Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3524

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
17-05-2019
Zaaknummer
13/741227-18 en 10/077485-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

geen inhoudsindicatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741227-18 en 10/077485-17 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 21 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1975,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] gedetineerd in het “ [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.D. Braber en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.H. van Keulen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 30 oktober 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer pakje(s) sigaretten (in totaal ongeveer 10 pakjes Marlboro sigaretten), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn ( [vestigings adres] ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft kort gezegd gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, op basis van de aangifte, het proces-verbaal van aanhouding en de camerabeelden.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Uit het dossier blijkt onvoldoende in hoeverre het door aangever opgegeven signalement daadwerkelijk overeenkwam met het signalement van verdachte. De kwaliteit van de camerabeelden is dermate slecht dat er geen gezicht met onderscheidende kenmerken waarneembaar is. Hetzelfde geldt voor de stills van de camerabeelden. De rookwaar die onder verdachte is aangetroffen komt niet overeen met het aantal pakjes zoals vermeld in de aangifte. Tot slot is de vermeende ambtshalve herkenning onvoldoende betrouwbaar om de overtuiging te hebben dat het verdachte is op de beelden.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstal heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Uit de aangifte volgt dat aangevers een redelijk specifiek signalement geven van een man die kort daarvoor 10 pakjes Marlboro sigaretten uit de winkel heeft meegenomen zonder te betalen. Circa 20 minuten later krijgen verbalisanten te horen dat iemand die aan het opgegeven signalement voldoet op [naam station] op het perron zit. Verbalisanten treffen daar vervolgens verdachte aan. De rechtbank stelt vast dat volgens openbare bronnen (Google Maps) [naam station] op circa 13 minuten loopafstand van de Albert Heijn op de [vestigings adres] ligt. Volgens de verbalisanten voldoet de man op [naam station] (verdachte) compleet aan het opgegeven signalement dat ze daarvoor in hetzelfde proces-verbaal hebben beschreven. Bij verdachte worden vervolgens één aangebroken en zes dichte pakjes Marlboro sigaretten aangetroffen.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die de 10 pakjes Marlboro sigaretten heeft weggenomen bij de Albert Heijn. De rechtbank merkt daarbij op dat zij de stills van de camerabeelden niet meeneemt voor het bewijs. De verklaring van verdachte dat hij de pakjes sigaretten van zijn zus heeft gekregen acht de rechtbank niet aannemelijk nu deze in het geheel niet is onderbouwd.

3.4.

Bewijsmiddelen

1. Een geschrift, te weten een landelijk aangifteformulier winkeldiefstal bij de onderneming Albert Heijn [vestigings adres] 670 te Amsterdam van 30 oktober 2018, met bijlage, doorgenummerde pagina 3-5.

Dit geschrift houdt onder meer in, als verklaring van aangevers, zakelijk weergegeven:

Gezien dat de man op 30 oktober 2018, omstreeks 16:20 uur, om 10 pakjes Marlboro sigaretten vroeg bij de servicebalie. Deze negroïde man, met grijze muts, zwarte jas met capuchon, donkere spijkerbroek en zwarte sneakers met witte zool, stak deze pakjes Marlboro in zijn tas. Het gaat om een felblauwe rugtas. Toen ik de man vroeg om te betalen rende hij de winkel uit.

2. Een proces-verbaal van aanhouding nummer PL1300-2018221629-2 van 30 oktober 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 1] en [naam 2] , doorgenummerde pagina 6-8.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 30 oktober 2018 kregen wij een melding om te gaan naar de [vestigings adres] , waar de Albert Heijn gevestigd zit. Hier zou omstreeks 16:30 uur een negroïde man, naar binnen zijn gelopen die meerdere pakken Marlboro sigaretten gestolen zou hebben. De man zou gekleed zijn in een blauwe jas, blauwe broek, zwarte schoenen met witte zolen en droeg een grijze muts met zijn capuchon eroverheen. Op 30 oktober 2018 omstreeks 16:40 uur kregen wij te horen dat een man die voldeed aan het signalement zou zitten op perron 8/9 van [naam station] . Op 30 oktober 2018 omstreeks 16:45 uur kwamen wij ter plaatse op het [naam station] . Wij zijn richting perron 8/9 gelopen en zagen aan het einde van het perron een man staan die compleet voldeed aan het opgegeven signalement. Dit bleek later te zijn de verdachte genaamd: [naam verdachte] . Ik heb een identiteitsfouillering bij de verdachte toegepast om een geldig, echt, op zijn naam staand identiteitsbewijs te vinden. Ik voelde en zag dat de verdachte in zijn linker broekzak een opengemaakt pakje Marlboro sigaretten had zitten. Ik zag in de tas van de verdachte een zestal dichte, in cellofaan verpakte, Marlboro sigaretten.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 30 oktober 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 10 pakjes Marlboro sigaretten, toebehorende aan Albert Heijn, [vestigings adres] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt om geen ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Het opleggen van een de ISD-maatregel is in dit geval niet zinvol, omdat tot nu toe geen enkel hulpverleningstraject van de grond is gekomen. De ISD-maatregel zou op dit moment enkel een punitief karakter en een beveiligingsaspect hebben, wat nooit de bedoeling van de wetgever is geweest. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank de balans te bewaken tussen de veiligheid van de maatschappij en de belangen van verdachte bij een gepaste straf, gelet op de eenvoudige winkeldiefstal waarvoor verdachte terecht staat. Het opleggen van een tweede ISD-maatregel is buitenproportioneel.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het strafblad van verdachte van 10 januari 2019;

