Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3699

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
AMS 18/6454
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenlopende WW-uitkeringen. Dagloonreferteperiode (drp) is correct vastgesteld. Daarnaast is obv de aangepaste deling rekening gehouden met de niet gewerkte maanden in de drp. Het 2de WW-recht is verder terecht als inkomen (E-factor) aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/6454

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 mei 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R.D. van den Heuvel).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het dagloon van de tweede WW-uitkering van eiser vanaf 1 januari 2018 aangepast naar € 110,63 en van zijn eerste WW-uitkering naar € 124,09. Tezamen bedragen de uitkeringen per 1 januari 2018 € 209,26.

Bij besluit van 21 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2019. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

1.1.

Eiser heeft op 8 maart 2018 een WW-uitkering aangevraagd, omdat zijn tijdelijke dienstverband bij [bedrijf 1] is geëindigd. Op het moment van de aanvraag had hij echter al een lopende WW-uitkering. De nieuwe aanvraag voor een WW-uitkering gaat over de verloren arbeidsuren die eiser naast de al lopende WW-uitkering heeft verricht.

1.2.

Bij besluit van 27 maart 2018 heeft verweerder aan eiser een tweede WW-uitkering toegekend per 1 januari 2018. De hoogte van het dagloon bedraagt tezamen met de WW-uitkering die eiser al had een bedrag van € 209,26.

1.3.

Vervolgens is verweerder bij het primaire besluit teruggekomen van het besluit van 27 maart 2018 en heeft verweerder de daglonen van eisers WW-uitkeringen aangepast. Het dagloon van de tweede WW-uitkering bedraagt nu € 110,63 en het aangepaste dagloon van de eerste WW-uitkering bedraagt vanaf 1 januari 2018 € 124,09. De uitkeringen worden als één bedrag betaald, waarbij een maximumdagloon van € 209,26 geldt.

Standpunten van partijen

2.1.

Eiser heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij zijn beroep toespitst op drie onderwerpen waar hij graag een beslissing over wil.

- Allereerst wil eiser dat ingegaan wordt op de vraag of artikel 2, vierde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (het Dagloonbesluit) correct is toegepast. Het gaat hierbij volgens eiser om de vraag of voor de berekening van het dagloon van het tweede WW-recht uitgegaan moet worden van het hele loonjaar of van de feitelijk gewerkte dagen.

- Ook verzoekt eiser in te gaan op de vraag of het inkomen van het tweede WW-recht als ‘inkomen in verband met arbeid’ moet worden gezien of als ‘inkomen uit arbeid’. Dit verschil is volgens hem van belang om te bepalen of het tweede WW-recht in acht moet worden genomen voor de C/D-factor of voor de E-factor in de berekening van het eerste recht.

- Tot slot wil eiser dat de rechtbank ingaat op een volgens hem aanwezige innerlijke tegenstrijdigheid. De wetgever heeft bedoeld dat werken naast een WW-uitkering lonend moet zijn. Eiser ervaart echter dat doordat hij een tweede WW-recht heeft opgebouwd het werken naast het eerste en tweede WW-recht financieel juist minder gunstig is.

2.2.

Verweerder is ingegaan op de door eiser aangevoerde argumenten.

- Volgens verweerder is artikel 2, vierde lid, van het Dagloonbesluit niet van toepassing op eisers situatie, omdat deze bepaling gaat over de situatie dat iemand later gaat werken dan het moment waarop het refertejaar aanvangt. Daarbij is voor de berekening van het tweede WW-recht uitgegaan van 191 gewerkte dagen en niet van 261 dagen.

- In het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (het Inkomensbesluit) staat wat onder inkomen wordt verstaan. Daar staat duidelijk dat als een tweede WW-recht is ontstaan dit als inkomen wordt gezien voor het eerste WW-recht. Of dit als ‘inkomen in verband met arbeid’ of ‘inkomen uit arbeid’ wordt gezien, maakt niet zoveel uit, er is gewoon bepaald dat het gekort moet worden en op welke manier.

- Verder heeft verweerder uitgelegd dat als twee uitkeringen naast elkaar lopen en deze tezamen boven een bedrag van 70% van het maximumdagloon uitkomen beide uitkeringen evenredig moeten worden verlaagd. Dat is een keuze die de wetgever heeft gemaakt.

De beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank zal hieronder ingaan op de vraag of bij de berekening van het tweede WW-recht de dagloonreferteperiode juist is vastgesteld en op de vraag of een juiste deling is toegepast. Daarnaast is van belang of het tweede WW-recht terecht als inkomen is gekort op het eerste WW-recht. Ook zal de rechtbank de vraag beantwoorden of de door eiser gestelde innerlijke tegenstrijdigheid tussen wat de wetgever heeft bedoeld en hoe dit in de praktijk uitpakt, maakt dat tot een andere uitkomst moet worden gekomen.

