Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3565

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
17-05-2019
Zaaknummer
7329753 CV EXPL 18-24837
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Of een met een freelance journalist overeengekomen vergoeding billijk is moet beantwoord worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan de aard en omvang van de overgedragen exploitatiebevoegdheid, de marktverhoudingen (de onderhandelingspositie van de maker) en de exploitatierisico’s. Voorts is van belang wat in de branche gebruikelijk is. Niet alle relevante gegevens zijn in het geding gebracht. Partijen moeten dat alsnog doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7329753 CV EXPL 18-24837

vonnis van: 17 mei 2019

fno.: 8622

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie, gedaagde in reconventie

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. O.M.B.J. Volgenant

t e g e n

de besloten vennootschap De Persgroep Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie

nader te noemen: De Persgroep

gemachtigden: mrs. D.J.G. Visser en P.J. Kreijger

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken bevinden zich in het dossier:

- de dagvaarding van 2 oktober 2018 met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en van voorwaardelijke eis in reconventie met producties,

- de akte overlegging producties, tevens conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie,

- tussenvonnis en vervolgens dagbepaling comparitie.

De comparitie heeft plaats gevonden op 3 april 2019. [eiser] is met de gemachtigde verschenen. Namens De Persgroep zijn verschenen mevrouw [gedaagden] en mevrouw [gedaagden] , alsmede de heren [gedaagden] en [gedaagden] , vergezeld door de gemachtigden. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, de gemachtigden aan de hand van pleitaantekeningen en [eiser] aan de hand van een op papier gestelde verklaring. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

[eiser] is fotograaf. De Persgroep is uitgever, onder meer van regionale kranten als het Brabants Dagblad. [eiser] werkte samen met een rechtsvoorganger van De Persgroep vanaf 1981 totdat deze in 2015 werd overgenomen. Vervolgens werkte hij tot 1 juni 2016 via een fotopersbureau, waarna hij rechtstreeks voor De Persgroep ging werken.

1.2.

In de maand april 2018 leverde [eiser] bij De Persgroep in totaal 13 foto’s aan. Voor deze foto’s kreeg hij betaald op basis van een tarief per foto van € 42,00. De foto’s werden alle geplaatst in het Brabants Dagblad.

1.3.

Het tarief van € 42,00 per foto is met ingang van 1 april 2016 het basistarief van De Persgroep voor regionale bijdragen.

1.4.

In de tussen partijen overeengekomen algemene voorwaarden is kort gezegd bepaald dat het exploitatierecht voor onbepaalde tijd en niet beperkt in frequentie wordt overgedragen aan De Persgroep, waarbij de exclusiviteit is beperkt tot en met zeven dagen na publicatie.

vordering en verweer in conventie

2. [eiser] vordert veroordeling van De Persgroep tot betaling van € 1.698,84 inclusief BTW, althans een in goede justitie vast te stellen aanvullende billijke vergoeding.

3. Aan de vordering legt hij kort gezegd ten grondslag dat de betaalde vergoeding van
€ 42,00 per foto niet billijk is. Op grond van artikel 25c en/of 25d Auteurswet dient alsnog een billijke vergoeding te worden betaald. [eiser] acht een vergoeding op basis van € 150,00 per foto billijk en zijn vordering is gebaseerd op het verschil tussen die vergoeding en de reeds betaalde vergoeding.

4. De Persgroep voert verweer tegen de vordering. Op dat verweer zal bij de beoordeling, voor zover van belang, worden ingegaan.

vordering en verweer in voorwaardelijke reconventie

5. In reconventie vordert De Persgroep, samengevat, voor het geval de vordering in conventie wordt toegewezen een verklaring voor recht dat [eiser] geen recht heeft aanvullende vergoeding te eisen voor de periode van 1 juni 2016, althans 1 juli 2015 tot de datum van het te wijzen vonnis.

6. [eiser] voert verweer in reconventie. Daarop zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

beoordeling in conventie en reconventie


bevoegdheid

7. Weliswaar beperkt [eiser] zijn vordering tot de maand april 2018, de rechtsverhouding waarop deze vordering gebaseerd is strekt zich ook uit over de periode daarvoor en daarna. Zou ook voor die periode een hogere vergoeding gevorderd worden, dan gaat het in totaal om een bedrag tussen € 138.000,00 en € 160.000,00 zo heeft De Persgroep onbetwist aangevoerd. Dat bedrag ligt boven de competentiegrens van de kantonrechter en aangezien de rechtstitel wordt betwist zou de zaak in beginsel verwezen moeten worden. [eiser] is daarmee ter zitting geconfronteerd en heeft vervolgens afstand gedaan van een aanvullende billijke vergoeding, behoudens voor zover deze in onderhavige procedure is gevorderd.

8. Daarmee is de kantonrechter bevoegd. Voorts komt daarmee aan de vordering van De Persgroep in reconventie het belang te ontvallen.

billijke vergoeding

9. Gezien het feitencomplex waarop [eiser] zich beroept komt alleen artikel 25c Auteurswet in aanmerking. Artikel 25d Auteurswet ziet kort gezegd immers op de situatie waarin de opbrengst van het werk – in dit geval dus een foto – in ernstige mate onevenredig is met hetgeen voor het werk is betaald. Daarbij heeft de wetgever het oog gehad op de situatie waarin een werk vele malen meer opbrengt dan gebruikelijk – het wetsartikel wordt ook wel de bestsellerbepaling genoemd. Dat een dergelijke situatie zich hier voordoet is gesteld noch gebleken.

