Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3497

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
C/13/646942 / HA ZA 18-423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldige beëindiging overeenkomst; voortzetting door een ander; schuldeisersverzuim door niet betaling BTW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/646942 / HA ZA 18-423

Vonnis van 15 mei 2019

in de zaak van

[eiser in conventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.A. Oudendijk te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde in conventie sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde in conventie sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen,

3. [gedaagde in conventie sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. H.N. van 't Klooster te Amsterdam,

4. [gedaagde in conventie sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.P. Sanchez Montoto te 's-Gravenhage,

5. [gedaagde in conventie sub 5],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. J.L.J.J. Nelissen te Druten.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie] en [gedaagden in conventie] genoemd worden. De individuele gedaagden zullen achtereenvolgens [gedaagde in conventie sub 1] , [gedaagde in conventie sub 2] , [gedaagde in conventie sub 3] , [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 januari 2019,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 april 2019 en de daarin genoemde stukken,

  • -

    de brieven namens [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie sub 3] van 11 april 2019 met aanvullingen op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser in conventie] is eigenaar van een bouwperceel aan de [adres] in [woonplaats] . Zij heeft aan diverse partijen opdracht gegeven om werkzaamheden uit te voeren voor de bouw van een energie neutrale woning (hierna: de woning) daarop.

2.2.

[gedaagde in conventie sub 2] is een vennootschap die onder meer als handelsnaam [naam vernnootschap] gebruikt en waarvan [gedaagde in conventie sub 3] vanaf 24 december 2014 tot 20 oktober 2017 zelfstandig bevoegd bestuurder en tevens enig aandeelhouder was.

2.3.

[gedaagde in conventie sub 4] heeft een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] (hierna: [naam eenmanszaak] ) met als activiteiten installatie elektrawerk en bouwwerkzaamheden.

2.4.

Op 20 december 2016 heeft [gedaagde in conventie sub 3] namens [gedaagde in conventie sub 2] een offerte voor de afbouw van de woning aan [eiser in conventie] gestuurd bestaande uit een op 16 december 2016 gedateerde afbouwbegroting voor een totaalbedrag van € 103.154,16 (inclusief BTW). Deze offerte is door [eiser in conventie] voor akkoord getekend. Op 7 februari 2017 heeft [gedaagde in conventie sub 2] een factuur aan [eiser in conventie] gericht voor een bedrag van € 10.315,65.

2.5.

Op 30 januari 2017 heeft [eiser in conventie] een offerte aanvaard die haar op 28 november 2016 door [gedaagde in conventie sub 1] handelende onder de naam [handelsnaam] was toegezonden.

2.6.

Op 14 april 2017 heeft [gedaagde in conventie sub 3] op verzoek van [gedaagde in conventie sub 5] aan hem de afbouwbegroting toegestuurd die aan de offerte van [gedaagde in conventie sub 2] ten grondslag lag.

2.7.

Op 14 april 2017 heeft op de bouwplaats een ontmoeting plaats gevonden tussen [eiser in conventie] , [gedaagde in conventie sub 3] , [gedaagde in conventie sub 5] en [gedaagde in conventie sub 4] . Op die datum heeft [eiser in conventie] contant € 16.550 betaald op een factuur van 9 april 2017 van [naam eenmanszaak] voor een bedrag van € 20.000 inclusief BTW (€ 16.529,00 ex BTW). Op die door [eiser in conventie] overgelegde factuur is aangetekend: ”16550 gegeven” en “Betaald 14-04-2017” met een handtekening. Nadien heeft niet [gedaagde in conventie sub 2] maar [naam eenmanszaak] aan [eiser in conventie] facturen voor het werk gestuurd, die door [eiser in conventie] gedeeltelijk betaald zijn.

2.8.

Op 21 juli 2017 heeft [gedaagde in conventie sub 5] een e-mail aan [eiser in conventie] gestuurd met onder meer als inhoud:

“Graag zie ik vandaag de betalingen tegemoet als eerder gemeld.“

Waarop [eiser in conventie] onder meer heeft geantwoord:

“Ik heb nu bijna 80000 euro betaald wat ik nog niet in het werk terug zie.”

2.9.

Op 22 juli 2017 heeft de heer [naam architekt] , de door [eiser in conventie] ingeschakelde architect (hierna: [naam architekt] ), een e-mail aan [gedaagde in conventie sub 3] gestuurd met de volgende inhoud:

“Zou jij hierin kunnen bemiddelen? Dit gaat van kwaad tot erger.”

