Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3717

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
27-05-2019
Zaaknummer
13/155704-18 en 13/144417-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(woning)overval en mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13-155704-18 (zaak A) en 13-144416-17 (zaak B (gev.ttz) (Promis)

Datum uitspraak: 7 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [Geboorteland] ) op [Geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het postadres

[BRP-adres] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 april 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. I. Raterman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich op

  • -

    22 maart 2018 in Amsterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een gewelddadige (woning)overval, mishandeling en bedreiging van [naam 1] (Zaak A);

  • -

    en dat hij op 4 juli 2017 in Amsterdam zijn toenmalige vriendin, [naam 2] , heeft mishandeld door haar te slaan in haar gezicht (Zaak B).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle primair ten laste gelegde feiten in zaak A en de mishandeling door verdachte in zaak B.

De officier van justitie heeft gesteld dat ten aanzien van zaak A de aangifte van [naam 1] wordt ondersteund door de letselverklaring en de verklaring van de verbalisanten dat zij letsel bij [naam 1] zien. Verder bevestigt getuige [naam getuige] de aangifte op belangrijke punten. Zo heeft [naam getuige] de specifieke aanleiding van het incident beschreven, hetgeen overeenkomt met wat [naam 1] daarover heeft verklaard, verklaart hij te hebben geluisterd naar wat er gebeurde nadat de jongens bij [naam 1] hadden aangeklopt, dat hij klappen heeft gehoord en dat hij heeft gezien dat verdachte en twee anderen spullen meenamen uit de kamer van [naam 1] . Verdachte heeft daarna tegen [naam getuige] gezegd dat hij respect bij [naam 1] wilde afdwingen en dat ze [naam 1] gepakt en geslagen hebben. Verder blijkt de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde uit de tapgesprekken tussen verdachte en [naam getuige] , waarin verdachte het heeft over een tori en dat [naam getuige] daarover gesnitcht zou hebben. Verder blijkt uit de tapgesprekken van [naam getuige] met anderen dat verdachte [naam getuige] de schuld wil geven van de ten laste gelegde feiten.

De officier van justitie vindt op basis van het dossier ook bewezen dat verdachte de feiten in zaak A heeft gepleegd in een nauwe en bewuste samenwerking met twee anderen. Verdachte heeft de anderen erbij gehaald en was gedurende de gehele overval in de kamer van [naam 1] aanwezig en heeft niet ingegrepen. Ter zake van het tweede feit, de mishandeling, vindt de officier van justitie verder voldoende bewijs aanwezig voor de tenlastegelegde voorbedachte rade nu uit de stukken is gebleken dat verdachte een vooropgezet plan had om [naam 1] iets aan te doen en hij voldoende de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit voor alle ten laste gelegde feiten in zaak A vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De raadsvrouw heeft allereerst aangevoerd dat het dossier geen aanknopingspunten biedt die zien op een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de andere twee jongens bij de gewelddadige overval van [naam 1] . Uit de aangifte van [naam 1] blijkt dat verdachte bij het geweldsincident aanwezig was, maar er enkel met een wit gezicht bij stond en keek naar wat de andere twee jongens deden. [naam 1] heeft niet verklaard dat verdachte deelnam aan het geweld. Een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de mishandeling van [naam 1] kan daarom ook niet worden vastgesteld.

Uit de aangifte en de overige stukken in het dossier blijkt verder niet dat verdachte spullen van [naam 1] heeft meegenomen. Tevens was verdachte niet in het bezit van een vuurwapen nu uit de aangifte blijkt dat één van de twee andere jongens aangever met het vuurwapen heeft bedreigd. Van de bedreigende woorden die tegen [naam 1] zijn geuit kan niet worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die deze woorden heeft gezegd.

