Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3531

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
13/730016-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

---

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730016-18 (Promis)

Datum uitspraak: 21 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1994,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.J.M. van Roy naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

2.1.

Onderzoek 13HAILSHAM/medeverdachten

Het onderzoek 13Hailsham heeft geleid tot de gelijktijdige berechting van verdachte en de volgende medeverdachten:

  • -

    [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] )

  • -

    [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] )

  • -

    [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] )

2.2.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 22 april 2018 tot en met 8 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (onder meer):

( [adres 1] , Amsterdam)

- een hoeveelheid van ongeveer 12,706 kilogram cocaïne (te weten twee blokken van 2190 gram (goednummers 5616421 en 5616422 in AH-tas 1 5614631) en/of twee blokken van 2145 (goednummers 5616424 en 5616426 in AH-tas 2 5614633) gram en/of een blok van 1177 gram (goednummer 5616423 in AH-tas 3 5614635) en/of een blok van 1030 en/of een blok van 1031 (goednummers 5616416 en 5616417 in AH-tas 4 5614636) en/of een blok van 1153 gram (goednummer 5616418 in AH-tas 4 5614636) en/of een blok van 534 gram (goednummer 5616420 in AH-tas 4 5614636) en/of twee brokken van 219 gram (goednummer 5616415 in AH-tas 4 5614636) en/of een blok van 1154 gram (goednummer 5616428 in AH-tas 5 5614638) en/of twee blokken van 2073 gram (goednummers 5616430 en 5616431 in Lidl-tas 5614639), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) geleden in of omstreeks de periode van 22 april 2018 tot en met 8 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen,

- stoffen en/of voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,

hebbende verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s)

voorhanden gehad een of meer:

- ( hydraulische) persmachine(s) en/of

- persblok(ken) en/of

- vacuümmachine(s)/sealappara(a)t(en) en/of-

- sealbag(s) en/of

- zwarte rubberen verpakkingsmateriaal en/of

- ( grote) hoeveelhe(i)d(en) chemicaliën en/of (versnijdings)middel(en), te weten onder meer procaïne en/of lidocaïne en/of methylethylketon, bestemd voor het versnijden en/of wassen en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne en/of andere middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1

- harde schijf/schijven en/of

- administratie(s) en/of document(en) met aantekeningen en/of

- laptop(s) en/of

- telefoon(s) en/of

- auto('s)

waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die goed(eren) bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig het door haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Bewezen kan worden dat verdachte betrokken is geweest bij de productie van de in de woning [adres 1] aangetroffen cocaïne en dat hij goederen aanwezig heeft gehad die gebruikt worden voor de productie van cocaïne. Verdachte is aangehouden bij deze woning, zijn telefoons peilen vanaf 23 april 2018 bijna dagelijks uit bij de woning en er zijn dactyloscopische sporen aangetroffen op tasjes (in de woning) waar cocaïne op zit. Verdachte heeft geen verklaring over zijn aanwezigheid in de woning afgelegd. Er zijn voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er sprake was van beschikkingsmacht en wetenschap. Het aantreffen van de verschillende verdachten in en nabij de woning, het contact tussen de verdachten, de dactyloscopische sporen van verschillende verdachten op de tassen waarin cocaïne werd bewaard, het notitieboekje dat wijst op een verdeling in winst tussen de verschillende verdachten, geeft aan dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij de productie van de drugs en het aanwezig hebben van de goederen om de drugs mee te fabriceren.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitnota primair vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en feit 2. Hij heeft daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat op basis van de tien aangetroffen vingerafdrukken van verdachte op een beperkt aantal plastic tassen in combinatie met de beperkt in tijd vast te stellen aanwezigheid van verdachte in de woning aan de [adres 1] onvoldoende is om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te komen. De bewijswaarde van de vingerafdrukken op iets zo algemeens als een boodschappentas in combinatie met het ontbreken van andersoortig bewijs van betrokkenheid is daarvoor te gering. De vingerafdrukken geven niet voldoende steun aan de voor bezit noodzakelijke wetenschap, zodat vrijspraak dient te volgen voor het onder 1 ten laste gelegde. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat uitsluitend tot bewezenverklaring gekomen kan worden van het aanwezig hebben/voorhanden hebben van de drie kilogram cocaïne in de tassen waarop de vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen. Medeverdachten zijn langere tijd in deze woning aanwezig geweest. Die omstandigheid in combinatie met het ontbreken van vingerafdrukken van verdachte op de andere tassen, en de andere verdekte locaties van die kilo’s drugs, maken dat het een reële mogelijkheid is dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die andere kilo’s cocaïne, dan de drie hiervoor genoemde. De bewezenverklaarde periode moet in dit subsidiaire geval worden beperkt vanaf 14 juli 2018 (moment eerste selfie in de [adres 1] ) tot 8 augustus 2018 (aanhouding). Verdachte dient eveneens te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde omdat niet kan worden vastgesteld welk aandeel hij zou hebben gehad met betrekking tot de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. De raadsman stelt zich tot slot op het standpunt dat beide feiten elkaar bijten en ze niet separaat en tegelijkertijd bewezen kunnen worden verklaard. Indien tot een bewezenverklaring voor feit 1 zou worden gekomen dan moet verdachte om die reden voor feit 2 worden vrijgesproken.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Naar aanleiding van afgeschermde informatie inhoudende dat de bewoners/gebruikers van [adres 2] te Amsterdam, waaronder [medeverdachte 1] , criminele contacten zouden hebben en betrokken zouden zijn bij overdachten van verdovende middelen2 is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 13Hailsham. In het kader van die verdenking hebben op verschillende data observaties3 plaatsgevonden en is er een peilbaken geplaatst in de Chevrolet Aveo met het kenteken [kenteken auto] welke auto in gebruik was bij [medeverdachte 1] .4

