Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3357

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
13/005068-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het beschikken over een sleutel geeft geen bewustheid van aanwezigheid wapens en munitie kelderboxruimte. Bedreiging van twee personen bij café met doorgeladen machinepistool.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/005068-19

Datum uitspraak: 3 mei 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] ,

thans gedetineerd in [penitentiaire inrichting]

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 april 2019. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. K. Hara, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. Jeeninga, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij

1.in de periode van 3 januari 2019 tot en met 6 januari 2019 een volautomatisch machinepistool, een granaat, patroonhouders, trommelmagazijnen en munitie voorhanden heeft gehad;

2.in de periode van 3 januari 2019 tot en met 6 januari 2019 een revolver van het merk Colt en een revolver van het merk Smith & Wesson voorhanden heeft gehad;

3.in de periode van 3 januari 2019 tot en met 6 januari 2019 een of meer geluiddemper(s) voorhanden heeft gehad;

4.op 6 januari 2019 [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd door een (automatisch) vuurwapen uit zijn tas te halen, deze door te laden en op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richten.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten, met uitsluiting van het onder feit 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van het revolver van het merk Colt, bewezen kunnen worden verklaard. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Bij de aanhouding van verdachte op 6 januari 2019 is een machinepistool aangetroffen in zijn schoudertas. Bij zijn aanhouding, heeft verdachte de politie gewaarschuwd met: “Pas op, het vuurwapen staat op scherp.” Verdachte heeft bekend het wapen te hebben getoond aan de heren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dit is ook op de camerabeelden te zien. Dit incident geeft de politie aanleiding om de woning van verdachte te doorzoeken. De politie treft vervolgens meerdere wapens en munitie aan in een slaapkamer en in de kelderbox van de woning. Het wapen dat in de slaapkamer is aangetroffen, is een antieke revolver van het merk Colt, waarvan het bezit geen strafbaar feit oplevert. Het voorhanden hebben van de wapens en munitie die in de kelderbox worden aangetroffen, is echter wel strafbaar. Verdachte heeft zich ten aanzien van deze wapens en munitie op zijn zwijgrecht beroepen. Nu verdachte de enige is met een sleutel van deze kelderbox, er meerdere foto’s van verdachte met wapens op zijn telefoon zijn aangetroffen, en zijn familieleden (de overige bewoners van de woning) verklaren niets te weten van de wapens en munitie, kan het niet anders zijn dan dat de aangetroffen wapens en munitie van verdachte zijn.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van feit 1 - ten aanzien van het machinegeweer en de bijbehorende munitie - en feit 4.

Ten aanzien van het overige deel van feit 1, feit 2 en feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat uit geen enkel bewijsmiddel volgt dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens die zijn gevonden in de slaapkamer en in de kelderbox horende bij de woning aan [adres] . Het enkele gegeven dat verdachte een sleutel had van de kelderbox, maakt niet dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens.

Subsidiair heeft de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging bepleit ten aanzien van feit 2, nu het bezit van de antieke revolver van het merk Colt geen strafbaar feit oplevert.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 6 januari 2019 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd door ten overstaan van hen een volautomatisch machinepistool door te laden en dit op hen te richten. Deze bedreiging gaf aanleiding tot doorzoeking van de woning van verdachte. Op 6 januari 2019 heeft de doorzoeking van deze woning aan [adres] plaatsgevonden, alsmede in de kelderboxruimte die bij deze woning hoort.

In een slaapkamer is een revolver van het merk Colt aangetroffen. In de kelderboxruimte zijn onder meer een granaat, patroonhouders en trommelmagazijnen (feit 1), een revolver van het merk Smith & Wesson (feit 2) en geluidsdempers (feit 3) in een sporttas aangetroffen. Deze kelderbox werd door de politie geopend met een sleutel, die aan de bij verdachte aangetroffen sleutelbos zat.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij enkele maanden niet in deze kelderbox is geweest en dat het een kelderboxruimte is waar spullen worden opgeslagen van de hele familie.

De ouders, echtgenote, broer en zus van verdachte hebben allen verklaard geen toegang te hebben tot de kelderbox of hier lang niet geweest te zijn.

