Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3720

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
13/730099-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen voorhanden hebben harddrugs en witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/730099-15

Datum uitspraak: 15 maart 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [woonplaats]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.J. Cnossen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Bouchikhi, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich samen met een ander of anderen op of omstreeks 18 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan

1.

  • -

    Het aanwezig hebben van 62,2 gram cocaïne aangetroffen in een personenauto (Peugeot, kenteken [kenteken 1] ).

  • -

    Het aanwezig hebben van 581 gram cocaïne, aangetroffen in een tas in een personenauto (Citroën C3, kenteken [kenteken 2] ) in Amsterdam.

  • -

    Het aanwezig hebben van 149 gram cocaïne, aangetroffen in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam.

2.

Voorbereidingshandelingen tot het vervaardigen van harddrugs.

3.

  • -

    Het witwassen van € 295.000,-, aangetroffen in een personenauto (Citroen C3, kenteken [kenteken 2] ) in Amsterdam.

  • -

    Het witwassen van € 20.000,-, aangetroffen in de woning aan de [adres 3] te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van 581 gram cocaïne en het witwassen van € 295.000,-.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het in vereniging voorhanden hebben van 62,2 gram cocaïne aangetroffen in de Peugeot, de voorbereidingshandelingen zoals ten laste gelegd onder feit 2 en het voorhanden hebben van de 149 gram cocaïne die is aangetroffen in de woning aan de [adres 2] . Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier kan de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Ten aanzien van het witwassen van een geldbedrag van € 20.000,-, dat is aangetroffen in de woning aan de [adres 3] te Amsterdam, heeft de officier van justitie tevens vrijspraak gevorderd. Op basis van het dossier kan de betrokkenheid van verdachte bij dit feit niet worden vastgesteld, nu hij op geen enkele wijze gekoppeld kan worden aan de woning aan de [adres 3] .

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit voor alle ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De raadsman heeft gesteld dat ten aanzien van het aantreffen van de tas met € 295.000,- en 581 gram cocaïne verdachte heeft verklaard dat hij niet wist wat er in de tas zat, omdat hij er niet in heeft gekeken. Er zijn geen dactyloscopische sporen van verdachte op het geld of de cocaïne aangetroffen en er is op geen enkele wijze waargenomen dat verdachte de inhoud van de tas heeft bekeken. Bovendien is onbekend of de tas open of gesloten was toen de politie de tas in de auto aantrof. Ook uit de tapgesprekken kan niet worden geconcludeerd dat verdachte wetenschap had van de daadwerkelijke inhoud van de tas. De raadsman heeft verder gewezen op, onder andere, jurisprudentie van het Gerechtshof ’s-Gravenhage.1 Uit dit arrest volgt, kort gezegd, dat door het enkel aannemen van een pakket met heroïne, niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van het pakket en dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er verboden goederen in dat pakket zaten.

Op basis van het dossier in deze zaak kan ook niet worden geconcludeerd dat verdachte op enig moment voorafgaand aan dan wel ten tijde van het voorhanden hebben van de tas wetenschap had van de inhoud van deze tas. Ook kan niet worden vastgesteld dat, wat de rol van verdachte ook was, hij door de tas in ontvangst te nemen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tas verboden goederen zou bevatten. Verdachte heeft geen opzet dan wel voorwaardelijke opzet gehad op het voorhanden hebben van cocaïne of het witwassen van geld. Hieruit volgt dat ook voor het medeplegen van deze feiten geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte acht de rechtbank niet bewezen hetgeen onder feit 2 is ten laste gelegd. Ook het in vereniging voorhanden hebben van 62,2 gram en 149 gram cocaïne en het witwassen van een geldbedrag van € 20.000,- vindt de rechtbank niet bewezen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten vast te kunnen stellen zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van 581 gram (van een materiaal bevattende) cocaïne die op 19 november 2015 bij verdachte is aangetroffen in een tas in een auto van het merk Citroën C3 met kenteken [kenteken 2] en dat verdachte op diezelfde datum een geldbedrag van € 295.000,-, aangetroffen in diezelfde tas, heeft witgewassen.

Verdachte heeft ontkend dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne en het geld in de tas die bij hem is aangetroffen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij iets voor zijn broer heeft gedaan zonder verder vragen te stellen, dat hij niet specifiek heeft gevraagd waar het om ging en dat zijn broer [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) zich zorgde maakte om zijn auto die hij had uitgeleend. De rechtbank acht dat ongeloofwaardig gelet op de gesprekken die verdachte voorafgaand aan de vondst van de tas met de cocaïne en het geld, voerde met zijn broer [medeverdachte] . Uit deze gesprekken, die door de politie zijn getapt, blijkt op geen enkele wijze dat [medeverdachte] zich zorgen maakte om zijn auto.

Uit deze gesprekken blijkt dat verdachte in de nacht van 19 november 2015 gebeld wordt door [medeverdachte] . [medeverdachte] is op zoek naar vermoedelijk [persoon 1] en kan hem niet vinden. Uit het dossier volgt dat deze [persoon 1] op 18 november 2015 op heterdaad is aangehouden terwijl hij vanuit een auto (Peugeot) die op naam van [medeverdachte] staat in harddrugs dealde. [medeverdachte] is in paniek en zegt tegen verdachte dat hij niet te veel moet vragen.

Om 15.14 uur die dag, 19 november 2015, wordt in de omgeving van het [adres 4] en de [adres 3] op beelden afkomstig van een toezichtscamera een man geobserveerd die sterke gelijkenissen vertoont met [medeverdachte] , die een tas bij zich draagt die zeer sterke gelijkenissen vertoont met de tas die later die dag bij verdachte is aangetroffen en waar 581 gram cocaïne en € 295.000,- in zat.

