest. Wat wel vaststaat is dat door het ontbreken van een volledige administratie verdachte de curator de mogelijkheid heeft ontnomen te controleren wat er met het geld en/of vermogen van het bedrijf van verdachte is gebeurd. Verdachte heeft daarmee de schuldeisers in een ongunstige positie gebracht. Het handelen van verdachte heeft geresulteerd in een faillissement zonder enig inzicht in de vermogenspositie van de failliet. Verdachte heeft hiermee blijk gegeven van een lichtzinnige houding ten opzichte van de vermogensbelangen van de schuldeisers. Verder heeft verdachte het met zijn handelen voor de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen.

Uit het strafblad van verdachte van 14 januari 2019 is gebleken dat hij zich in de afgelopen vijf jaar niet heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten en dat hij na het plegen van de onderhavige feiten een keer is veroordeeld voor een Opiumwet-feit.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank ook het tijdsverloop van het strafproces in aanmerking genomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. De redelijke termijn in strafzaken vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de FIOD heeft in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanige handeling te gelden, te meer nu geen sprake was van voorarrest. Wel dient de brief van het Openbaar Ministerie gericht aan verdachte waarin kenbaar is gemaakt dat de officier van justitie voornemens is om te dagvaarden, als zodanig te worden aangemerkt. Deze brief is verzonden binnen de tweejaarstermijn teruggerekend vanaf de datum van de uitspraak in deze zaak, te weten 27 mei 2019, zodat van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is.

Desalniettemin zijn de gepleegde feiten van lang geleden en daarmee zal de rechtbank dan ook rekening houden. Bij het bepalen van de strafmaat is ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. In dit soort zaken worden taakstraffen opgelegd van tussen de 120 uur en 160 uur. Rekening houdend met het tijdsverloop, de rol en ter terechtzitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om een taakstraf op te leggen die wat betreft de duur lager ligt dan de hiervoor genoemde bandbreedte, te weten een taakstraf van 100 uur.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 63, 194 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, primair:

bedrieglijke bankbreuk;

ten aanzien van feit 2:

als bestuurder van een in staat van faillissement verklaarde rechtspersoon wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen weigeren de vereiste inlichtingen te geven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 mei 2019.