Ondanks het feit dat verdachte beschikte over een sleutel die toegang gaf tot de kelderboxruimte, volgt daaruit nog niet dat verdachte ook op de hoogte was van de aanwezigheid van de in de ruimte aangetroffen wapens en munitie. De rechtbank stelt zich dan ook de vraag of verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van deze wapens en munitie. De rechtbank overweegt als volgt.

3.3.1

Vrijspraak van het voorhanden hebben van de wapens en vuurwapenattributen zoals aangetroffen in de woning en kelderboxruimte

Uit het dossier volgt dat meerdere personen woonachtig zijn aan [adres] en in beginsel dus toegang kunnen hebben tot de kelderboxruimte. Bovendien lagen de wapens, magazijnen en geluiddempers opgeborgen in een sporttas. Bij het enkele betreden van de kelderbox waren deze dus niet zichtbaar.

Evenmin zijn er sporen van verdachte op één van de wapens, attributen of tassen aangetroffen, maar wel sporen van andere (deels onbekende) personen. Verder volgt uit het dossier en uit hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard dat ook de vader en de broer van verdachte niet onbekend zijn met vuurwapens. Ter zitting zijn vergunningen overgelegd waaruit volgt dat de vader van verdachte in Pakistan meerdere vuurwapens bezit. Uit berichtenverkeer dat is aangetroffen op de telefoon van verdachte volgt dat een Pakistaanse wapenhandelaar contact zocht met verdachte én zijn broer over de mogelijke verkoop van wapens. Op de slaapkamer van (volgens zijn ouders) de broer van verdachte is bovendien een (antieke) revolver aangetroffen. Het is daarom niet uit te sluiten dat deze familieleden meer wisten van hetgeen in de kelderbox is aangetroffen dan zij bij de politie wilden verklaren.

Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet bewezen kan worden dat verdachte wist dat de ten laste gelegde goederen in de kelderboxruimte lagen. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van alle punten in de tenlastelegging, voor zover deze zien op de goederen die zijn aangetroffen in deze kelderbox.

Verdachte wordt eveneens vrijgesproken van het voorhanden hebben van het revolver van het merk Colt, ten laste gelegd onder feit 2. Dit wapen is in een slaapkamer aangetroffen, welke niet in gebruik was bij verdachte en zijn echtgenote. Gelet op het feit dat meerdere personen toegang hadden tot de woning en de betreffende slaapkamer, kan niet bewezen worden dat verdachte wist dat het betreffende revolver in de slaapkamer lag.

Nu niet kan worden bewezen dat verdachte dit wapen voorhanden heeft gehad, behoeft de strafbaarheid van het voorhanden hebben van dit wapen geen nadere bespreking.

Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde. Ook wordt verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde voorhanden hebben van een granaat, patroonhouders en trommelmagazijnen.

3.3.2

Waardering van het bewijs

Uit het dossier volgt dat verdachte op 6 januari 2019 bij café [café] in Amsterdam was. Uit zowel de aangiftes, als uit de verklaring van verdachte zelf, volgt dat verdachte aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , nadat zij café [café] hadden verlaten, achterna is gegaan en dat hij voor café [café] zijn tas heeft open gemaakt en een automatisch vuurwapen aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft getoond. Aangevers verklaren beiden dat het automatisch vuurwapen helemaal uit de tas werd gehaald. Het automatisch vuurwapen werd vervolgens door verdachte doorgeladen en op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gericht. De politie treft vlak hierna het betreffende wapen in een tas aan, die verdachte op dat moment om zijn schouder draagt. Blijkens nader onderzoek aan het wapen bevinden zich in het bij verdachte aangetroffen wapen 12 patronen in het wapen, waarvan 1 in de loop. Hieruit blijkt ook dat het wapen op het moment van aantreffen bij verdachte, doorgeladen was.

De verklaring van verdachte, dat hij het wapen maar voor een deel uit zijn tas heeft gehaald en niet op aangevers heeft gericht, acht de rechtbank gelet op de inhoud van de aangiftes, alsmede het proces-verbaal waarin de beelden zijn beschreven, niet aannemelijk.