2.10.

Op 5 augustus heeft [eiser in conventie] met zowel [gedaagde in conventie sub 1] als [naam eenmanszaak] , vertegenwoordigd door [gedaagde in conventie sub 5] , ‘processen-verbaal: woning niet gereed met sleutelverklaring ‘ opgesteld. Daarin worden werkzaamheden opgesomd die nog verricht moeten worden.

2.11.

Op 28 augustus 2017 heeft [gedaagde in conventie sub 3] een e-mail gestuurd gericht aan [gedaagde in conventie sub 5] (Rechtbank: [gedaagde in conventie sub 5] ) en [gedaagde in conventie sub 4] (Rechtbank: [gedaagde in conventie sub 4] ) met onder meer de volgende inhoud:

“(…) Afgelopen week heb ik jullie beiden gesproken om het project [eiser in conventie] zsm af te ronden.

Jullie beiden hebben aangegeven dat dit in orde zou komen. De klus is aangenomen door [gedaagde in conventie sub 5] volgens begroting. Er kan dus in de eindfase van het project niet zo zijn dat [gedaagde in conventie sub 5] en/of [gedaagde in conventie sub 4] opeens geen partij meer is. (…)

Ik ga ervan uit dat ieder zijn verantwoording hierin neemt en het werk afrondt.”

2.12.

Op 4 september heeft een overleg plaats gehad tussen in elk geval [gedaagde in conventie sub 5] , [gedaagde in conventie sub 4] , [naam architekt] en [naam] .

2.13.

In een reactie aan [naam architekt] op het bouwoverleg op 4 september 2017 schrijft [gedaagde in conventie sub 4] onder meer:

“Het bouwproject op de [adres] is samen aangenomen met [gedaagde in conventie sub 5] van mevrouw [eiser in conventie] . (…) [gedaagde in conventie sub 5] zou deels de begeleiding van de afbouw doen en de controle van de open begroting.

Ik, [gedaagde in conventie sub 4] constateer nu de volgende feiten:

  • -

    Er is inmiddels meer werk verricht dan in de begroting staat

  • -

    (…)

Met een snelle schatting van alle deze posten bij elkaar opgeteld, kom je op een meerwerk rekening van ca. 20.000,-

(…)

[naam eenmanszaak] heeft een tekort van 40.000,- op dit totale project. Hier zijn ook specificaties van beschikbaar, indien gewenst dit in te zien.

(…)

[naam eenmanszaak] heeft 28.071,- excl. BTW per bank reeds ontvangen en het bedrag van 36.550,- is cash betaald en overhandigd aan [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] . Over dit bedrag, 36.550,- is nog geen BTW betaald door mevr. [eiser in conventie] .

Bij deze wil ik ook te kennen geven dat er nog facturen open staan, zoals de meerwerkfactuur met factuurnummer [nummer factuur 1] met bedrag 2306,26 incl. BTW en factuur met factuurnummer [nummer factuur 2] met een bedrag van 1.452,- zijn beide nog niet betaald (…)

Mijn insteek is om dit project in goede orde en naar tevredenheid op te leveren. Echter verwacht ik dan wel een oplossing voor deze financiele uitdaging.”

2.14.

Op 14 september 2017 heeft [eiser in conventie] [gedaagde in conventie sub 2] en [naam eenmanszaak] gesommeerd om binnen 4 weken de woning af te bouwen en gebreken te herstellen.

2.15.

Op 19 september 2017 heeft [gedaagde in conventie sub 4] aan [naam architekt] en [eiser in conventie] onder meer geschreven dat hij het werk af wil maken mits de BTW € 7.675,50 betaald zou worden en € 3.758,26 ( [nummer factuur 1] en [nummer factuur 2] ) betaald zou worden.

2.16.

Op 20 september 2017 heeft [gedaagde in conventie sub 3] aan [eiser in conventie] onder meer geschreven:
“(…) [eiser in conventie] heeft rechtstreeks opdracht gegeven aan [gedaagde in conventie sub 4] [naam eenmanszaak] en [gedaagde in conventie sub 5] met de daarbij behorende begroting. De opdracht van [naam vernnootschap] en/of [gedaagde in conventie sub 2] is komen te vervallen met wederzijds goedkeuring.”