Om 15.09 uur is er contact tussen de broers. [medeverdachte] zegt dat hij iets heeft opgehaald en dat hij dat moet wegdoen. Hij wil niet teveel praten. Om 15.39 uur zegt [medeverdachte] tegen verdachte dat hij ‘die shit heeft gewaaid’. Verdachte zegt dat hij eraan komt. De broers spreken af op de Bos en Lommerweg. [medeverdachte] zegt tegen verdachte dat hij bij de witte kerk moet gaan staan. Om 15.53.51 uur is er weer contact en zegt [medeverdachte] tegen verdachte dat hij de grote weg moet nemen, dat hij geen telefoon mag gebruiken en dat hij voorzichtig moet doen.

Gelet op de tapgesprekken en het kort daarna aantreffen van de tas met cocaïne en het geld bij verdachte komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte door de tas van zijn broer aan- en mee te nemen wellicht niet exact heeft geweten van de inhoud van de tas, maar wel willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de tas iets crimineels bevatte. Uit de schimmige gesprekken tussen de broers komt zonder meer naar voren dat het om iets crimineels gaat. Verdachte neemt de tas van zijn broer over en rijdt er mee weg in een auto, waarmee hij de tas met inhoud in zijn beschikkingsmacht heeft gebracht.

Gelet op wat hierboven is overwogen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank tenminste voorwaardelijke opzet gehad op het voorhanden hebben van de 581 gram cocaïne en het witwassen van de € 295.000,- en is er sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn broer. Ten aanzien van het door de raadsman aangehaalde arrest overweegt de rechtbank dat de onderhavige zaak verschilt van die zaak, nu in de onderhavige zaak niet alleen sprake is van het aannemen van een tas, maar tevens van de tapgesprekken zoals hierboven besproken.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

omstreeks 18 november 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 581 gram van een materiaal bevattende cocaïne, in een plastic tas in een personenauto van het merk Citroen C3 met kenteken [kenteken 2] ;

ten aanzien van feit 3:

hij op 19 november 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een contant geldbedrag, te weten 295.000 euro, aangetroffen in een personenauto merk Citroën C3 met kenteken [kenteken 2] voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 97 dagen met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en geen aanvullend strafmaatverweer gevoerd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander (zijn broer) schuldig gemaakt aan het witwassen van € 295,000,- en het bezit van 581 gram (van een materiaal bevattende) cocaïne.

Witwassen is een ernstig misdrijf waardoor de inkomsten uit misdrijven in het legale betalingsverkeer worden gebracht. Dit is een gevaar voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Bovendien worden deze inkomsten daarmee aan het zicht van justitie onttrokken. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen cocaïne moet aangenomen worden dat deze bestemd waren voor de handel. Dergelijke harddrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid en de handel erin leidt tot veel criminaliteit en overlast, mede gezien de grote financiële belangen die met de handel in verdovende middelen zijn gemoeid. In dit soort zaken waar het gaat om dergelijke grote geldbedragen en hoeveelheden harddrugs wordt, mede gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS, door rechters doorgaans dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.


De rechtbank heeft op het strafblad van verdachte gezien dat hij in het verleden eenmaal eerder is veroordeeld voor een Opiumwetdelict maar dat er na de feiten in deze zaak geen contacten meer met politie- en justitie zijn geweest. De rechtbank zal hier, in het voordeel van verdachte, rekening mee houden bij het opleggen van de straf.

De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In een zaak als onderhavige geldt immers als uitgangspunt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. In de onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten 19 november 2015. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 15 maart 2019 – ligt een periode die de redelijke termijn met bijna zestien maanden overschrijdt. Dit tijdsverloop is niet aan de verdediging toe te rekenen, terwijl het ook niet kan worden gerechtvaardigd door bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak. De rechtbank zal dan ook rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn en een iets lagere straf als uitgangspunt nemen dan de straffen die in de oriëntatiepunten van het LOVS worden genoemd voor fraude en het aanwezig hebben van harddrugs in de omvang zoals bewezen verklaard.

De rechtbank vindt dat gelet op de ernst van de feiten een aanzienlijke straf moet volgen. Anders dan door de officier van justitie geëist zal de rechtbank daarom aan verdachte een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest opleggen. De rechtbank vindt dat verdachte daarnaast ook een taakstraf moet verrichten voor de duur van 120 uur. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat verdachte een kleinere rol in het geheel heeft gehad dan zijn broer [medeverdachte] en dat hij daarom niet meer terug hoeft naar de gevangenis. De persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals de zorg voor zijn vader en hetgeen verder is besproken ter terechtzitting, maken niet dat de rechtbank vindt dat een lagere straf moet worden opgelegd.

8 Beslag

8.1

Verbeurdverklaring

Nu het feit is begaan met betrekking tot het geldbedrag van € 295.000,-– en niet kan worden vastgesteld aan wie het toebehoorde, , wordt dit geld verbeurdverklaard.

8.2

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 2 weegschalen en een nephorloge, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen een strafbaar feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8.3

Retour aan beslagene

De in beslag genomen Apple telefoon en een geldbedrag van € 395,- kan aan verdachte geretourneerd worden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.

Verklaart verbeurd:

5088704 € 75.000,-

5088705 € 75.000,-

5088700 € 70.000,-

5088703 € 75.000,-

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

5086851 Horloge

5086947 Weegschaal

5086950 Weegschaal

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

5086850 € 395,-

5086965 Telefoon Apple

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 maart 2019.

1 ECLI:NL:GHSGR:2011:BR5078