De rechtbank acht op basis van het voorgaande de bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door het wapen uit de tas te halen, het wapen door te laden en aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te tonen, wettig en overtuigend bewezen. Ook acht de rechtbank bewezen dat hij het automatische vuurwapen met de patronen voorhanden heeft gehad.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat

ten aanzien van feit 1:

hij in de periode van 3 januari 2019 tot en met 6 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie II, te weten een volautomatisch machinepistool van het merk Brugger en Thomet, MP9, kaliber 9x19 mm, en 12 patronen van kaliber 9x19 mm voorhanden heeft gehad.

ten aanzien van feit 4:

hij op 6 januari 2019 te Amsterdam [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte ten overstaan van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een automatisch vuurwapen uit zijn tas gehaald en doorgeladen en op voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gericht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De rechtbank acht een noodweersituatie zoals door de verdediging geschetst, namelijk dat aangevers van plan waren een vrouw te beroven en verdachte dit moest voorkomen, niet aannemelijk geworden. Het dossier bevat hiervoor geen enkele aanwijzing.

Het verweer wordt verworpen. De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar.

6 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde (subsidiair) een beroep op putatief noodweer gedaan. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij een beroving moest voorkomen en vervolgens zichzelf dan wel de oude vrouw die beroofd zou worden moest verdedigen.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij hoorde dat twee jongens zeiden dat ze een oude vrouw zouden gaan ‘pakken’ en dat hij hieruit opmaakte dat ze een oude vrouw zouden gaan beroven.

Beide aangevers hebben hier ook over verklaard. Volgens aangevers heeft verdachte tijdens de bedreiging geroepen dat zij die vrouwen met rust moesten laten. Hieruit volgt dat verdachte kennelijk dacht dat hij vrouwen te hulp moest schieten.

Voor een beroep op putatief noodweer moet echter sprake zijn van objectieve gronden, op basis waarvan de verdachte redelijkerwijs mocht aannemen dat sprake was van een (dreigende) noodweersituatie. Van dergelijke objectieve gronden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de reactie van verdachte, te weten het pakken, tonen en doorladen van een automatisch vuurwapen, niet in verhouding staat tot de ernst van het op dat moment (abusievelijk veronderstelde) dreigende gevaar. Ook had de verdachte ervoor kunnen kiezen om de politie te bellen, in plaats van te handelen zoals hij heeft gedaan.

Het beroep op putatief noodweer wordt verworpen.

Er is verder geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de (culturele) achtergrond van verdachte. Verdachte is van Pakistaanse afkomst en in Pakistan is het gebruikelijk dat mensen over wapens beschikken. Het dragen van een (semi-) automatisch wapen is in Pakistan met vergunning legitiem en gebruikelijk en kan verklaren waarom verdachte dit de bewuste avond bij zich droeg.

Verdachte heeft bovendien een zo open mogelijk beeld van hemzelf proberen te geven, door volledige medewerking te verlenen aan het opstellen van een psychologische rapportage.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de intenties van verdachte niet gericht waren op het plegen van strafbare feiten, maar juist op het voorkomen daarvan.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft op enig moment een automatisch vuurwapen met patronen verkregen. Het enkel voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie brengt al een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Verdachte heeft vervolgens kennelijk besloten om dit wapen met daarin patronen in een tas mee te nemen naar een café. Vervolgens heeft hij na het nuttigen van alcohol, voor het café op de openbare weg, twee personen met dit automatische vuurwapen bedreigd, door het wapen te pakken, dit merkbaar door te laden en dit op deze personen te richten.

Het spreekt voor zich dat verdachte door het plegen van dit feit bij de slachtoffers, maar ook bij de getuigen van dit voorval, hevige gevoelens van schrik en angst heeft veroorzaakt, waardoor zij zich zeer onveilig hebben gevoeld.