2.17.

Op 2 oktober 2017 heeft [eiser in conventie] door [naam onderzoeksburo] (hierna: [naam onderzoeksburo] ) een onderzoek laten verrichten. [gedaagde in conventie sub 1] , [gedaagde in conventie sub 2] en [gedaagde in conventie sub 4] zijn daarbij uitgenodigd, maar niet gekomen.

2.18.

Op 5 oktober 2017 heeft [naam architekt] aan [gedaagde in conventie sub 4] en [eiser in conventie] een e-mail gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
“Ik heb vandaag met [gedaagde in conventie sub 4] gesproken en afgelopen maandag heb ik met [eiser in conventie] (rechtbank: [eiser in conventie] ) en een specialist een ronde gemaakt voor opname van de werkzaamheden die nog openstaan. [gedaagde in conventie sub 4] heeft mij zojuist telefonisch aangegeven meer dan bereid te zijn om alle werkzaamheden netjes af te ronden en op te lossen. De openstaande bedragen moeten dan wel betaald worden. Het voorstel van [gedaagde in conventie sub 4] is dat [eiser in conventie] bij hem langs gaat (…) om dit te bespreken (…). Aangezien iedereen gebaat is met een snelle oplossing an afbouw ga ik ervan uit dat dit lukt.”

2.19.

Een rapport van 17 november 2017 van [naam onderzoeksburo] (hierna: het rapport) stelt gebreken vast en stelt dat voor zover deze behoorden tot de werkzaamheden van [gedaagde in conventie sub 1] zij leiden tot een schadebedrag van € 23.125,00. De aan [gedaagde in conventie sub 2] / [naam eenmanszaak] toe te rekenen gebreken resulteren in een schadebedrag van 60.445,00 (incl. BTW).

2.20.

Op 30 januari 2018 heeft [eiser in conventie] de overeenkomsten met [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] ontbonden, omdat zij hebben nagelaten de in het proces-verbaal van 5 augustus 2017 opgesomde punten uit te voeren en hebben nagelaten het werk voor 1 september 2017 te voltooien. Tevens heeft [eiser in conventie] van [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] betaling gevorderd van de in het rapport genoemde schadebedragen en rente daarover vanaf 6 februari 2018.

2.21.

Op 30 januari 2018 heeft [eiser in conventie] tevens [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] aangeschreven dat punten uit het proces-verbaal van 5 augustus 2017 niet waren verricht en dat de toezegging dat het werk uiterlijk voor 1 september 2017 voltooid zou worden niet is nagekomen. [eiser in conventie] heeft op die grond een eventueel bestaande overeenkomst ontbonden en [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] hoofdelijk aansprakelijk gehouden met [gedaagde in conventie sub 2] en [gedaagde in conventie sub 3] voor de in het rapport aan [gedaagde in conventie sub 2] en [naam eenmanszaak] toegeschreven schade.

2.22.

Op 21 februari 2018 heeft [eiser in conventie] conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde in conventie sub 3] in Zaandam.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser in conventie] vordert - samengevat-:

3.1.1.

een verklaring voor recht dat de overeenkomst van 30 januari 2017 (de rechtbank gaat ervan uit dat hiermee de overeenkomst met [gedaagde in conventie sub 1] is bedoeld) is ontbonden,

3.1.2.

een verklaring voor recht dat de overeenkomst van 20 december 2016 (de rechtbank gaat ervan uit dat hiermee de overeenkomst met [gedaagde in conventie sub 2] is bedoeld) is ontbonden,

3.1.3.

veroordeling van [gedaagde in conventie sub 1] tot betaling van een hoofdsom van € 23.125,00, vermeerderd met € 1.006,25 aan buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 3 februari 2018

3.1.4.

veroordeling van [gedaagde in conventie sub 2] , [gedaagde in conventie sub 4] , [gedaagde in conventie sub 3] en [gedaagde in conventie sub 5] hoofdelijk tot betaling van een hoofdsom van € 60.445,00 te vermeerderen met € 1.379,45 aan buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 3 februari 2018,

3.1.5.

veroordeling van [gedaagde in conventie sub 2] , [gedaagde in conventie sub 4] , [gedaagde in conventie sub 3] en [gedaagde in conventie sub 5] tot betaling van € 3.727,47 (kosten [naam onderzoeksburo] rapport),

3.1.6.

veroordeling van [gedaagde in conventie sub 2] , [gedaagde in conventie sub 4] , [gedaagde in conventie sub 3] en [gedaagde in conventie sub 5] tot betaling van € 877,25 en

3.1.7.

veroordeling van [gedaagden in conventie] in de (na)kosten van de procedure.

