Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:335

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
13/650009-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging leven beroven/toebrengen zw. lichamelijk letsel door schieten wapen. Ook als wordt aangenomen dat vte één van de twee mannen was, is onvoldoende komen vast te staan wie van de twee mannen de schutter was omdat alleen AG hierover verkl.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650009-18 (Promis)

Datum uitspraak: 18 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [BRP-adres]
,
gedetineerd in het [detentieplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
4 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.A. Kloos en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. E. Speich naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van het plegen van de volgende feiten:

Feit 1:
primair: tezamen en in vereniging plegen van poging tot het opzettelijk van het leven te beroven van [slachtoffer] , dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toebrengen, door met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] te schieten, op 1 januari 2018 in Amsterdam;

subsidiair: tezamen en in vereniging plegen van mishandeling van [slachtoffer] door met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] te schieten, op 1 januari 2018 in Amsterdam;

Feit 2:

het aanwezig hebben van een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Crvena Zastava, en munitie van categorie III, op 6 juni 2018 in Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding


Op 1 januari 2018 bevindt aangever [slachtoffer] (hierna aangever) zich met zijn vriendin en zus op de Leidsestraat in Amsterdam. Uit camerabeelden blijkt dat zij voor de McDonalds in gesprek raken met een tweetal mannen. Korte tijd nadat aangever, zijn vriendin en zus zijn weggelopen van deze mannen, horen zij terwijl zij nog in de Leidsestraat lopen dat er wordt geroepen: “Hey, mattie!”. Vervolgens wordt er geschoten. Ten gevolge van dit schietincident heeft aangever een schampschotverwonding aan zijn been opgelopen.

Verdachte wordt verweten dat hij de schutter is, maar hij ontkent deze handeling te hebben verricht.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat op basis van de verklaringen van aangever, zijn vriendin en zijn zus is komen vast te staan dat er op 1 januari 2018 is geschoten op aangever.

Er zijn diverse camerabeelden veilig gesteld op het tijdstip en de locatie van het schietincident. Hoewel het incident zelf niet op de beelden staat, kan wel worden gesteld dat het vermoedelijk heeft plaatsgevonden bij de kruising van de Leidsestraat met de Keizersgracht. Het eerste contact tussen aangever en de twee mannen, waaronder de schutter, vindt plaats bij de McDonalds in de Leidsestraat. Op basis van het door aangever, zijn vriendin en zus opgegeven signalement, de afstand tussen de Leidsestraat en de Keizersgracht, het tijdsverloop en de diverse contactmomenten met de twee mannen die min of meer door de Leidsestraat zijn te volgen op de beelden, kan worden geconcludeerd dat degene die wordt aangeduid als ‘NN1’ degene is geweest die op aangever heeft geschoten. Naar aanleiding van een interne aandachtsvestiging hebben verbalisanten Triest en T-745 verdachte herkend als zijnde NN1. Uit de samenhang en combinatie van deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die op aangever heeft geschoten.

Verdachte heeft op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad op het doden van aangever. Door in een straat met uitgaanspubliek, van korte afstand op een wegrennend persoon gericht te schieten heeft verdachte de aanmerkelijk kans aanvaard dat deze persoon dodelijk geraakt zou worden. Verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen, omdat onduidelijk is gebleven met welke reden de twee mannen achter aangever zijn aangelopen, wat zij met elkaar hadden afgesproken en waarom er is geschoten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag van aangever.

De officier van justitie acht het wapen- en munitiebezit (feit 2) eveneens bewezen op basis van het proces-verbaal van bevindingen, de getuigenverklaring en het wapenonderzoek.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 1. Er kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte de schutter was, omdat het dossier geen bewijs bevat waaruit de (directe) betrokkenheid van verdachte bij het schietincident kan worden afgeleid. Technisch bewijs ontbreekt. Er zijn geen beelden beschikbaar van het schietincident. De verklaringen van de vriendin en de zus van aangever kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt omdat zij geen of een niet gedetailleerde beschrijving van de schutter hebben opgegeven. Dat verdachte door twee verbalisanten zou zijn herkend, is niet relevant omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat deze persoon – later en ergens anders – heeft geschoten. Ten slotte is de verklaring van aangever niet betrouwbaar waardoor deze niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Zijn verklaring vindt op cruciale punten geen ondersteuning in het dossier, is meermalen aangepast aan objectieve onderzoeksgegevens en is suggestief en inconsistent. Bovendien werd de waarneming van aangever beïnvloed door drank- en drugsgebruik.

De verdediging heeft ook ten aanzien van het wapen- en munitiebezit bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. De anonieme getuigenverklaring kan niet voor het bewijs worden gebruikt, althans niet in beslissende mate, omdat de persoon van de getuige onbekend is gebleven en het een de auditu verklaring betreft. Technisch bewijs ontbreekt. Hoewel verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat hij een vuurwapen zag en hoorde vallen dat bij verdachte vandaan kwam, kan niet uitgesloten worden dat het wapen afkomstig is van een derde.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder 1 ten laste gelegde. Het dossier bevat onvoldoende bewijs op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte de schutter is.

Uit camerabeelden gemaakt op 1 januari 2018 in de Leidsestraat blijkt dat aangever, zijn vriendin en zus voor de McDonalds met twee mannen in gesprek zijn geraakt. Onduidelijk is waar het contact tussen aangever en de twee mannen uit bestond. Nadat aangever, zijn vriendin en zus zijn weggelopen, volgen de twee mannen hen op enige afstand. Vervolgens heeft het schietincident plaatsgevonden, maar daarvan zijn geen beelden beschikbaar.