- het reclasseringsadvies van het Leger des Heils Amsterdam van 27 augustus 2018, opgemaakt door A. Neslo, reclasseringswerker;

- het reclasseringsadvies van het Leger des Heils Amsterdam van 31 oktober 2018, opgemaakt door D. de Vries, reclasseringswerker;

- het reclasseringsadvies van het Leger des Heils Amsterdam van 21 januari 2019, opgemaakt door D. de Vries, reclasseringswerker;

- de verklaring van deskundige D. de Vries afgelegd op de terechtzitting van 7 februari 2019.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een vervelend en veel voorkomend feit dat grote schade en overlast bij de betrokkenen veroorzaakt. Verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendommen van anderen.

Uit de over verdachte opgemaakte rapporten komt naar voren dat verdachte een uitgebreid justitieel dossier heeft vanaf 1999 en onder de Top 600 aanpak valt. Hij voldoet aan de criteria voor de ISD-maatregel. Verdachte verblijft langdurig op straat zonder structurele en legale middelen van bestaan. De situatie van verdachte is triest en uitzichtloos en blijkt niet met reclasseringsinterventies te doorbreken. Er zijn verdachte meerdere hulpverleningstrajecten aangeboden, maar geen van de interventies heeft geleid tot vermindering van recidive en/of stabilisering van de leefomstandigheden van verdachte. Wanneer verdachte binnen de ISD gaat meewerken aan een hulpverleningstraject zou er een mogelijk een kentering in deze situatie kunnen komen, aldus de reclassering. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen. De deskundige, D. de Vries, heeft op de terechtzitting het advies onderschreven.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte gedurende de afgelopen vijf jaar meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Ook aan de voorwaarden uit de toepasselijke richtlijn van het Openbaar Ministerie is voldaan. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit meer dan tien processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, teruggerekend van de pleegdatum van het feit.

Er moet, gelet op eerdere veroordelingen en de problematiek van verdachte, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Het belangrijkste doel van de ISD-maatregel is de beveiliging van de maatschappij. De veiligheid van personen en goederen vereist het opleggen van deze maatregel. In de afgelopen jaren is verdachte vele malen voor met name overlastgevende feiten veroordeeld maar deze straffen hebben niet tot gedragsverandering bij verdachte geleid. Verdachte veroorzaakt stelselmatig overlast en schade. Het belang van de samenleving dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte niet de passende en noodzakelijke hulp – mocht hij daar op enig moment voor openstaan – kan worden geboden anders dan in het kader van een ISD-maatregel. De rechtbank gaat voorbij aan de verweren van de raadsvrouw. De ISD-maatregel strekt volgens het tweede lid van artikel 38m Wetboek van Strafrecht zowel tot beveiliging van de maatschappij als tot beëindiging van de recidive door verdachte. Het gaat hierbij om twee gelijkwaardige doelstellingen. Het karakter van de ISD-maatregel bestaat uit langdurige insluiting en is daarnaast mede gericht op gedragsbeïnvloeding. Gedragsinterventies zullen kunnen plaatsvinden als verdachte daarvoor hanteerbare aanknopingspunten biedt. De rechtbank heeft kennis genomen van de verklaring van verdachte dat hij geen ISD-maatregel wil. De wil van verdachte is voor de rechtbank niet doorslaggevend. Zij kent grotere betekenis toe aan de omstandigheid dat verdachte de afgelopen jaren, ondanks veelvuldige pogingen tot begeleiding en toezicht, niet in staat is gebleken zich te onthouden van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank spreekt de hoop uit dat verdachte – ondanks zijn initiële weerstand – toch bereid is om zich te laten begeleiden binnen het kader van de ISD-maatregel. De rechtbank ziet geen reden om de maatregel niet op te leggen en acht het ook zinvol. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.

Op dit moment is, buiten detentie, op geen enkel leefgebied sprake van stabiliteit. Er is sprake van structureel disfunctioneren. Verdachte heeft geen vaste woonplek of inkomen, er is sprake van verslavingsproblematiek en verdachte heeft nauwelijks een steunend netwerk. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en ter optimale bescherming van de maatschappij is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 2 november 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 10/077485-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 12 oktober 2017 van de politierechter te Dordrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Omdat de rechtbank aan verdachte een ISD-maatregel zal opleggen, is zij van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf geen meerwaarde heeft, zodat zij de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

- diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [naam verdachte] daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/077485-17 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2019.