Aan de hand van het dossier kan verder niet worden vastgesteld dat verdachte door gebruik van een uitlokkingsmiddel de twee onbekend gebleven jongens heeft uitgelokt om [naam 1] te overvallen, te mishandelen en bedreigen. Het dossier biedt hiertoe geen enkel aanknopingspunt nu er geen informatie beschikbaar is over contact tussen verdachte en de andere jongens en de identiteit van die andere twee jongens bovendien onbekend is gebleven. Het telefoneren van verdachte, zoals verklaard door getuige [naam getuige] , dat vlak voordat het incident heeft plaatsgevonden, is niet voldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte gebeld heeft met de twee jongens die bij het incident betrokken zijn geweest. Er is geen ander objectief bewijs dat er een band tussen verdachte en de overvallers bestaat. Dat er sprake is van de uitlokkingsgedragingen door verdachte zoals opgenomen in de tenlastelegging kan op basis van het dossier dan ook niet worden vastgesteld. Ook het enkele aanwijzen van de deur van de kamer van [naam 1] is hiervoor onvoldoende.

Ten aanzien van de ten laste gelegde medeplichtigheid van verdachte bij de overval heeft de raadsvrouw gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet heeft gehad op de overval. Het openen van de voordeur en het aanwijzen van de deur van de kamer van [naam 1] biedt hiertoe onvoldoende bewijs. Verdachte wist niet wat de andere twee jongens gingen doen in de kamer van [naam 1] en op basis van het dossier kan niet worden geconcludeerd dat verdachte dit wel wist.

De voorbedachte raad ten aanzien van de mishandeling van [naam 1] kan uit het enkele feit dat verdachte en [naam 1] eerder die dag een woordenwisseling hebben gehad niet worden afgeleid. Niet duidelijk is wat zich die ochtend precies heeft afgespeeld en wat de rol van verdachte hierbij is geweest. Op basis van het dossier en gelet op het beoordelingskader van de Hoge Raad ten aanzien van bewezenverklaring van voorbedachte raad kan daarom niet worden aangenomen dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van zaak B, de mishandeling, geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Zaak A

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot het tenlastegelegde het volgende af.

Aangever [naam 1] is op 22 maart 2018 de hoofdbewoner van de woning aan de [adres] te Amsterdam. Hij houdt toezicht op een aantal jonge mannen die daar begeleid wonen, waaronder getuige [naam getuige] . Op 22 maart 2018 hebben verdachte en [naam 1] in de middag ruzie met elkaar gehad over het gebruik van het toilet door verdachte. Zowel [naam 1] , [naam getuige] als verdachte hebben hierover verklaard. Na de ruzie tussen verdachte en [naam 1] verlaat verdachte de woning en zegt tegen [naam 1] dat hij later met vrienden terug zal komen en dat zij [naam 1] een lesje zullen leren.

Die avond wordt er rond kwart over tien op de deur van de kamer van [naam 1] gebonkt. Als [naam 1] de deur opent stormen er drie jongens naar binnen. [naam 1] herkent verdachte als één van deze jongens en ziet dat één van de andere twee jongens (verder: NN1 en NN2) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (verder: vuurwapen) bij zich heeft. Het vuurwapen wordt door NN2 op [naam 1] gericht, NN2 roept daarbij dat ‘hij [naam 1] gaat knallen’ en [naam 1] wordt door NN2 met het vuurwapen in zijn gezicht en op zijn hoofd geslagen. Als [naam 1] op de grond ligt wordt hij verschillende malen geschopt tegen zijn lichaam door NN1 en NN2. Verdachte is tijdens het plegen van dit geweld tegen [naam 1] de gehele tijd in de kamer aanwezig en kijkt naar [naam 1] . Er wordt een deken over [naam 1] heen gegooid en [naam 1] hoort dat door één van de jongens geroepen wordt dat dit de consequenties zijn van wat er zich vandaag heeft afgespeeld tussen hem en verdachte. De drie jongens verlaten vervolgens de kamer van [naam 1] en nemen diverse spullen weg waarbij gezegd wordt dat als [naam 1] de politie belt, ze hem zullen schieten en dat wanneer hij nog een keer de verkeerde pakt dat hij door zijn knieschijven geschoten zal worden.

[naam getuige] ziet verdachte die avond op 22 maart 2018 in de woning en ziet dat hij met twee vrienden naar de kamer van [naam 1] loopt. [naam getuige] hoort vervolgens dat er klappen worden gegeven en ziet dat verdachte samen met de twee andere jongens met een televisie, een Playstation en een jas de woning verlaat. Verdachte heeft, volgens de verklaring van [naam getuige] , later tegen [naam getuige] verteld dat ze [naam 1] gepakt en geslagen hebben omdat hij zijn respect moest afdwingen.

