Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3392

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
C/13/562256 / HA ZA 14-348 (TREV)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartkartel. Artikel WCOD, doeltreffendheidsbeginsel, goede procesorde. Rechtbank verklaart Nederlands recht van toepassing op de schadevergoedingsvorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummers / rolnummers:

C/13/562256 / HA ZA 14-348 (SCC I) en C13/604492 / HA ZA 16-301 (SCC II)

Vonnis van 1 mei 2019

in de zaken van

de stichting

STICHTING CARTEL COMPENSATION,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. J. van den Brande,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

advocaat mr. J.S. Kortmann,

2. de naamloze vennootschap

MARTINAIR HOLLAND N.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

advocaat mr. J.S. Kortmann,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,

gevestigd te Keulen, Duitsland,

advocaat mr. P.N. Malanczuk,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

LUFTHANSA CARGO A.G.,

gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,

advocaat mr. P.N. Malanczuk,

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht

BRITISH AIRWAYS PLC.,

gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk,

advocaat mr. D.J. Beenders,

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SOCIETE AIR FRANCE S.A.,

gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,

advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,

7. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SINGAPORE AIRLINES LIMITED,

gevestigd te Singapore, Singapore,

advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,

8. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD,

gevestigd te Singapore, Singapore,

advocaat mr. I.W. VerLoren van Themaat,

gedaagden.

Eiseres zal hierna SCC worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 januari 2018, waarbij aan de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing een aantal rechtsvragen zijn gesteld over de bepaling van het toepasselijk recht aan de hand van artikel 4 lid 1 Wet Conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD) op een verbintenis wegens ongeoorloofde mededinging ingeval van een grensoverschrijdende inbreuk op de mededingingsregels;

  • -

    de prejudiciële beslissing van 16 maart 2018 van de Hoge Raad, waarbij is afgezien van beantwoording van de prejudiciële vragen;

  • -

    e-mailcorrespondentie tussen de rechtbank en partijen over de agenda van de pleidooizitting op 27 november 2018;

  • -

    het verkorte proces-verbaal van pleidooi van 27 november 2018, met de daarin genoemde processtukken.

1.2.

In voornoemd proces-verbaal is bepaald dat eventuele opmerkingen daarop binnen veertien dagen na ontvangst daarvan per e-mail aan de griffie kenbaar kunnen worden gemaakt. Het proces-verbaal is per e-mail op 11 december 2018 aan partijen toegezonden.

De e-mails van 2 januari 2019 van mr. T. Heikens, van 3 januari 2019 van mr. M. Portman en van 7 januari 2019 van mr. H. Speyart, namens gedaagden met reacties op het proces-verbaal, dateren van na deze termijn van veertien dagen. Gelet hierop zullen die e-mails, zoals verzocht door mr. Th. Verheij namens SCC bij e-mail van 10 januari 2019, buiten beschouwing worden gelaten.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Gelet op de hiervoor vermelde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 16 maart 2018 zijn partijen op de pleidooizitting in de gelegenheid gesteld om hun standpunten ten aanzien van het toepasselijk recht nader toe te lichten, mede in het licht van de door de rechtbank in het tussenvonnis van 2 augustus 2017 (hierna: het tussenvonnis) geformuleerde mogelijke aanknopingspunten voor het bepalen van het toepasselijk recht op de (aan SCC gecedeerde) schadevergoedingsvorderingen van de shippers.

2.2.

Allereerst hecht de rechtbank er aan (nogmaals) vast te stellen dat het geding tussen partijen betrekking heeft op de mogelijke civielrechtelijke gevolgen van (volgens SCC) onrechtmatige handelingen voortvloeiend uit één enkele voortgezette inbreuk op artikel 101 VWEU die is gepleegd door meerdere, in verschillende (lid)staten gevestigde vennootschappen (hierna ook: het kartel) en waarvan de talrijke gelaedeerden eveneens in verschillende (lid)staten gevestigd zijn. De oorzaken en gevolgen van de aan die handelingen verbonden gestelde schade kunnen daardoor geografisch sterk versnipperd zijn.

2.3.

De rechtbank stelt voorts voorop dat op het moment waarop het kartel aanving, in het Nederlands internationaal privaatrecht nog geen wettelijke of communautaire verwijzingsregel gold ter bepaling van het toepasselijk recht op verbintenissen uit onrechtmatige daad. Het conflictenrecht in de WCOD (in werking getreden op 1 juni 2001) sluit echter nauw aan bij het voordien geldende recht zoals gevormd door de Hoge Raad in het Cova-arrest (Hoge Raad, 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1148). De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 4 van de WCOD vastgelegde verwijzingsregel ook kan worden toegepast op de periode voor inwerkingtreding van de WCOD (zo ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7753, r.ov. 3.14).

2.4.