Op 8 augustus 2018 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de woning aan de [adres 1] te Amsterdam aangehouden.5 [verdachte]6 en [medeverdachte 2]7 zijn later die dag afzonderlijk van elkaar in de nabijheid van de woning aangehouden. Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres 1] zijn naast 12,7 kilo cocaïne diverse goederen aangetroffen zoals verpakkingsmateriaal, weegschalen, een pers, een tweetal mallen, diverse logo’s en chemicaliën zoals methylethylketon (MEK), zoutzuur, zwavelzuur, aceton en lidocaïne.8 Tijdens de doorzoeking is een cocaïne geur waargenomen.9

Tijdens de doorzoeking op 8 augustus 2018 in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam zijn onder andere, een groot geldbedrag, hasjiesj, mobiele telefoons, administratie, een harde schijf en een laptop aangetroffen.10

Aantreffen cocaïne (feit 1) en voorbereidingshandelingen (feit 2)

Vooropgesteld moet worden dat er volgens vaste rechtspraak vanuit kan worden gegaan dat een gebruiker/bewoner van een woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in de woning bevindt en afspeelt. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Daarnaast is volgens vaste rechtspraak voor de vraag of een verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 2 onder C Opiumwet, niet doorslaggevend aan wie de drugs toebehoren. Evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen. Voldoende is dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevinden en dat verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.

Voor de vraag of verdachte wetenschap had van de cocaïne en de overige spullen die gebruikt werden om cocaïne te vervaardigen zijn, de volgende omstandigheden van belang. Op 8 augustus 2018 wordt verdachte tijdens een observatie waargenomen in de woning aan de [adres 1] . Gezien wordt dat verdachte de woning omstreeks 13.13 uur verlaat en in de Chevrolet Aveo, die gewoonlijk in gebruik is bij medeverdachte [medeverdachte 1] , stapt, weg rijdt om een half uur later weer terug te keren. Om 15:22 loopt verdachte nogmaals de woning uit.11 Wanneer hij later terugkeert bij de woning wordt hij aangehouden.12 Uit telecomonderzoek blijkt dat de telefoons van verdachte vanaf 23 april 2018 bijna dagelijks uitpeilen in de omgeving van deze woning.13 Tevens worden op de telefoons foto’s aangetroffen welke eerder dan 8 augustus 2018 zijn gemaakt in de woning aan de [adres 1] .14 Uit de datcyloscopische rapporten volgt dat er vingersporen van verdachte zijn aangetroffen op in deze woning in beslag genomen tassen met cocaïne erin.15