De rechtbank houdt rekening met wat in vergelijkbare zaken aan straffen wordt opgelegd en kijkt hierbij ook naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, die bij het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en bedreiging met een vuurwapen uitgaan van forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

De rechtbank ziet als strafverzwarende omstandigheden dat het vuurwapen geladen was en werd meegenomen naar een uitgaansgelegenheid. De rechtbank acht ook straf verhogend dat de bedreiging plaatsvond op de openbare weg en het wapen niet alleen werd getoond, maar ook werd doorgeladen. Tot slot neemt de rechtbank als straf vermeerderend mee dat verdachte dit alles onder invloed van alcohol heeft gedaan.

Dat het in Pakistan gebruikelijk is om dit soort wapens te dragen en verdachte vaak in Pakistan komt, maakt niet dat de rechtbank anders aankijkt tegen de ernst van het feit.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 maart 2019, waaruit blijkt dat verdachte de afgelopen 5 jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Uit dit strafblad volgt dan ook geen reden om aan verdachte een hogere of lagere straf op te leggen.

Nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, komt de rechtbank tot oplegging van een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Alles overwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, passend.

7.4

Verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis

Verzoek namens de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, wegens het ontbreken van gronden.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen, zodat verdachte een eventueel aan hem op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf (langer dan het voorarrest) op een later moment kan ondergaan. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de ouders en de echtgenote van verdachte afhankelijk zijn van het inkomen van verdachte. Vooral nu is de hulp en het inkomen van verdachte nodig, omdat zij hun huidige woning dienen te verlaten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen het verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis. Gelet op de context van de zaak is het recidivegevaar nog altijd aanwezig. Met betrekking tot het schorsingsverzoek heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van verdachte bij de politie, waaruit blijkt dat hij niet bijdraagt aan de financiële situatie van zijn ouders.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de grond (recidivegevaar) voor voorlopige hechtenis, als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering, en genoemd door de rechter-commissaris, gelet op de aard en ernst van hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, nog aanwezig is en wijst een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Ook is de rechtbank van oordeel dat het belang van de maatschappij bij het voortduren van de voorlopige hechtenis zwaarder weegt dan het belang van verdachte bij een schorsing van de voorlopige hechtenis. Het verzoekt tot schorsing wordt daarom dus ook afgewezen.

8 Beslag

Onder verdachte is een aantal voorwerpen in beslag genomen. De rechtbank moet een beslissing nemen met betrekking tot deze voorwerpen, die staan vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen. Deze beslaglijst is als bijlage III aan dit vonnis gehecht.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 3, 4, 5 en 6 genoemde voorwerpen op de beslaglijst dienen te worden verbeurd verklaard.

De onder 1 en 2 genoemde voorwerpen kunnen worden terug gegeven aan de rechthebbende.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 4 genoemde voorwerp op de beslaglijst, te weten het revolver van het merk Colt, dient te worden bewaard voor de rechthebbende, nu het niet strafbaar is om dit antieke wapen in bezit te hebben.

De onder 3, 5 en 6 genoemde wapens op de beslaglijst kunnen worden onttrokken aan het verkeer.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat met het onder 3 genoemde voorwerp op de beslaglijst, te weten het machinepistool, het onder feit 1 en 4 bewezen geachte is begaan. Bovendien is dit voorwerp, net zoals de onder 5 en 6 genoemde voorwerpen, van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De rechtbank beslist dat de voorwerpen onder 3, 5 en 6 genoemd, te weten de wapens, worden onttrokken aan het verkeer.

Ten aanzien van de onder 1, 2 en 4 genoemde voorwerpen overweegt de rechtbank dat het bezit van deze goederen, te weten de kogelwerende vesten en het antieke wapen, niet strafbaar is gesteld. De rechtbank beslist dat deze goederen worden bewaard voor de rechthebbenden.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 285, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II;

ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de onder 3, 5 en 6 op de beslaglijst weergegeven inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de onder 1, 2 en 4 op de beslaglijst weergegeven inbeslaggenomen voorwerpen.

Wijst af het verzoek tot opheffing, of schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en N. Swart, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 mei 2019.

Bijlage I

[...]

Bijlage II [...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

Bijlage III [...]

1 [...]

2 [...]

3 [...]

4 [...]

5 [...]

6 [...]