3.2.

Aan haar vordering jegens [gedaagde in conventie sub 3] legt [eiser in conventie] - naar de rechtbank begrijpt - ten grondslag dat hij als bestuurder van [gedaagde in conventie sub 2] aansprakelijk is en medeverantwoordelijk voor de chaos die is ontstaan door incapabele onderaannemers in te schakelen die het door [gedaagde in conventie sub 2] aangenomen werk verprutst hebben.

3.3.

[gedaagde in conventie sub 3] , [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] voeren verweer. Tegen [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] is verstek verleend.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde in conventie sub 4] vordert samengevat - veroordeling van [eiser in conventie] tot betaling van € € 89.871,82, vermeerderd met rente en kosten waaronder € 1.673,72 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.6.

[eiser in conventie] voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

aansprakelijkheid [gedaagde in conventie sub 3] ; overeenkomst met [gedaagde in conventie sub 2] beëindigd?

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde in conventie sub 3] is dat de overeenkomst tussen [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie sub 2] op 14 april 2017 is beëindigd en dat de opdracht tot uitvoering van het oorspronkelijk met [gedaagde in conventie sub 2] overeengekomen werk door [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] is overgenomen. Daartoe voert [gedaagde in conventie sub 3] aan dat hij reeds vóór die datum met [eiser in conventie] had besproken dat hij de opdracht niet meer wilde uitvoeren en daarom [gedaagde in conventie sub 5] aan haar heeft geïntroduceerd. Bij de ontmoeting op 14 april 2017 heeft [eiser in conventie] met [gedaagde in conventie sub 5] en [gedaagde in conventie sub 4] de hand geschud ter bevestiging van de opdracht en heeft [eiser in conventie] aan [gedaagde in conventie sub 5] de in 2.7 genoemde contante betaling gedaan door een envelop met het geld aan [gedaagde in conventie sub 5] te geven. [gedaagde in conventie sub 3] heeft vervolgens namens [gedaagde in conventie sub 2] aan [eiser in conventie] een brief geschreven met de volgende inhoud:

“Zoals vandaag met u op locatie in [woonplaats] van uw nieuwbouw-woning afgesproken, vervalt per omgaande onze afbouw-overeenkomst met u. U hebt Dhr [gedaagde in conventie sub 4] van [naam eenmanszaak] en Dhr. [gedaagde in conventie sub 5] opdracht gegeven voor de afbouw van uw woning.’

Hierbij zond [gedaagde in conventie sub 3] een creditfactuur voor de factuur van 7 februari 2017. Aldus steeds [gedaagde in conventie sub 3] .

4.2.

[eiser in conventie] heeft betwist dat de overeenkomst met [gedaagde in conventie sub 2] beëindigd is. Zij ontkent de hierboven in 4.1 genoemde brief van [gedaagde in conventie sub 3] van 14 april ontvangen te hebben en stelt dat zij het contante bedrag niet aan [gedaagde in conventie sub 5] maar aan [gedaagde in conventie sub 3] heeft overhandigd. Zij stelt dat haar verteld is dat [gedaagde in conventie sub 5] en [gedaagde in conventie sub 4] werk zouden gaan uitvoeren, maar dat van een overname van verplichtingen geen sprake is geweest. Tevens is [gedaagde in conventie sub 3] gedurende de hele duur van het bouwproject betrokken gebleven.

4.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vraag of [gedaagde in conventie sub 2] dan wel [gedaagde in conventie sub 5] en/of [gedaagde in conventie sub 4] vanaf 14 april 2017 partij is bij een overeenkomst hangt af van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden, waarbij ook omstandigheden van belang kunnen zijn die achteraf plaatsvinden.

4.4.