Verdachte en [naam getuige] zijn tijdens het politieonderzoek in deze zaak allebei aangemerkt als verdachte. Nadat zij na hun aanhouding zijn heengezonden zijn hun telefoons door de politie afgeluisterd. Uit deze afgeluisterde gesprekken blijkt dat verdachte geconfronteerd is met de verklaring van [naam getuige] tijdens zijn verhoor bij de politie. Verdachte zegt tegen [naam getuige] dat hij hem gesnitcht heeft en dat [naam getuige] nu een getuige is voor [naam 1] . Verdachte vraagt [naam getuige] waarom hij zich niet aan het plan heeft gehouden en zegt tegen hem dat hij had moeten zeggen dat hij toen niet in de woning aanwezig is geweest. Verdachte zegt ook dat hij de politie op een onjuist spoor heeft gezet door te verklaren dat de twee jongens die in de woning kwamen een Turk en een negroïde jongen waren die hij kent uit Amsterdam Noord.

Uit het verhoor van verdachte op 23 mei 2018 blijkt dat verdachte inderdaad heeft verklaard dat de jongens die aan de deur kwamen op 22 maart 2018 een Turks en een negroïde uiterlijk hadden. Op 24 mei 2018 verklaart verdachte tegen de politie dat hij denkt dat de jongens uit Amsterdam Noord komen omdat hij de negroïde jongen daar eerder gezien denkt te hebben. Verdachte heeft ter terechtzitting herhaald dat hij denkt dat hij de negroïde jongen kent uit Amsterdam Noord.

[naam getuige] is tijdens zijn verhoor bij de politie geconfronteerd met de verklaring van verdachte waarin verdachte de schuld van het geweldsincident op 22 maart 2018 bij [naam getuige] neerlegt. Uit de tapgesprekken die zijn opgenomen direct na de vrijlating van [naam getuige] blijkt dat [naam getuige] tegen verschillende mensen heeft gezegd dat verdachte hem de schuld wil geven van wat er op 22 maart 2018 met [naam 1] is gebeurd. Zo zegt [naam getuige] op 25 mei 2018 tegen een onbekend gebleven persoon, onder andere, dat verdachte [naam getuige] gewoon de schuld wil geven van die tori die hij had gezet maar dat hij, [naam getuige] , de waarheid bij de politie heeft gesproken en verklaard heeft dat hij tijdens het incident op 22 maart 2018 in de woning aanwezig was.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat de overval, de mishandeling en de bedreiging van [naam 1] tezamen en in vereniging is gepleegd.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het juist [naam getuige] is geweest die de twee andere jongens heeft gebeld waarna die zijn gekomen en de overval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft ook verklaard dat hij slechts de kamerdeur van [naam 1] heeft aangewezen aan de twee jongens die in de woning waren gekomen en dat hij weg is gegaan nadat de eerste klap was gegeven. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dacht dat de twee jongens rappers waren omdat er wel vaker rappers in de woning op bezoek kwamen en toen hij zag dat [naam 1] een klap kreeg dacht dat [naam 1] misschien problemen had om drugs. Verdachte heeft tevens verklaard dat de verklaring van [naam getuige] waarin hij verdachte noemt als dader afgelegd is om zo zijn eigen hachje te redden en daarmee te voorkomen dat hij zijn kamer kwijt zou raken.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank er echter van uit dat het verdachte is geweest die het initiatief heeft genomen tot het plegen van de ten laste gelegde feiten. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de rol van verdachte bij de ten laste gelegde feiten substantieel genoeg en van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. Verdachte heeft aangekondigd dat hij [naam 1] een lesje zou leren, heeft twee jongens gebeld en met hen [naam 1] opgezocht. Hij is met de jongens de kamer van [naam 1] binnengestormd en heeft met de twee jongens met spullen van [naam 1] de woning weer verlaten. De rechtbank acht daarom het medeplegen ten aanzien van de overval, de mishandeling en de bedreiging van [naam 1] , zoals primair ten laste gelegd, bewezen. De verschillende verklaringen die verdachte heeft afgelegd omtrent zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde legt de rechtbank naast zich neer. Deze worden namelijk weersproken door de overige inhoud van het dossier, in het bijzonder de aangifte, de verklaring van [naam getuige] en de inhoud van de tapgesprekken tussen verdachte en [naam getuige] . Daarbij komt nog dat de rechtbank niet goed begrijpt waarom [naam getuige] belastend zou moeten verklaren over verdachte om ‘zijn hachje’ te redden, zoals verdachte heeft betoogd. De rechtbank wijst in dit verband op de tapgesprekken van [naam getuige] waarin hij zegt dat verdachte hem de schuld probeert te geven. De rechtbank begrijpt dat [naam getuige] voor wat betreft zijn kamer in de problemen had kunnen komen, maar dit verklaart nog niet waarom [naam getuige] een vriend onterecht zou beschuldigen. [naam getuige] had het verhaal van verdachte immers ook kunnen bevestigen.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad in ieder geval vast moet komen te staan, dat het handelen van verdachte het gevolg is van een voorgenomen besluit en dat hij tussen het nemen van dit besluit en de uitvoering daarvan voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, en niet gehandeld heeft in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling

Verdachte heeft in de middag van 22 maart 2018 ruzie gehad met [naam 1] en tegen [naam 1] gezegd dat hij later terug zou komen met vrienden om hem een lesje te leren. Dit voornemen heeft hij ook daadwerkelijk tot uitvoering gebracht. Hij heeft twee anderen benaderd waarmee hij vervolgens in de avond is teruggegaan naar de woning, waarna hij met deze twee anderen de kamer van [naam 1] is binnengestormd en hij [naam 1] met deze anderen heeft overvallen, mishandeld en bedreigd. Daarbij wordt tegen [naam 1] gezegd dat dit de consequenties zijn van wat er zich die middag heeft afgespeeld tussen [naam 1] en verdachte. Verdachte heeft bovendien tegen [naam getuige] gezegd dat hij op deze manier respect van [naam 1] wilde afdwingen.

De wijze waarop verdachte heeft gehandeld wijst erop dat verdachte op 22 maart 2018 een vooropgezet plan heeft gehad en hij ook voldoende gelegenheid had om zich te beraden op zijn acties. Gelet op het tijdsverloop die dag tussen de ruzie van [naam 1] en verdachte in de middag en het moment dat verdachte samen met twee anderen de kamer van [naam 1] binnenstormde is er geen sprake geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en vindt daarmee de mishandeling met voorbedachte raad van [naam 1] bewezen.

Zaak B

De rechtbank vindt, op basis van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen en de (deels) bekennende verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte zijn toenmalige vriendin [naam 2] op 4 juli 2017 heeft mishandeld door haar meerdere malen met de vlakke hand tegen haar gezicht te slaan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak A onder 1 primair:

op 22 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een laptop en een tv en een jas en een gouden ketting en een gouden ring en een geldbedrag (van ongeveer 120,- euro) en een Playstation en een rugtas en parfum en een horloge, dat toebehoorde aan [naam 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te en het bezit van het gestolene te verzekeren, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan [naam 1] te tonen en te houden in de richting van [naam 1] en meermalen met kracht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te slaan tegen het gezicht en hoofd van

[naam 1] en meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam van [naam 1] , ook toen [naam 1] weerloos op de grond lag en meermalen om de telefoon te vragen van [naam 1] en een deken over [naam 1] te gooien en tegen [naam 1] te zeggen dat als hij, [naam 1] , de politie

zou bellen dat ze hem dan zouden schieten en dat als hij nog één keer de verkeerde zou pakken dat ze hem dan door zijn knieschijven zouden schieten;

ten aanzien van zaak A onder 2 primair:

hij op 22 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met

voorbedachten rade [naam 1] heeft mishandeld door meermalen met kracht met een vuurwapen gelijkend voorwerp te slaan tegen het gezicht en hoofd van [naam 1] en meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam van [naam 1] , ook toen voornoemde [naam 1]

weerloos op de grond lag;

ten aanzien van zaak A onder 3 primair:

hij op 22 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp aan [naam 1] te tonen en te houden in de richting van [naam 1] en tegen [naam 1] te zeggen dat als hij, [naam 1] , de politie zou bellen dat ze hem dan zouden schieten en dat als hij nog één keer de verkeerde zou pakken dat ze hem dan door zijn knieschijven zouden schieten.

ten aanzien van zaak B:

op 4 juli 2017 te Amsterdam, [naam 2] heeft mishandeld door meermalen te slaan tegen het gezicht van [naam 2] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan deze straf gekoppeld worden de bijzondere voorwaarden zoals vermeld door de reclassering in de e-mail van 24 april 2019. Dit betreft een meldplicht, ambulante behandeling, begeleiding door Streetcornerwork en meewerken aan een zinvolle dagbesteding.