Verdachte heeft zich bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht ten aanzien van zijn aanwezigheid in de woning, de aangetroffen verdovende middelen en andere voorwerpen, zodat er geen mogelijk ontlastende verklaring van verdachte voorligt die de rechtbank op geloofwaardigheid of aannemelijkheid kan toetsen.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte moet hebben geweten van de aanwezigheid van de aangetroffen cocaïne en voorwerpen die zich in de woning bevonden en dat hij daar ook over kon beschikken. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte van niets wist en bij toeval in de woning aanwezig was. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat in de woning ook daadwerkelijk cocaïne werd geproduceerd. De aangetroffen voorwerpen zoals persmachines, sealapparaten, sealbags en versnijdingsmiddelen waren naar het oordeel van de rechtbank aanwezig om cocaïne te versnijden en verpakken, waardoor ook feit 2 bewezen wordt geacht.

Medeplegen

De rechtbank stelt vast dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer worden afgeleid uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de uitvoering van het delict en het belang van de rol van de verdachte.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Uit zowel de inhoud van de onderlinge telefoongesprekken, het uitpeilen van de telefoons als uit de observaties volgt dat verdachte en medeverdachten veelvuldig aanwezig waren in de woning aan de [adres 1] . Verdachte en de medeverdachten zijn alle vier aangehouden in en nabij de woning aan de [adres 1] waarin een grote hoeveelheid cocaïne en goederen die gebruikt worden bij de productie/bewerking van cocaïne zijn aangetroffen. De cocaïne en de betreffende voorwerpen bevonden zich in de machtssfeer van verdachte en medeverdachten en er zijn ook dactyloscopische sporen van verdachte en medeverdachten op de tassen waarin de cocaïne werd bewaard aangetroffen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan.

Periode

De rechtbank stelt vast dat de strafbare feiten weliswaar zijn gepleegd binnen de tenlastegelegde periode. De rechtbank wil wel aannemen dat de periode waarin de strafbare feiten zijn begaan een kortere periode betreft, zoals de verdediging bepleit, dan de periode waar de officier van justitie vanuit gaat. Nu naar het oordeel van rechtbank wel vaststaat dat de feiten binnen de tenlastegelegde periode zijn gepleegd, neemt zij deze periode over in de bewezenverklaring.

Samenloop

De rechtbank is anders dan raadsman van oordeel dat feit 1 en 2 tegelijkertijd bewezen kunnen worden verklaard, nu het beschermd rechtsbelang van beide delicten niet gelijk is. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Conclusie

Het voorgaande leidt er toe dat de rechtbank van oordeel is dat bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat de precieze pleegperiode niet kan worden vastgesteld.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen gelegen in de periode van 22 april 2018 tot en met 8 augustus 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad:

( [adres 1] , Amsterdam)

- een hoeveelheid van ongeveer 12,706 kilogram cocaïne (te weten twee blokken van 2190 gram (goednummers 5616421 en 5616422 in AH-tas 1 5614631) en twee blokken van 2145 (goednummers 5616424 en 5616426 in AH-tas 2 5614633) gram en een blok van 1177 gram (goednummer 5616423 in AH-tas 3 5614635) en een blok van 1030 en een blok van 1031 (goednummers 5616416 en 5616417 in AH-tas 4 5614636) en een blok van 1153 gram (goednummer 5616418 in AH-tas 4 5614636) en een blok van 534 gram (goednummer 5616420 in AH-tas 4 5614636) en twee brokken van 219 gram (goednummer 5616415 in AH-tas 4 5614636) en een blok van 1154 gram (goednummer 5616428 in AH-tas 5 5614638) en twee blokken van 2073 gram (goednummers 5616430 en 5616431 in Lidl-tas 5614639), zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

op tijdstippen gelegen in de periode van 22 april 2018 tot en met 8 augustus 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of vervaardigen van hoeveelheden cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- stoffen en voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende verdachte en/of (een of meer) van zijn mededaders

voorhanden gehad:

- hydraulische persmachines en

- persblok en

- vacuümmachines/sealapparaten en

- sealbags en

- zwarte rubberen verpakkingsmateriaal en

- grote hoeveelheid chemicaliën en versnijdingsmiddelen, te weten procaïne en lidocaïne en methylethylketon, bestemd voor het versnijden en/of wassen en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne en