Het standpunt van [gedaagde in conventie sub 3] wordt ondersteund door de verklaringen van [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] . [gedaagde in conventie sub 4] heeft verklaard dat hij samen met [gedaagde in conventie sub 5] de opdracht heeft overgenomen en [gedaagde in conventie sub 5] heeft verklaard dat [gedaagde in conventie sub 4] de opdracht heeft overgenomen met [gedaagde in conventie sub 5] als begeleider. Zij verklaren tevens beiden dat [gedaagde in conventie sub 5] op 14 april 2017 de envelop met geld van [eiser in conventie] heeft ontvangen en dat [gedaagde in conventie sub 5] daaruit geld aan [gedaagde in conventie sub 4] heeft gegeven. Tevens wordt dit ondersteund doordat de factuur die op 14 april 2017 (gedeeltelijk) wordt betaald door [eiser in conventie] een factuur van [naam eenmanszaak] was. Na 14 april 2017 zijn door [gedaagde in conventie sub 2] geen facturen meer verzonden en alle facturen die daarna aan [eiser in conventie] zijn verstuurd en (al dan niet) betaald, zijn door [naam eenmanszaak] gezonden. Dat de factuur van 7 februari 2017 van [gedaagde in conventie sub 2] is voldaan, is niet komen vast te staan. Dat [gedaagde in conventie sub 3] betrokken is gebleven bij de bouw is ook niet komen vast te staan. Tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde in conventie sub 3] heeft [eiser in conventie] niet nader onderbouwd dat [gedaagde in conventie sub 3] wel als opdrachtnemer bij de bouw van de woning betrokken bleef. Tegenover de verklaringen van [naam] en [gedaagde in conventie sub 4] dat [gedaagde in conventie sub 3] niet deelnam aan bouwvergaderingen heeft [eiser in conventie] geen concrete onderbouwing gegeven van haar stelling dat hij hier aan deelnam. De betrokkenheid die blijkt uit de e-mails van [naam architekt] van 22 juli 2017 (2.9) en van [gedaagde in conventie sub 3] van 28 augustus 2017 (2.11) wijzen niet op voortdurende betrokkenheid van [gedaagde in conventie sub 2] en bevestigen juist dat [gedaagde in conventie sub 3] slechts incidenteel betrokken werd en dat de rol van [gedaagde in conventie sub 2] door [gedaagde in conventie sub 5] en [gedaagde in conventie sub 4] was overgenomen. [naam architekt] vraagt [gedaagde in conventie sub 3] immers om te bemiddelen, hij draagt hem niet op de opdracht aan [gedaagde in conventie sub 2] uit te voeren. Daarbij is het standpunt van [gedaagde in conventie sub 3] over dit onderwerp consistent geweest. [eiser in conventie] is professioneel ondersteund geweest en het had op haar weg althans die van haar adviseurs gelegen om duidelijkheid te scheppen over de rol van [gedaagde in conventie sub 2] . Dit geldt temeer nu het factuur- en betalingsverkeer geheel buiten [gedaagde in conventie sub 2] om ging en zijn rol als hoofdaannemer niet uit de verf kwam. Uit de in 2.18 aangehaalde email blijkt ten slotte dat de door [eiser in conventie] ingeschakelde architect meende dat [eiser in conventie] direct met [gedaagde in conventie sub 4] moest overleggen over afronding van de werkzaamheden en niet met [gedaagde in conventie sub 2] , die volgens [eiser in conventie] ’s huidige stellingen haar contractspartij was. Gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst tussen [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie sub 2] op 14 april 2017 is beëindigd en dat de opdracht door [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] is overgenomen.

4.5.

Nu de rechtbank aanneemt dat er geen overeenkomst meer was tussen [eiser in conventie] en [gedaagde in conventie sub 2] , zodat er ook geen sprake kan zijn van tekortkoming onder die overeenkomst, kan er ook geen sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde in conventie sub 3] als bestuurder van [gedaagde in conventie sub 2] op de door [eiser in conventie] aangevoerde gronden. De vorderingen jegens [gedaagde in conventie sub 3] zullen dan ook worden afgewezen. Dit brengt met zich mee dat het door [eiser in conventie] gelegde beslag dient te vervallen.

4.6.

[eiser in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde in conventie sub 3] worden tot op heden begroot op € 3.043,00. Dit bedrag bestaat uit € 895,00 aan griffierecht en € 2.148,00 (2,0 punten x tarief IV € 1.074,00) aan salaris advocaat. Rente en nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

vorderingen tegen [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5]

4.7.

