Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3355

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
12-06-2019
Zaaknummer
C/13/664288 / KG ZA 19-341
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verwijdering BKR-registratie afgewezen, want nog openstaande schuld € 72.000. ontvankelijk ondanks overschrijding 6 -wekentermijn. artt 35 lid 2 UAVG en 12 lid 3 AVG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/664288 / KG ZA 19-341 MvW/MAH

Vonnis in kort geding van 2 mei 2019

in de zaak van

[eiser bij dagvaarding] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 10 april 2019,

advocaat mr. M. Foolen te Tilburg,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D. Posthuma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser bij dagvaarding] en ING worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 18 april 2019 heeft [eiser bij dagvaarding] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. ING heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

[eiser bij dagvaarding] met mr. Van Veldhuizen, kantoorgenoot van mr. Foolen;

aan de zijde van ING: [naam vertegenwoordiger ING] met mr. Posthuma.

2 De feiten

2.1.

[eiser bij dagvaarding] heeft sinds 2003 voor zijn eenmanszaak bij ING een zakelijke rekening [rekeningnummer] met een kredietfaciliteit.

2.2.

Eind 2012 vond een overschrijding van de kredietlimiet plaats. ING heeft met [eiser bij dagvaarding] afspraken gemaakt, waaronder een aflosregeling. Bij brief van 17 januari 2014 heeft ING de kredietfaciliteit opgezegd en [eiser bij dagvaarding] gesommeerd het debetsaldo van ruim € 170.000,00 voor 27 februari 2014 aan ING te voldoen. Als gronden noemde ING het niet nakomen van de aflosregeling en het feit dat er niet of nauwelijks omzet plaatsvond over de rekening, waardoor bij ING vrees bestond voor discontinuïteit van de onderneming en twijfel over de algehele terugbetaling van het krediet.

2.3.

Toen niet werd betaald heeft Vesting Finance namens ING op 16 juli 2014 [eiser bij dagvaarding] gesommeerd binnen tien dagen te betalen, bij gebreke waarvan het totaalbedrag direct zou worden opgeëist en de achterstand zou worden gemeld bij het BKR. Aan deze sommatie heeft [eiser bij dagvaarding] niet voldaan.

2.4.

In het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van het Bureau krediet Registratie (BKR) staat contractnummer [rekeningnummer] geregistreerd met bijzonderheidscodes A (achterstand) en 2 (vordering opgeëist) met ingang van 1 augustus 2014.

2.5.

In september 2014 heeft Vesting namens ING met [eiser bij dagvaarding] een betalingsregeling getroffen van € 3.000,00 per maand. Deze is op 22 oktober 2014 bijgesteld naar € 2.100,00 per maand gedurende 36 maanden, nadien verlengd met 12 maanden.

2.6.

Bij brief van 18 december 2018 heeft Dynamiet Nederland namens [eiser bij dagvaarding] aan ING verzocht over te gaan tot verwijdering van de BKR-registratie. Bij e-mail van 21 januari 2019 van Vesting is hierop afwijzend gereageerd.

2.7.

Op 12 april 2019 stond van de schuld nog ruim € 72.000,00 open.

3 Het geschil

3.1.

[eiser bij dagvaarding] vordert – samengevat - om ING te veroordelen de BKR-registratie van [eiser bij dagvaarding] te doen verwijderen uit het CKI, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van ING in de kosten van deze procedure.

3.2.

ING voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser bij dagvaarding] heeft gesteld dat hij als gevolg van de BKR-registratie geen externe financiering kan krijgen voor noodzakelijke investeringen in zijn bedrijf. Het spoedeisend belang bij zijn vorderingen is daarmee gegeven.

4.2.

ING heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiser bij dagvaarding] niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het overschrijden van de termijn van zes weken waarbinnen volgens artikel 35 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) een verzoek als dit bij de rechtbank moet worden ingediend. Volgens ING ging de termijn van zes weken lopen op 21 januari 2019, de dag van de afwijzingsbrief van Vesting, en is deze dus op 4 maart 2019 verstreken. Dit kort geding is op 1 april 2019 aangevraagd en de dagvaarding is van 10 april 2019, dat is dus te laat.

4.3.

