Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3727

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
AMS 19/2107
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De sloop van een houten dijkwoning in Noord en de bouw van een nieuwe woning op die plek mag doorgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2107

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2019 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Hop en C.J. ter Borch).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij] en [derde-partij], te [woonplaats] , vergunninghouders

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’, ‘gebruiken van gronden in strijd met ruimtelijke regels’, ‘uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ en ‘slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht’ voor de percelen [locatie] .

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2019. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De vergunninghouder, [derde-partij] , is verschenen. [architect] , de architect van het project, is eveneens verschenen. Ook zijn omwonenden [omwonende 1] en [omwonende 2] verschenen.

Overwegingen

Waar gaat het over in deze zaak?

1. Vergunninghouders zijn eigenaar van de percelen [locatie] . Zij willen daar de bestaande houten dijkwoning slopen en daarvoor in de plaats een nieuwe twee-onder-een-kapwoning bouwen. Zij hebben hiervoor op 19 november 2018 bij verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend bij het bestreden besluit.

2. Verzoeker is het om verschillende redenen niet eens met de verleende omgevingsvergunning.

3. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze procedure of verzoekers bezwaren tegen de omgevingsvergunning kans van slagen hebben en het bestreden besluit om die reden moet worden geschorst zolang de bezwaarprocedure voortduurt.

Uitbreiding in de tuin, bouwhoogte en fietsenberging in strijd met het bestemmingsplan?

4.1.

Verzoeker is het niet eens met de toegestane uitbreiding van de woning in de tuin. Uit de bouwtekening blijkt dat de woning aan de achterkant ruim buiten het bouwvlak uitsteekt en meer dan 50% van het bestaande tuinoppervlak bebouwd zal worden. Verzoeker is het daarnaast niet eens met de toegestane bouwhoogte. Anders dan de andere woningen op de [locatie] zal de woning uit drie verdiepingen bestaan en wordt de kaphoogte verhoogd van zes naar bijna negen meter.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op de percelen [locatie] , voor zover hier van belang, de bestemmingsplannen Kadoelen Oostzanerwerf III, 2e Herziening Kadoelen Oostzanerwerf III en Tuindorp Oostzaan gelden. Op deze percelen gelden, voor zover hier van belang, de bestemmingen Wonen-1, Tuin-1 en Tuin-2.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het project op de door verzoeker aangevochten onderdelen past in de planregels en dus geen strijd oplevert met het bestemmingsplan. Zo is een bouwhoogte van maximaal 9 meter toegestaan.1 Volgens het bouwplan is de bouwhoogte 8,94 meter, en is dit dus toegestaan op grond van de planregels. Verzoekers betoog, dat de extra verdieping ten opzichte van de huidige bouw massaler en de helft hoger uitvalt, treft daarom geen doel. De uitbreiding van de woning aan de achterzijde valt ook binnen de grenzen van de planregels. De grond met bestemming Tuin-1 mag 40% bebouwd worden voor een bijbehorend bouwwerk met een maximale diepte van 2,5 meter en goothoogte van 3 meter en een maximum van 30 vierkante meter.2 Volgens het plan wordt de uitbreiding daar 1,8 meter diep met een hoogte van 2,61 meter. Dat meer dan 50% van het tuinoppervlak wordt bebouwd, zoals verzoeker betoogt, heeft hij niet onderbouwd. Verder wordt op de grond met bestemming Tuin-2 volgens het bouwplan een fietsenberging opgericht van maximaal 9 vierkante meter, zoals is toegestaan op grond van het bestemmingsplan Tuindorp Oostzaan.3

Mocht verweerder de vergunning verlenen in afwijking van het bestemmingsplan?

5.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan en de bijbehorende voorschriften. Zo is toestemming gegeven voor overschrijding van de maximale goothoogte van 36 centimeter aan de zijgevel.4

5.2.

Verweerder heeft de omgevingsvergunning daarom met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend. Dat artikel geeft verweerder de bevoegdheid om een vergunning te verlenen voor gebruik van gronden of bouwwerken dat op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Onder ‘gebruik’ valt ook een afwijking van geldende bouwregels, zoals in dit geval de overschrijding van de maximale goothoogte.

5.3.

Gelet op het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo mag verweerder dus een vergunning verlenen die afwijkt van de ruimtelijke regels die op grond van het bestemmingsplan gelden voor het betreffende terrein. Verzoekers betoog dat de omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan, treft daarom geen doel.

5.4.

Een en ander betekent niet dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning nergens aan gebonden is. Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, komt verweerder immers beleidsruimte toe. Verweerder dient bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij is afgeweken van het bestemmingsplan bijvoorbeeld rekening te houden met de wettelijke eisen, maar ook met de beschermde waarden in het kader van de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht en met eisen van welstand. De rechter toetst of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

5.5.

Op de zitting heeft verzoeker naar voren gebracht dat het project op nog een punt afwijkt van het bestemmingsplan. De dakhelling van het project (65 graden) is namelijk in strijd is met de maximale dakhelling die bij het bestemmingsplan is toegestaan (60 graden).5 Verweerder heeft op de zitting erkend dat hij dit over het hoofd heeft gezien en dat in de bezwaarprocedure zal worden beoordelen of deze overschrijding acceptabel is of niet. De voorzieningenrechter zal zich hierover later in de uitspraak uitlaten.

Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de betrokken kaders?

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan de redelijke eisen van welstand is voldaan.