[eiser in conventie] heeft gesteld dat de rol van [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] onduidelijk is en gaat er primair van uit dat zij als onderaannemers van [gedaagde in conventie sub 2] handelden. [eiser in conventie] heeft geen duidelijk subsidiair standpunt ingenomen voor het geval dat de overeenkomst met de hoofdaannemer [gedaagde in conventie sub 2] - overeenkomstig het standpunt van [gedaagde in conventie sub 3] - beëindigd is. Nu de rechtbank [gedaagde in conventie sub 3] op dit punt volgt, is de vraag aan de orde op welke grondslag [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] jegens [eiser in conventie] aansprakelijk zijn voor de door [eiser in conventie] gestelde schade. Aannemende dat [eiser in conventie] haar vordering subsidiair baseert op een overeenkomst tussen haar enerzijds en [gedaagde in conventie sub 4] en/of [gedaagde in conventie sub 5] anderzijds oordeelt de rechtbank als volgt.

4.8.

[eiser in conventie] vordert schadevergoeding op de grond dat [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] gebrekkig en onvolledig werk hebben geleverd en dat duidelijk was dat zij hun werk niet wensten te herstellen althans daartoe niet in staat waren. Voor de toewijzing van schadevergoeding is vereist dat [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] in verzuim waren ten aanzien van de nakoming van hun verplichtingen. Uit de hierboven aangehaalde correspondentie (2.13, 2.15 en 2.18) blijkt dat [gedaagde in conventie sub 4] bereid was het werk af te maken, mits openstaande facturen voldaan werden. [gedaagde in conventie sub 4] beroept zich op zijn recht zijn verbintenis op te schorten totdat [eiser in conventie] voldeed aan haar betalingsverplichtingen (artikel 6:59 van het burgerlijk wetboek, hierna: BW). De facturen waarvan betaling werd gevorderd betreffen onder meer BTW over door [eiser in conventie] reeds betaalde facturen. Dat betaling van die facturen verschuldigd was, is niet betwist en blijkt uit het feit dat [eiser in conventie] het niet BTW deel van die facturen voldaan had (het betrof onder meer de in 2.7 genoemde eerste factuur). [eiser in conventie] heeft gesteld dat het initiatief om zwart te betalen niet van haar kwam en dat zij bereid was de BTW alsnog te voldoen, hetgeen door [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] betwist is. Wat hier ook van zij, gesteld noch gebleken is dat zij die openstaande gedeelten van die facturen heeft voldaan ondanks het uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde in conventie sub 4] daartoe (2.13 en 2.15). Daarmee staat vast dat zij ten tijde van haar verzoek om gebreken te herstellen op 14 september 2017 (2.14) in verzuim was ten aanzien van de betaling van die gedeelten van de openstaande en verschuldigde facturen. [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] mochten dan ook de nakoming van hun verbintenis opschorten zolang [eiser in conventie] niet aan haar betalingsverplichting had voldaan. Voor zover [eiser in conventie] te late oplevering aan haar vordering ten grondslag heeft willen leggen faalt deze grondslag evenzeer. Gesteld noch gebleken is dat afgesproken was dat de werkzaamheden op 5 augustus 2017 (2.10) gereed zouden zijn; dat de toen opgestelde processen verbaal nog te verrichten werkzaamheden constateerden wil dus niet zeggen dat er sprake was van enige tekortkoming. Dat een andere datum als uiterste opleverdatum is afgesproken is niet vast komen staan. [eiser in conventie] heeft slechts gesteld dat [gedaagde in conventie sub 4] mondeling heeft kenbaar gemaakt dat het werk op 1 september 2017 gereed zou zijn. Tegenover de betwisting dat op enig moment een datum is afgesproken waarop [eiser in conventie] gerede oplevering mocht verwachten, heeft [eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat dat wel het geval is. De rechtbank concludeert dat [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] niet in verzuim zijn geraakt zodat aan [eiser in conventie] geen beroep op ontbinding toekwam. De vorderingen onder 3.1.2 en 3.1.4 voor zover ingesteld tegen [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] liggen derhalve voor afwijzing gereed. Hetzelfde geldt voor de vordering onder 3.1.5 nu deze met de voorgaande vorderingen samenhangt.

4.9.