Uit het dossier blijkt niet dat er een vooropgezet plan was of dat er afspraken gemaakt zijn voorafgaande aan het schietincident. De rechtbank ziet daarom onvoldoende bewijs voor het medeplegen. Dit betekent dat voor een bewezenverklaring van het overige tenlastegelegde vereist is dat komt vast te staan dat verdachte de schutter is geweest.

Aangever heeft verklaringen afgelegd waarin hij, kort gezegd, verdachte aanwijst als de persoon die op hem heeft geschoten. Op dit punt, dus de verklaring dat het verdachte was die schoot en niet een ander, vindt de verklaring van aangever echter onvoldoende steun in het dossier. Daarbij is van belang dat twee mannen achter het groepje van aangever liepen door de Leidsestraat.

De officier van justitie heeft gewezen op de verklaringen van de vriendin en de zus van aangever, die op korte afstand van het incident stonden. Zij hebben het volgende verklaard. De vriendin van aangever: “Plotseling zag ik dat de Marokkaanse jongen kwam aanlopen en riep ‘Hey, mattie’. De schutter was een Marokkaanse jongen van ongeveer 30 jaar oud, normaal tot slank postuur, en ietsjes langer van mijn vriend.” De zus van aangever: “Ik hoorde een stem zeggen ‘Hey, mattie’. Ik zag twee Marokkanen staan die ik herkende als de twee ‘snorders’. Ik zag dat één van de twee een vuurwapen in zijn hand had en deze op mijn broer richtte.” Deze verklaringen geven dus in zoverre steun aan de verklaring van aangever dat kan worden vastgesteld dat de schutter een Marokkaans uiterlijk heeft, vlak voor het schieten heeft geroepen ‘Hey, mattie’ en dat hij één van de twee mannen is waarmee aangever, zijn vriendin en zus in gesprek zijn geraakt bij de McDonald’s. Hun verklaringen zijn echter niet geschikt om een keuze te onderbouwen tussen de twee mannen met wie zij bij de McDonald’s hebben gesproken en die achter hen aan zijn gelopen. Daarnaast bieden hun verklaringen geen ondersteuning aan de verklaring van aangever dat de schutter een capuchon op had. De rechtbank is van oordeel dat, ook als wordt aangenomen dat verdachte één van de twee mannen bij de McDonalds was, onvoldoende is komen vast te staan wie van de twee mannen de schutter is geweest. De enige grond voor het oordeel dat het verdachte en niet de andere man de schutter zou zijn, zou dan de verklaring van aangever zijn. Voor zover vrijspraak al niet reeds zou moeten volgen om de reden dat de verklaring van één getuige niet voldoende wettig bewijs oplevert voor een veroordeling, met name nu het een cruciaal onderdeel van de verklaring betreft, acht de rechtbank ruimte voor twijfel aanwezig. Aangever heeft het op 1 januari, als hij melding doet van het incident, over een schutter van 185 à 190 centimeter lang en in zijn eerste verklaring tegen de politie heeft hij gezegd dat de schutter beduidend langer was dan hijzelf. Hij heeft dit daarbij tegelijkertijd omschreven als ‘een kop groter’ met een lengteverschil ten opzichte van aangever (lengte 180 cm) van 5 tot 10 centimeter. De rechtbank heeft op de zitting echter kunnen waarnemen dat verdachte kleiner is dan aangever. Een kopie van het ID-bewijs van verdachte in het dossier bevestigt dit: hij is 174 cm lang. In dit geval, waarin de identificatie van de verdachte als de schutter vrijwel volledig op één verklaring zou moeten steunen, laat dit teveel ruimte voor twijfel.

Dit maakt dat de rechtbank onvoldoende bewijs ziet om te kunnen vaststellen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het schietincident en zal hem daarom van dit feit vrijspreken.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde wapenbezit wel bewezen kan worden op grond van het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van wapenonderzoek. Het bezit van munitie kan niet bewezen worden, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Uit het proces-verbaal van wapenonderzoek blijkt weliswaar dat zich in het magazijn van het pistool munitie bevond, maar niet blijkt dat deze munitie uit het patroonmagazijn is genomen en onderzocht. Voor de vaststelling dat sprake is geweest van munitie van categorie III ontbreekt dus het bewijs.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 2:

op 6 juni 2018 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool, merk Crvena Zastava,

voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en onder 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van voorarrest.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, voor zover haar standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide feiten mocht worden gepasseerd, verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast is er geen sprake van recidive en is verdachte de afgelopen vijf jaar niet veroordeeld.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van vuurwapen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de LOVS als uitgangspunt genomen. De rechtbank ziet aanleiding om hier van af te wijken omdat verdachte zich met een geladen vuurwapen op de openbare weg heeft begeven. Dat is een ernstig misdrijf, omdat het dragen van geladen vuurwapens het risico met zich brengt dat die wapens daadwerkelijk gebruikt gaan worden en er slachtoffers kunnen vallen. Bovendien is verdachte eerder veroordeeld voor wapenbezit.

De rechtbank heeft kennis genomen van het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 december 2018. Hieruit blijkt dat verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan onderhavig feit niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie. De rechtbank stelt overigens vast dat verdachte het grootste deel van deze vijf jaar was gedetineerd.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat zij minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie bij zijn eis tot uitgangspunt heeft genomen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden een passende straf is.

10 Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert ter zake van het onder 1 ten laste gelegde een bedrag ter hoogte van € 500.- aan materiële schadevergoeding en een bedrag ter hoogte van € 7.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,

mrs. M.F. Ferdinandusse en A. Meester, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 januari 2019.