Dagloonreferteperiode en toegepaste deling

3.2.

De hoofdregel voor het vaststellen van de dagloonreferteperiode is opgenomen in artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Hierin staat dat de referteperiode een periode van één jaar beslaat, die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden. In het geval van eiser ligt de eerste werkloosheidsdag waar het tweede WW-recht op is gebaseerd op 1 januari 2018. Dit betekent dat uitgaande van loonbetalingen op maandbasis het eerste tijdvak voorafgaand aan het arbeidsurenverlies december 2017 is en de laatste dag van het tweede tijdvak dus 30 november 2017 is. Dit betekent dat de referteperiode loopt van 1 december 2016 tot en met 30 november 2017.

3.3.

Eiser verwijst naar artikel 2, vierde lid, van het Dagloonbesluit. Hierin is een afwijking op de hoofdregel voor het vaststellen van de referteperiode opgenomen. De referteperiode wordt korter dan een jaar vastgesteld indien in de referteperiode geen recht op loon bestond of geen loon is genoten. In dat geval loopt de referteperiode vanaf de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden. De dienstbetrekking van eiser bij [bedrijf 2] liep echter al op 1 december 2016. Dit maakt dat de begin- en einddatum van de referteperiode gelijk blijven.

3.4.

Wel is het zo dat eiser een periode in de referteperiode niet heeft gewerkt, namelijk in de maanden januari, februari en maart 2017. Versimpeld weergegeven en los van de manier waarop met het vakantiegeld omgegaan wordt, wordt bij de berekening van het dagloon het totaal aan uitgekeerd SV-loon in de referteperiode gedeeld door 261 (uitgaande van een gemiddeld aantal loondagen van 21,75 per maand x 12). Verweerder heeft vanwege de drie niet gewerkte maanden die 261 verminderd met 65,25 (21,75 x 3). Daarom is afgerond uitgegaan van 196 dagen waarop loon is ontvangen en is het ontvangen SV-loon in de referteperiode ook door 196 gedeeld. De rechtbank concludeert dat voor het tweede WW-recht op de juiste manier de dagloonreferteperiode is vastgesteld en een correcte deling is toegepast.

Korting van het tweede WW-recht op het eerste WW-recht

3.5.

In artikel 47 van de WW is de formule opgenomen voor de berekening van de WW-uitkering. De factor E staat hierin voor het inkomen in verband met arbeid dat gekort moet worden. De betekenis van het begrip ‘inkomen’ is opgenomen in het Inkomensbesluit. In artikel 3:3, zevende lid, van het Inkomensbesluit is opgenomen dat in geval van een uitkeringsgerechtigde voor wie naast een reguliere WW-uitkering nog een recht ontstaat op een reguliere WW-uitkering, het maandloon van de laatst ontstane uitkering wordt aangemerkt als inkomen voor het eerst ontstane recht. De rechtbank stelt vast dat het tweede WW-recht met juistheid als inkomen (de E-factor) is aangemerkt voor het eerste WW-recht. Dit is terecht niet meegenomen bij de C/D-factor, omdat die betrekking heeft op het dagloon/ongemaximeerde dagloon dat geldt voor het eerste WW-recht, dus waar destijds in de dagloonreferteperiode voor het eerste WW-recht vanuit is gegaan. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

Bedoeling van de wetgever

3.6.

Eiser stelt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat werken naast de WW-uitkering loont. Verweerder heeft in het verweerschrift uiteengezet dat het dienstverband van eiser, waarop het eerste WW-recht is vastgesteld, een urenomvang van 40 uur had. Eiser is gaan hervatten in werk met een urenomvang van 45 uur. Volgens de regels die golden tot 1 juli 2015 zou de WW-uitkering van eiser zijn beëindigd, omdat hij niet langer werkloos zou zijn volgens de toen geldende regels. Volgens de huidige regels is het eerste WW-recht niet geëindigd, omdat het inkomen naast dit recht minder dan 87,5% bedroeg van het maandloon van het eerste WW-recht (artikel 20, eerste lid, onder c, van de WW). In eisers situatie is een nieuw tweede WW-recht opgebouwd. De totale WW-uitkeringen bedragen, indien er in een maand geen inkomen is, nog steeds 70% van het gemaximeerde WW-dagloon. Wellicht pakken sinds het tweede WW-recht bijverdiensten minder gunstig uit, bezien vanuit het totaal van de uitkeringen, maar als uitgegaan wordt van een nieuwe situatie met een nieuw WW-recht wordt eiser niet benadeeld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een onjuiste toepassing van wetgeving of van strijd met de bedoeling van de wetgever.

Conclusie

4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Om deze reden is er geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzitter, mr. C.J. Polak en mr. J.A.W. Jansen, leden, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.