Voor zover [eiser in conventie] haar vordering tegen [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] heeft gebaseerd op hun onrechtmatig handelen, door hun rol als onderaannemer niet goed te vervullen faalt zij eveneens. Op [gedaagde in conventie sub 2] rustten geen verplichtingen meer (4.4) zodat [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] niet als onderaannemer van [gedaagde in conventie sub 2] konden optreden en voor zover zijzelf de opdracht voor [eiser in conventie] hebben uitgevoerd geldt op de gronden vermeld in de voorgaande overweging dat zij daarbij niet onrechtmatig hebben gehandeld.

verplaatst zand

4.10.

De vordering onder 3.1.6 betreft een door [naam bedrijf] aan [eiser in conventie] verzonden factuur voor de verplaatsing van zand. [eiser in conventie] vermoedt dat [gedaagde in conventie sub 5] de opdracht tot die verplaatsing heeft gegeven. Ter zitting is gebleken dat [eiser in conventie] betaling van de factuur geweigerd heeft en reeds geruime tijd niet meer tot betaling is aangemaand. Vooralsnog heeft [eiser in conventie] dan ook geen schade in verband met deze factuur. Deze vordering zal bij gebrek aan belang daarbij worden afgewezen.

kosten

4.11.

[eiser in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] worden elk tot op heden begroot op € 3.043,00. Dit bedrag bestaat uit € 895,00 aan griffierecht en € 2.148,00 (2,0 punten x tarief IV € 1.074,00) aan salaris advocaat. Rente en nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

vorderingen tegen [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2]

4.12.

Gelet op het bepaalde in artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal het vonnis in deze procedure ook ten aanzien van de niet verschenen gedaagden [gedaagde in conventie sub 1] en [gedaagde in conventie sub 2] , tegen wie verstek is verleend, als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd.

4.13.

De vorderingen van [eiser in conventie] tegen [gedaagde in conventie sub 2] zijn allen gebaseerd op haar uitgangspunt dat zij ook na 14 april 2017 een overeenkomst met [gedaagde in conventie sub 2] had voor de afbouw van haar woning en dat [gedaagde in conventie sub 2] is tekortgeschoten bij de nakoming van verbintenissen daaronder later in 2017. Gezien het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.4 dat die overeenkomst op 14 april 2017 beëindigd is, is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen tegen [gedaagde in conventie sub 2] ongegrond zijn. De verklaring voor recht onder 3.1.2 dat de overeenkomst van 20 december 2016 ontbonden is, zal dan ook niet verleend worden, aangezien de overeenkomst al beëindigd was voordat er sprake was van de tekortkomingen waarop de ontbinding is gegrond. Ook de overige vorderingen gericht tegen [gedaagde in conventie sub 2] liggen voor afwijzing gereed.

4.14.

De vorderingen tegen [gedaagde in conventie sub 1] komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen worden toegewezen als in de beslissing vermeld. Voor zover wettelijke handelsrente is gevorderd is deze ongegrond, nu de wettelijke handelsrente ziet op te laat voldane betalingen verschuldigd op grond van een overeenkomst en niet op schadevergoeding. De gewone wettelijke rente zal toegewezen worden. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen overeen met de daarvoor geldende staffel en zullen eveneens toegewezen worden.

4.15.

[gedaagde in conventie sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van [eiser in conventie] worden tot op heden begroot op € 1.396,01. Dit bedrag bestaat uit € 98,01 aan kosten dagvaarding, € 604,00 aan griffierecht en € 694,00 (1,0 punt x tarief III € 694,00) aan salaris advocaat. Rente en nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.16.

[gedaagde in conventie sub 4] legt aan zijn reconventionele vordering ten grondslag dat het werk deugdelijk is uitgevoerd en dat er een betalingsachterstand is van € 89.871,82 waaronder begrepen € 49.652,43 meerwerk. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [gedaagde in conventie sub 4] een meerwerkoverzicht en een aantal facturen overgelegd. Tevens heeft hij aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen de werkzaamheden niet uit te voeren op basis van een vaste aanneemsom, maar op basis van een regieovereenkomst met een open begroting.

4.17.

[eiser in conventie] betwist dat een regieovereenkomst is aangegaan en dat het werk deugdelijk is afgemaakt. Tevens voert zij aan dat de hoogte van [gedaagde in conventie sub 4] ’s vordering niet onderbouwd is.