Zoals de rechtbank in 4.9 van het tussenvonnis heeft overwogen dient voor iedere schadevergoedingsvordering van een individuele shipper uit hoofde van onrechtmatige daad (deelname aan het kartel) jegens een individuele luchtvaartmaatschappij het toepasselijk recht (het vorderingsstatuut) te worden bepaald. Anders gezegd moet voor iedere verbintenis uit onrechtmatige daad van een individuele luchtvaartmaatschappij (de schuldenaar) strekkende tot schadevergoeding aan een individuele shipper (de schuldeiser van die verbintenis) het toepasselijk recht worden vastgesteld. De luchtvaartmaatschappijen betogen (naar de rechtbank begrijpt) dat per luchtvaartmaatschappij sprake kan zijn van meerdere verbintenissen uit onrechtmatige daad jegens een individuele shipper, namelijk evenzoveel verbintenissen als door die individuele shipper afgenomen vluchten. De rechtbank volgt dit betoog niet. De vraag of een verbintenis kwalificeert als een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van de WCOD, moet op grond van artikel 4 WCOD worden beantwoord naar Nederlands recht (de lex fori). De rechtbank is van oordeel dat naar Nederlands recht voor iedere individuele luchtvaartmaatschappij geldt dat haar (voortdurende) deelname aan het kartel één voortdurende onrechtmatige gedraging betreft die voor een individuele shipper tot verschillende schadeposten kan leiden. Anders dan de luchtvaartmaatschappijen betogen, kan de deelname van een luchtvaartmaatschappij aan het kartel niet worden gekwalificeerd als meerdere gedragingen van één luchtvaartmaatschappij, die ieder op zich als een onrechtmatige daad hebben te gelden. Dit oordeel strookt met het feit dat volgens vaste rechtspraak karteldeelnemers op grond van onrechtmatige daad hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de door het kartel veroorzaakte schade, ook indien die schade niet voortvloeit uit door de betreffende karteldeelnemer zelf geleverde goederen of uitgevoerde diensten maar uit die van andere (op dat moment aan het kartel deelnemende) karteldeelnemers.

2.5.

De rechtbank volhardt bij hetgeen zij in het tussenvonnis onder 4.7 tot en met 4.10 heeft overwogen. Kernvraag is derhalve waar de ongeoorloofde mededingingshandeling (lees: het kartel) de concurrentieverhoudingen heeft beïnvloed in de zin van artikel 4 lid 1 WCOD. Verder is relevant, zoals in het tussenvonnis van 17 januari 2018 onder 2.13 is overwogen, dat het onderhavige kartel effect heeft gehad op (de prijsvorming ten aanzien van) zeer veel vluchten van en naar zeer veel landen ter wereld. Door dit onrechtmatig handelen is sprake van een wereldwijde beïnvloeding van de concurrentieverhoudingen. Ook is van belang dat er geen contractuele rechtsverhouding tussen de luchtvaartmaat-schappijen en de shippers bestaat (tussenvonnis onder 4.11).

2.6.

De rechtbank volhardt verder in haar overwegingen onder 4.14 in het tussenvonnis op grond waarvan zij tot het oordeel komt dat niet dient te worden aangeknoopt bij de plaats waar de overeenkomst tussen de luchtvaartmaatschappij en een freight forwarder met betrekking tot een specifieke luchtvrachtdienst werd gesloten of waar de onderhandeling over de prijs voor die luchtvrachtdienst heeft plaatsgevonden.

2.7.

Verder is de rechtbank, gelet op hetgeen in het tussenvonnis onder 4.17 is overwogen, van oordeel dat zowel de staat van vestiging van de luchtvaartmaatschappijen als de plaats waar de ongeoorloofde mededingingsafspraken zijn gemaakt, in het onderhavige geval geen relevant aanknopingspunt biedt. Het gaat immers om de plaats waar die ongeoorloofde mededingingsafspraken schadelijk hebben ingewerkt en waar dus de concurrentieverhoudingen zijn beïnvloed.

2.8.

Ook aanknoping bij de plaats van vestiging van de gelaedeerden is arbitrair. Los van de in het tussenvonnis onder 4.18 en 4.19 tegen dit aanknopingspunt genoemde bezwaren, staat immers niet vast dat de concurrentieverhoudingen daadwerkelijk zijn beïnvloed in alle staten waarin gelaedeerde shippers zijn gevestigd.

2.9.

De rechtbank volhardt concluderend bij hetgeen zij onder 4.16 in het tussenvonnis heeft overwogen, te weten dat de ongeoorloofde mededingingsafspraken de concurrentie-verhoudingen in zeer veel staten hebben beïnvloed, waaronder ook in Nederland, zodat de conflictregel van artikel 4 WCOD geen uniforme oplossing biedt en bij gebreke van een regel van voorrang een praktische oplossing moet worden gezocht, zoals ook de wetgever bij de invoering van artikel 4 WCOD voor ogen heeft gestaan. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat ook bij de keuze van de wetgever voor de conflictenrechtelijke hoofdregel van artikel 3 WCOD het belang van de compensatoire functie van de verbintenis uit onrechtmatige daad, het belang van de schadeafwikkeling, zwaar heeft gewogen (TK 1998/1999, 26608, nr. 3, pagina 6). De rechtbank is van oordeel dat het doeltreffendheidsbeginsel, de expliciete rechtskeuze van SCC voor Nederlands recht, alsmede de goede procesorde genoegzaam rechtvaardigen dat Nederlands recht van toepassing is op de (aan SCC gecedeerde) schadevergoedings-vorderingen van de shippers. Aldus zal worden beslist.

2.10.

De rechtbank zal tussentijds appel openstellen van dit tussenvonnis. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

2.11.

Vandaag doet de rechtbank in de zaken van Equilib tegen de luchtvaartmaat-schappijen met zaak- en rolnummers C/13/486440 / HA ZA 11-944 (Equilib I) en C/13/561169 / HA ZA 14-283 (Equilib II) een gelijkluidende uitspraak over het toepasselijk recht.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat Nederlands recht van toepassing is op de (aan SCC gecedeerde) schadevergoedingsvorderingen van de shippers,

3.2.

stelt tussentijds hoger beroep open van dit vonnis,

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.E. de Vos en
mr. M.E.M. James-Pater, rechters, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2019.