Op de zitting heeft [eiser bij dagvaarding] daar het volgende tegenin gebracht. Van termijnoverschrijding is geen sprake aangezien het verzoek niet aan een termijn is gebonden omdat ING niet binnen een maand op het verwijderingsverzoek van 18 december 2018 heeft gereageerd. Daarnaast heeft (Vesting namens) ING in de afwijzingsbrief van 21 januari 2019 niet voldaan aan de wettelijke eis, dat zij hem bij een afwijzing moet informeren over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter in te stellen.

4.4.

Ter onderbouwing van dit standpunt beroept [eiser bij dagvaarding] zich op artikel 35 lid 2 UAVG en artikel 12 lid 3 en 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Daarin is bepaald:

Artikel 35 lid 2 UAVG
2. Het verzoekschrift wordt ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verwerkingsverantwoordelijke. Indien de verwerkingsverantwoordelijke niet binnen de in artikel 12, derde lid, van de verordening genoemde termijnen heeft geantwoord, is de indiening van het verzoekschrift niet aan een termijn gebonden.

artikel 12 lid 3 en 4 AVG
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.

4. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene, deelt hij deze laatste onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek mee waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven, en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter in te stellen.

4.5.

Dit standpunt van [eiser bij dagvaarding] is juist. Nu er meer dan een maand zit tussen het verwijderingsverzoek van 18 december 2018 en de afwijzing van 21 januari 2019, is hij op grond van artikel 35 lid 2 UAVG en artikel 12 lid 3 AVG ontvankelijk in zijn vorderingen in dit kort geding. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat hier onder het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank ook het instellen van een vordering in kort geding moet worden begrepen (Gerechtshof Amsterdam van 19 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5289).

4.6.

Nu komt aan de orde de vraag of de door [eiser bij dagvaarding] gevraagde voorziening toewijsbaar is.

4.7.

Op grond van artikel 4:32 Wet financieel toezicht zijn kredietaanbieders verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door het BKR. Het doel van de kredietregistratie is tweeledig: enerzijds om consumenten te beschermen tegen overkreditering, anderzijds om aanbieders van krediet te beschermen tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen. Betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst worden in het CKI vermeld met bijzonderheidscoderingen, in het geval van [eiser bij dagvaarding] dus de coderingen A en 2.

4.8.

Artikel 21 AVG is van toepassing. Op grond van deze bepaling kan een persoon vanwege zijn specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens. De verwerkingsverantwoordelijke (hier ING) moet het bezwaar honoreren, tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Als het bezwaar wordt gehonoreerd, moet de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 17 AVG de persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging wissen. De betrokkene kan de rechter zo nodig om een doeltreffende voorziening vragen (artikel 79 AVG en artikel 35 UAVG).

4.9.

Het doel van de BKR-registratie en het daaruit voortvloeiende belang van ING en andere kredietverstrekkers moet dus worden afgewogen tegen de belangen van [eiser bij dagvaarding] .

4.10.

[eiser bij dagvaarding] heeft in dit verband het volgende gesteld. Hij heeft belang bij verwijdering van de gegevens uit het CKI, omdat hij nu door de registratie geen externe financiering kan krijgen voor zijn bedrijf. Hij heeft een afwijzing van een leningsaanvraag (€ 250.000,00) overgelegd; de BKR-registratie wordt daarin als motivering voor de afwijzing gegeven. Zijn financiële situatie is volgens [eiser bij dagvaarding] weer gezond; de schulden die hij heeft zijn niet meer dan gebruikelijke bedrijfsschulden. Hij is bezig weer op zijn oude niveau terug te komen. Daarvoor is het noodzakelijk dat zijn onderneming blijft groeien, anders loopt hij opdrachten en dus inkomsten mis. [eiser bij dagvaarding] heeft dringend financiering nodig voor de verbouwing - waarvoor hij de benodigde vergunningen al heeft - van een kantoorpand dat hij na de verbouwing als woningen wil gaan verhuren. De kredietwaardigheid van [eiser bij dagvaarding] wordt als zeer goed beoordeeld en de economie is gunstig, dus dit is in zijn ogen hèt moment om te investeren.

4.11.