6.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, eventueel in combinatie met een taakstraf en daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woningoverval, een mishandeling en bedreiging waarvan [naam 1] het slachtoffer is geworden. Verdachte heeft in 2017 ook zijn toenmalige vriendin, [naam 2] , mishandeld door haar in haar gezicht te slaan.

Door zijn vriendin te mishandelen heeft verdachte de persoonlijke en lichamelijke integriteit van [naam 2] geschonden. Juist doordat de mishandeling binnen een liefdesrelatie heeft plaatsgevonden heeft verdachte daarmee een voor [naam 2] onveilige situatie gecreëerd.

Het slachtoffer [naam 1] is overvallen in de beslotenheid van zijn kamer in een woning waar hij als hoofdbewoner woonde. Hij woonde daar samen met personen die psychische problemen hadden en/of begeleiding na een detentieperiode nodig hadden en die hij, als groepsleider, begeleidde. Het slachtoffer is mishandeld en bedreigd en eigendommen van aanzienlijke waarde zijn door verdachte en zijn mededaders weggenomen. Een woning, of in dit geval een eigen kamer, zijn bij uitstek plaatsen waar men zich thuis en veilig moet kunnen voelen. Door het handelen van verdachte en zijn mededaders zijn deze zekerheden op onaanvaardbare wijze aangetast.

Het gebeuren heeft een enorme impact gehad op het slachtoffer zoals ook blijkt uit zijn slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen. Hieruit blijkt dat het slachtoffer zich lange tijd niet meer veilig heeft gevoeld en dat hij als persoon van spontaan naar stil, teruggetrokken en angstig is gegaan. Doordat het incident zich heeft afgespeeld in zijn eigen huis is zijn gevoel van veiligheid weggenomen. Het slachtoffer heeft de woning ook direct verlaten en is bij zijn vriendin ingetrokken. Doordat één van de daders een (op een vuurwapen gelijkend) wapen had heeft het slachtoffer gevreesd voor zijn leven. Het slachtoffer is na het incident maandenlang het huis niet uit geweest, kon niet slapen en kreeg last van paniekaanvallen. Bij het slachtoffer is een posttraumatische stress stoornis vastgesteld waarvoor hij EDMR therapie heeft gevolgd. De raadsvrouw van het slachtoffer, mr. Van Bunnik heeft ter terechtzitting meegedeeld dat het door de EMDR therapie inmiddels beter gaat met het slachtoffer. Hij heeft ook zijn studie weer opgepakt die hij na het gebeuren niet meer kon afmaken.

Over de persoon van verdachte is door de reclassering op 18 februari 2019 een rapport opgemaakt. In het rapport is vermeld dat er aanwijzingen zijn voor een negatief sociaal netwerk en dat ook het ontbreken van een vaste woon- en verblijfplaats een indirecte relatie met delict gedrag heeft. Verder is beschreven dat verdachte vanuit de top 400 aanpak wordt begeleid en dat er contact is met Streetcornerwork, waarmee positieve ontwikkelingen op het vlak van schuldhulpverlening en huisvesting in gang zijn gezet. Dit laatste is door verdachte ter terechtzitting echter ontkend.

In eerste instantie heeft de reclassering geadviseerd geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

Bij e-mail van 24 april 2019 van L.F. Visser, rapporteur van de reclassering Nederland, heeft de reclassering echter laten weten dat zij naar aanleiding van een overleg met de casusregisseur van verdachte, de heer J. van der Terp, nu een ander strafadvies passend vindt. De reclassering is van mening dat een verplicht kader mogelijk een meerwaarde kan hebben om verdachte te bewegen tot veranderingen in zijn leven ten aanzien van het op orde brengen van zijn financiën, het verkrijgen van een stabiele woonsituatie, verbetering van psychisch functioneren en delict preventie. De reclassering adviseert aan verdachte een meldplicht, ambulante forensische behandeling, meewerken aan begeleiding vanuit Streetcornerwork en een zinvolle dagbesteding op te leggen.