6.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft het dossier er blijk van dat verweerder met de redelijke eisen van welstand rekening heeft gehouden. In het bestreden besluit is op pagina 8 en 9 het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit overgenomen. Hierin staat dat het bouwplan is getoetst aan de welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam 2016 en dat de commissie op 28 november 2018 na twee aanpassingen akkoord heeft gegeven. Het eerdere bouwplan was niet in lijn met de criteria in de welstandsnota en deed ‘door de massa-opbouw afbreuk aan het straatbeeld.’ De commissie heeft vervolgens onder meer akkoord gegeven omdat in het aangepaste ontwerp de nieuwbouw aansluit bij de bebouwing in het beschermde gezicht door het introduceren van een sterke gootlijn aan de [locatie] op de kenmerkende goothoogte van deze dijk.

6.3.

Uit de motivering van de commissie volgt dat de massaliteit van het project is meegewogen en dat de commissie dit na aanpassing van het project akkoord heeft bevonden. De voorzieningenrechter volgt verzoeker daarom niet in zijn betoog dat het project qua massaliteit niet in lijn is met de welstandsnota. Dat verzoeker het niet eens is met het advies, betekent niet dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Bovendien heeft verzoeker ook niet onderbouwd op welke punten het welstandsadvies onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen.

Heeft verweerder de juiste procedure toegepast?

7.1.

Volgens verzoeker heeft verweerder ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd in plaats van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Omdat eerst een woning wordt gesloopt is geen sprake van een uitbreiding met een bouwdeel, maar van nieuwbouw. De massaliteit, de extra verdieping, en de verhoging van de kaphoogte van zes naar bijna negen meter betreffen daarnaast forse aanpassingen en passen niet bij de typische dijkbebouwing aan de [locatie] . Er kan dan ook niet meer worden gesproken van een uitbreiding van ondergeschikt belang, aldus verzoeker.

7.2.

De voorzieningenrechter oordeelt anders. De wetgever heeft bepaald in welke gevallen de uitgebreide procedure toegepast moet worden. In dit geval betreft de afwijking van het bestemmingsplan de overschrijding van de maximale goothoogte aan de zijgevel van 36 centimeter. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende toegelicht dat deze overschrijding van ondergeschikte aard is, zoals is bedoeld in het Besluit omgevingsrecht (het Bor)6. Verweerder hoefde dan ook niet de uitgebreide voorbereidingsprocedure toe te passen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker het project op zichzelf een groot project vindt, waar veel zal worden verbouwd, maar dat betekent niet dat daardoor geen sprake meer is van een uitbreiding van ondergeschikte aard in de zin van het Bor. Gelet op het voorgaande heeft verweerder dan ook terecht de reguliere voorbereidingsprocedure toegepast.

Moest verweerder voorwaarden aan de vergunning verbinden in verband met mogelijke schade aan de zijde van verzoeker?

8. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen voorwaarden aan de vergunning te verbinden om eventuele schade aan zijn woning te voorkomen of beperken. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. Verweerder is slechts bevoegd te beslissen op de aanvraag en daaraan voorschriften te verbinden voor zover die een bestuursrechtelijke grondslag hebben. Voorschriften met betrekking tot het beperken van schade voor verzoeker vallen hier niet onder; verweerder heeft op de zitting terecht opgemerkt dat dit een privaatrechtelijk belang is. Verzoeker dient dit op te nemen met de vergunninghouders. Op de zitting is gebleken dat zij openstaan voor een gesprek met verzoeker over het gebruik van sloop- en bouwmethoden en voor het vinden van een oplossing, mocht er toch schade aan verzoekers woning ontstaan.

Moest verweerder verzoekers belangen met betrekking tot lichtinval en privacy meewegen?

9. Voor de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan, is van belang of hij alle daarbij betrokken belangen voldoende heeft afgewogen. Deze belangen van verzoeker, namelijk lichtinval en privacy, heeft verweerder niet kenbaar in het bestreden besluit betrokken. Verweerder heeft slechts gesteld dat het een privaatrechtelijk belang betreft. Dit betekent dat verweerder verzoekers gestelde belang op deze punten alsnog kenbaar moet meewegen in de bezwaarprocedure en in de beslissing op bezwaar.

Conclusie

10. Gelet op wat is overwogen in rechtsoverwegingen 5.5 en 9 zal verweerder zal in bezwaar dus nog een nader standpunt moeten innemen over de dakhelling en de belangenafweging ten aanzien van de lichtinval en privacy kenbaar moeten betrekken in de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter ziet hierin op dit moment evenwel onvoldoende aanknopingspunten om een voorziening te treffen. Van belang daarvoor is met name dat het standpunt ten aanzien van de dakhelling slechts ziet op een overschrijding van vijf graden. Aannemelijk is daarnaast dat de vergunninghouders hun werkzaamheden zullen starten met de sloop van het bestaande pand en de fundering. Het dak zal naar alle waarschijnlijk dan ook pas later worden verbouwd. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat tegen de tijd dat het dak onder handen wordt genomen, duidelijk is of het dak in zijn huidige vorm vergund kan worden of eventueel aangepast zal moeten worden. Hetzelfde geldt voor de belangenafweging ten aanzien van de lichtinval en privacy. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Dit betekent dat vergunninghouders mogen aanvangen met de uitvoer van het project gedurende de bezwaarprocedure.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Journée, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie verbeelding bestemmingsplan Kadoelen Oostzanerwerf III op ruimtelijkeplannen.nl.

2 Artikel 22.2.2, sub a, c en d, van het bestemmingsplan Kadoelen Oostzanerwerf III.

3 Artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van het bestemmingsplan Tuindorp Oostzaan.

4 Artikel 28.2.2, sub c, van het bestemmingsplan Kadoelen Oostzenerwerf III.

5 Artikel 28.2.2, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan Kadoelen Oostzanerwerf III.

6 Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2 van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.7 en artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Bor.