4.18.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde in conventie sub 4] onvoldoende heeft onderbouwd dat een regieovereenkomst is afgesproken. [gedaagde in conventie sub 2] heeft een opdracht gekregen het werk voor een vast bedrag (met enkele stelposten) uit te voeren (2.4). Die overeenkomst is ook aan [gedaagde in conventie sub 5] toegestuurd (2.6). Zoals hierboven is overwogen is op 14 april 2017 afgesproken dat niet [gedaagde in conventie sub 2] die opdracht zou uitvoeren, maar [gedaagde in conventie sub 4] en [gedaagde in conventie sub 5] . Dat toen ook de inhoud van de overeenkomst is gewijzigd blijkt nergens uit. Ook [gedaagde in conventie sub 4] verwijst voor de inhoud en omvang van zijn opdracht naar de afbouwbegroting van 16 december 2016, die geen regieopdracht inhoudt. Deze grondslag is dan ook door [gedaagde in conventie sub 4] onvoldoende onderbouwd.

4.19.

Voor zover de vordering van [gedaagde in conventie sub 4] gebaseerd is op ‘meerwerk’ kan zij derhalve niet op de gestelde regieovereenkomst worden gebaseerd. [gedaagde in conventie sub 4] heeft op geen enkele andere wijze onderbouwd dat [eiser in conventie] opdracht heeft gegeven voor het door hem gestelde meerwerk of dat zij anderszins heeft moeten begrijpen dat zij voor door hem gesteld meerwerk zou moeten betalen. Hij heeft ter zitting slechts gesteld dat alle opdrachten tijdens de bouw mondeling zijn overeengekomen. Dit is tegenover de betwisting door [eiser in conventie] onvoldoende om opdrachten van de strekking en omvang zoals door [gedaagde in conventie sub 4] gesteld te onderbouwen. De vordering tot voldoening van meerwerkkosten ligt voor afwijzing gereed.

4.20.

Voor wat betreft de overige vordering geldt het volgende. [gedaagde in conventie sub 4] heeft geen inzicht geboden in de opbouw van zijn vordering. Een overzicht van facturen en betalingen daarop ontbreekt. [gedaagde in conventie sub 4] heeft slechts een aantal facturen overgelegd ter onderbouwing van zijn vordering, terwijl van een gedeelte daarvan vast staat dat deze (geheel of gedeeltelijk) zijn voldaan. Vast staat bovendien dat de opgedragen werkzaamheden niet zijn afgerond. Nu [gedaagde in conventie sub 4] in het geheel geen inzicht heeft geboden in de opbouw van zijn vorderingen, blijkt ook niet of hij rekening heeft gehouden met het gedeelte van het werk dat niet is uitgevoerd. De reconventionele vordering ligt dan ook voor afwijzing gereed nu zij volstrekt onvoldoende is onderbouwd. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

kosten

4.21.

[gedaagde in conventie sub 4] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten van [eiser in conventie] worden tot op heden begroot op € 2.148,00 (2,0 punten x tarief IV € 1074,00) aan salaris advocaat. Nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst van 30 januari 2017 met [gedaagde in conventie sub 1] is ontbonden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde in conventie sub 1] tot betaling van € 23.125,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2018 tot op de dag van betaling en met € 1.006,25 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.3.

veroordeelt [gedaagde in conventie sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie] tot op heden begroot op € 1.396,01, te vermeerderen met de na dit vonnis aan de zijde van ontstane nakosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [gedaagde in conventie sub 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak en te vermeerderen met de daarover en over de nakosten verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,

5.4.

wijst alle overige vorderingen af,

5.5.

heft op de door [eiser in conventie] ten laste van [gedaagde in conventie sub 3] gelegde beslagen,

5.6.

veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in conventie sub 3] tot op heden begroot op € 3.043,00, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser in conventie] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak en te vermeerderen met de daarover en over de nakosten verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,

5.7.

veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in conventie sub 4] tot op heden begroot op € 3.043,00, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser in conventie] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak en te vermeerderen met de daarover en over de nakosten verschuldigde wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,

5.8.

veroordeelt [eiser in conventie] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde in conventie sub 5] tot op heden begroot op € 3.043,00, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser in conventie] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

in reconventie

5.9.

wijst het gevorderde af,

5.10.

veroordeelt [gedaagde in conventie sub 4] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie] tot op heden begroot op € 2.148,00, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde in conventie sub 4] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

in conventie en reconventie

5.11.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling in 5.2 en de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019.1

1 *