Uit het strafblad van verdachte blijkt daarbij dat hij eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Uit de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) volgt dat voor een woningoverval zonder dat er sprake is van recidive een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 (drie) jaar wordt opgelegd. Deze straf kan oplopen als er sprake is van kwetsbare slachtoffers, schade, letsel, samenwerkingsverband, professionele werkwijze, recidive en het soort wapen/voorwerp dat wordt gebruikt.

In deze zaak heeft verdachte samen met anderen [naam 1] overvallen in zijn woning waarbij hij is mishandeld en waardoor hij lichamelijk (en psychisch) letsel heeft opgelopen. Aan [naam 1] is een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en daarmee is [naam 1] ook geslagen. Dit zijn zeer ernstige feiten. De rechtbank heeft een verdachte voor zich gezien die geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en er geen blijk van heeft gegeven de ernst en de gevolgen daarvan te overzien.

De rechtbank vindt dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van de bewezen geachte feiten. De rechtbank zal - evenals de officier van justitie heeft gedaan - bij het bepalen van de straf wel rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte. De rechtbank ziet hierin aanleiding om in het voordeel van verdachte af te wijken van het LOVS oriëntatiepunt.

Gelet op de zeer ernstige feiten en al hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden opleggen waarvan 6 maanden voorwaardelijk nu dit passend en geboden wordt geacht. De rechtbank zal daarbij bepalen dat verdachte onder toezicht van de reclassering komt overeenkomstig het advies van de reclassering, om hem te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten, en om hem in zijn toekomstige leven op weg te helpen. Voor een verdere afwijking van de straf naar beneden ten opzichte van het eigen oriëntatiepunt ziet de rechtbank geen aanleiding, te minder nu het in vereniging plegen en het toegepaste geweld juist als strafverzwarend zijn aan te merken.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 3.419,44 aan materiële-schadevergoeding en

€ 5.000,00 aan immateriële-schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 primair, bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De officier van justitie vindt, gelet op de onderbouwing, de vordering in zijn geheel toewijsbaar.

De vordering is door de raadsvrouw betwist ten aanzien van kosten voor de Playstation en de computerspellen (€ 687,-) en de gouden Cartier ketting (€ 3.950,-). De onderbouwing voor deze onderdelen zijn volgens de raadsvrouw onduidelijk en daarmee onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële-schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 3.419,44 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank vindt, gelet op de onderliggende stukken, de vordering voldoende onderbouwd, ook ten aanzien van de Playstation, de computerspellen en de gouden Cartier ketting.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.419,44, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 285, 300, 301, 312, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of anderen de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren;

ten aanzien van zaak A feit 2 primair:

medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachte raad;

ten aanzien van zaak A feit 3 primair:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van zaak B:

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering , bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat:

-veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet houden aan de aanwijzingen door of namens Reclassering Nederland gegeven zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd nodig acht.

- Meldplicht: Veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland, [adres 2] te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het toezicht uit te voeren.

- Ambulante Forensische behandeling: Veroordeelde laat zich behandelen door Forensische Ambulante Zorg van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De behandeling is gericht op delictpreventie en verbetering van psychisch functioneren. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

-Andere voorwaarden betreffende het gedrag:

a. Veroordeelde werkt mee aan de begeleiding vanuit streetcornerwork

b. Veroordeelde werkt mee aan het hebben dan wel behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van het volgen van een opleiding dan wel betaalde arbeid.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van [naam 1] toe tot € 8.419,44 (achtduizend vierhonderdnegentien euro en vierenveertig eurocent), bestaande uit € 3.419,44 (vierendertighonderdnegentien euro en vierenveertig eurocent) aan materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] aan de Staat € 8.419,44 (achtduizend vierhonderdnegentien euro en vierenveertig eurocent) te betalen, bestaande uit € 3.419,44 (vierendertighonderdnegentien euro en vierenveertig eurocent) aan materiële schade en € 5.000,- (vijfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 77 (zevenenzeventig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en E. Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2019.