- harde schijf en

- administraties en documenten met aantekeningen en

- laptop en

- telefoons.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de eis van de officier aanzienlijk te matigen en rekening te houden met de omstandigheid dat de bemoeienis van verdachte qua tijd beperkt is geweest, hij heeft maar korte tijd in de woning verbleven, er is geen geldbedrag bij hem aangetroffen en er zijn maar een beperkt aantal sporen van verdachte op boodschappentassen. Daarnaast is hij de jongste verdachte en is hij nooit eerder met justitie in aanraking geweest. Hij is een eenvoudige hardwerkende jongen met een zorgplicht voor zijn ouders. Verdachte heeft al zeven maanden in voorarrest gezeten. Dat zou genoeg moeten zijn.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het ongeoorloofde bezit van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Tevens heeft verdachte – eveneens met anderen – voorwerpen voorhanden gehad voor het verpakken/bewerken van cocaïne en zich hiermee schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, terwijl ook het gebruik ervan vaak gepaard gaat met door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen, hetgeen vaak overlast voor de samenleving met zich brengt. Verdachte heeft zich van deze negatieve effecten niets aangetrokken en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin. Verdachte lijkt weinig verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen. De rechtbank rekent hem dat aan.

Bij de straftoemeting neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij in Nederland niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend. Bij de bepaling van duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die rechters in soortgelijke zaken doorgaans opleggen.

8 Beslag

Onder verdachte zijn blijkens de beslag lijst van 2 februari 2019 de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Zaktelefoon SAMSUNG, 5614803

2. 1.00 STK Zaktelefoon NOKIA, 5614806

3. 1.00 STK Zaktelefoon, 5614808

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voorwerp met nummer 3 dient te worden onttrokken aan het verkeer en de voorwerpen met nummer 1 en 2 dienen te worden verbeurd verklaard. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoons moeten worden teruggegeven aan verdachte. Het maken van selfies is te onschuldig om de telefoons te onttrekken aan het verkeer dan wel verbeurd te verklaren.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De PGP-telefoon, onder 3, dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu het een feit van algemene bekendheid is dat deze telefoons doorgaans gebruikt worden voor criminele doeleinden. De telefoons die voor privédoeleinden zijn gebruikt mogen worden geretourneerd aan de rechthebbende.

Onttrekking aan het verkeer

De onder 3 inbeslaggenomen en niet teruggegeven telefoon dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar. Het betreft een zogenaamde PGP-telefoon. De telefoon is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Retour rechthebbende

De onder nummer 1 en 2 in beslaggenomen voorwerpen behoren aan verdachte en zullen aan hem worden geretourneerd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

- medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 2

- medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen, voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

3. 1.00 STK Zaktelefoon, 5614808

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. STK Zaktelefoon SAMSUNG, 5614803

2. 1.00 STK Zaktelefoon NOKIA, 5614806

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en J.P.W. Helmonds, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal, afscherm proces-verbaal, 25 juli 2018, p. 620.

3 Proces-verbaal van observatie 31.07.2018, p. 639-645, proces-verbaal van observatie 01.08.2018, p. 646-650, proces-verbaal van observatie 07.08.2018, p. 651-653, proces-verbaal van observatie 08.08.2018, p. 654-657, proces-verbaal van observatie 08.08.2018, p. 658-659.

4 Proces-verbaal van bevindingen, 9 augustus 2018, p. 794-796.

5 Proces-verbaal aanhouding, 8 augustus 2018, p. 1051-1052.

6 Proces-verbaal aanhouding, 9 augustus 2018, p. 1074-1075.

7 Proces-verbaal van aanhouding, 9 augustus 2018, p. 1060-1061.

8 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeking, 16 augustus 2018, p 413-425, proces-verbaal van sporenonderzoek, 9 augustus 2018, 235-242, rapport Laboratorium Forensische Opsporing, 29 augustus 2018, p. 278-279.

9 Proces-verbaal van bevindingen, 17 oktober 2018, p. 922.

10 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, 14 augustus 2018, p. 467-478.

11 Proces-verbaal van observatie 08.08.2018, p. 654-657, proces-verbaal van observatie 08.08.2018, p. 658-659.

12 Proces-verbaal aanhouding, 9 augustus 2018, p. 1074-1075.

13 Proces-verbaal van bevindingen telecomgegevens [verdachte] , 18 september 2018, p. 681-683.

14 Proces-verbaal van bevindingen, 6 september 2018, 675-680.

15 Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, 17 oktober 2018, p. 882-919.