10. De te beantwoorden vraag is dan ook of de vergoeding die [eiser] heeft ontvangen voor verlening aan De Persgroep van de exploitatiebevoegdheid van zijn foto’s al dan niet billijk is als bedoeld in artikel 25c lid 1 Auteurswet. Daarbij is het aan [eiser] voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit blijkt dat de overeengekomen en betaalde vergoeding niet billijk is. Uitgangspunt blijft immers dat het partijen vrij staat afspraken te maken en het is aan de partij die zich er op beroept dat die afspraken niet voldoen aan artikel 25c lid 1 Auteurswet dit feitelijk te onderbouwen. De wetgever heeft die bewijslastverdeling bij de totstandkoming van artikel 25c Auteurswet ook tot uitgangspunt genomen.

11. In de dagvaarding heeft [eiser] er met name op gewezen dat hij met de ontvangen vergoeding een uurtarief realiseert waar hij niet van kan leven. Hij komt op een uurtarief van € 15,00 à € 18,00 bruto exclusief BTW en dat staat in geen verhouding tot wat een journalist in loondienst volgens de toepasselijke CAO verdient. Bovendien is De Persgroep gezien haar bedrijfsresultaat zeer wel in staat een hogere vergoeding te betalen, aldus [eiser] .

12. De Persgroep heeft aangevoerd dat niet relevant is wat [eiser] per uur verdient, nu een vergoeding per foto is overeengekomen. Daarmee miskent De Persgroep dat de vraag of de overeengekomen vergoeding billijk is beantwoord moet worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan de aard en omvang van de overgedragen exploitatiebevoegdheid, de marktverhoudingen (de onderhandelingspositie van de maker) en de exploitatierisico’s. Voorts is van belang wat in de branche gebruikelijk is (dit alles komt terug in Kamerstukken II 2012/2013, 33308, nota naar aanleiding van het verslag). Wat een journalist per uur overhoudt op basis van de vergoeding per foto, is dan wel degelijk een relevant gezichtspunt. Eveneens relevant is hoe die vergoeding in verhouding staat tot wat een journalist in loondienst per uur verdient. Anders dan [eiser] heeft bepleit is de verdienste van een journalist in loondienst echter niet maatgevend voor wat een billijke vergoeding is; het is één van de relevante gezichtspunten.

13. Ander – zeker zo belangrijk – gezichtspunt is welke vergoedingen (andere) freelance journalisten bij De Persgroep en elders ( in het bijzonder bij andere uitgevers) voor hun werk krijgen, nu en in het verleden. Op dit punt is pas ter zitting meer concreet stelling ingenomen. Zo heeft [eiser] gesteld dat Mediahuis € 75,00 per foto betaalt, waar ook tarieflijsten van beschikbaar zijn. Die zijn echter niet in het geding gebracht. Mogelijk heeft ook De Persgroep geen uitputtend overzicht verstrekt van door haar gehanteerde tarieven, zowel voor landelijke als regionale media.

14. De kantonrechter zal partijen op de voet van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opdragen alle hen ter beschikking staande stukken die op de hiervoor onder 13. genoemde informatie betrekking hebben alsnog in het geding te brengen. Tot die stukken behoren in ieder geval de beschikbare tarieflijsten en daarbij behorende toelichting.

15. De Persgroep heeft nog het landelijke basistarief van de Volkskrant voor het plaatsen van een foto genoemd. Niet in geschil is dat dit € 141,75 bedraagt. Daarnaast bestaat een dagtarief voor regiofotografen van € 210,00 en voor landelijke fotografen van
€ 315,00.

16. Tenslotte is nog een relevant gezichtspunt wat de exploitatiewaarde van het werk is. Daarbij is relevant dat Het Brabants Dagblad, editie Oss, een oplage heeft van 11.000 stuks, terwijl het bij landelijke dagbladen om honderdduizenden lezers gaat, zo heeft De Persgroep onbetwist aangevoerd. De totale netto winst van De Persgroep als geheel acht de kantonrechter geen relevant gezichtspunt. Het exploitatieresultaat en de exploitatierisico’s van het Brabants Dagblad zijn wel relevant, nu daarin onder meer de bijdragen van ingeschakelde freelance journalisten verwerkt moeten zijn. Van dat resultaat had De Persgroep ter zitting echter geen cijfers beschikbaar. Wel heeft zij onbetwist gesteld dat in verband met het oplageverschil de exploitatiewaarde voor een regionaal dagblad lager is dan voor een landelijk dagblad.

17. Beoordeling en weging van de verschillende gezichtspunten zal plaatsvinden als de hiervoor onder 14. genoemde informatie beschikbaar is. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie en reconventie

beveelt partijen de hiervoor onder 14 genoemde bescheiden over te leggen op de rol van 14 juni 2019;

stelt partijen vervolgens in de gelegenheid vier weken later op de door de andere partij in het geding gebrachte stukken te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.