De belangen van ING en andere financiële instellingen bij deze registratie zijn volgens [eiser bij dagvaarding] minder zwaarwegend, want:
- er is geen sprake van structurele wanbetaling, maar van een incidentele schuld,

- de oorzaak van die schuld lag grotendeels bij ING, die ongefundeerd en onverhoeds het krediet opzegde, niet bij [eiser bij dagvaarding] ,

- [eiser bij dagvaarding] is de betalingsregeling sinds januari 2015 al 52 maanden keurig nagekomen; hij heeft inmiddels al ruim € 109.000,00 afgelost;

- Hij is financieel kerngezond; van een reëel risico voor de financiële sector is dus geen sprake;

- Van overkreditering of misbruik door [eiser bij dagvaarding] is geen sprake.

4.12.

Bij de afweging is in de eerste plaats van belang dat de gebeurtenissen waar de coderingen op zien zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Er was een betalingsachterstand en het totaalbedrag is opgeëist, dus de coderingen zijn destijds terecht vermeld. Het belang bij de registratie is daarmee, gelet op de doelstellingen van het BKR, gegeven. Voor zover [eiser bij dagvaarding] nog heeft bedoeld te betogen dat de bijzonderheidscodering 2 fout is en daarmee onrechtmatig omdat het totaalbedrag ten onrechte is opgeëist, geldt dat dit, gelet op de inhoud van de brief van ING van 17 januari 2014 (zie 2.2), voorshands niet aannemelijk is geworden. Voor nader onderzoek daarnaar is in kort geding geen plaats.

4.13.

Afweging van de belangen leidt niet tot toewijzing van de vordering, alleen al omdat een groot bedrag, ruim € 72.000,00, nog niet is afgelost. Pas als de schuld is afgelost kan een einddatum worden geregistreerd, waarna normaal gesproken na vijf jaar de registratie vervalt. De afbetaling kan nog ongeveer drie jaar duren als [eiser bij dagvaarding] de betalingsregeling nakomt. De uitstaande schuld maakt dat [eiser bij dagvaarding] te vroeg is met zijn verzoek.

4.14.

De door [eiser bij dagvaarding] aangedragen argumenten maken dat niet anders. Van een stabiele financiële situatie is nog geen sprake. Hij is niet steeds de betalingsregeling stipt nagekomen; in 2015 heeft hij door een zakelijke tegenvaller enige tijd een achterstand gehad. Dat kan bij een volgende tegenvaller of de extra schuld die hij wil aangaan weer gebeuren. In dit verband is ook van belang dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser bij dagvaarding] nog andere schulden heeft, in ieder geval een schuld van rond € 85.000,00 aan de Belastingdienst wegens naheffingsaanslagen BTW en IB over 2014 en 2015. De BKR-registratie dient er ook toe om een financiële instelling in staat te stellen het kredietverleden van [eiser bij dagvaarding] mee te wegen bij de beoordeling van de krediet- en betalingsrisico’s naar aanleiding van een aanvraag van een financiering. Het zou strijdig zijn met het doel van de registratie om de informatie over het kredietverleden aan mogelijke kredietverstrekkers te onthouden. Het belang om een zakelijke financiering aan te gaan om het kantoorpand te verbouwen of voor bedrijfsuitbreiding in het algemeen, weegt daar niet tegenop. Daarbij komt dat weliswaar aan [eiser bij dagvaarding] één lening is geweigerd vanwege de registratie, maar niet is aangetoond dat er geen alternatieven zijn en/of dat hij zijn bedrijf nu niet meer kan uitoefenen.

4.15.

De slotsom is dat hier de belangen van een maatschappelijk verantwoorde financiële dienstverlening en de bescherming van de kredietregistratie zwaarder wegen dan het belang van [eiser bij dagvaarding] bij verwijdering van de coderingen in het CKI. De gevraagde voorzieningen zijn daarom niet toewijsbaar. Omdat [eiser bij dagvaarding] in het ongelijk wordt gesteld, zal hij in de proceskosten en de nakosten worden veroordeeld zoals verzocht door ING.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt [eiser bij dagvaarding] in de proceskosten, tot heden aan de zijde van ING begroot op:

– € 639,00 aan griffierecht en

– € 980,00 aan salaris advocaat;
te vermeerderen met de wettelijke rente hierover indien [eiser bij dagvaarding] deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft voldaan;

5.3.

veroordeelt [eiser bij dagvaarding] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser bij dagvaarding] deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving heeft voldaan; - te vermeerderen met € 82,00 ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt en met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser bij dagvaarding] deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft voldaan;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2019.1

1 type: mah coll: mb