Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3314

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2019
Datum publicatie
07-06-2019
Zaaknummer
6808638 CV EXPL 18-7745
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaart; vertraging door landelijke telecommunicatie storing; buitengewone omstandigheid op grond van paragraaf 14 van de Considerans aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6808638 CV EXPL 18-7745

vonnis van: 6 mei 2019

fno.: 34109

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de rechtspersoon naar buitenlands recht Airhelp Limited

gevestigd te Hong Kong, China,

eiseres

nader te noemen: Airhelp,

gemachtigde: mr. H. Yildiz

t e g e n

de naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V.

gevestigd te Amstelveen

gedaagde

nader te noemen: KLM/ de vervoerder

gemachtigde: mr. G.W. Oreel en mr. K.A. Bossenbroek,

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Verwezen wordt naar de volgende stukken:

  • -

    dagvaarding van 12 maart 2018 met producties

  • -

    antwoord met producties;

  • -

    instructievonnis;

  • -

    repliek met producties;

  • -

    dupliek met producties;

  • -

    akte uitlating producties.

Op 22 maart 2019 hebben partijen pleidooi gehouden. Verschenen zijn de gemachtigde van Airhelp en [naam vertegenwoordiger KLM] (Director Consumer and Legal Affairs) namens KLM, bijgestaan door zijn gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

[naam passagier] (verder: de passagier) heeft bij de vervoerder een vliegreis geboekt van Linköping (LPI), Zweden, naar Entebbe (EBB), Oeganda, uit te voeren op 19 en 20 mei 2016:
1) [vluchtnummer 2] van LPI naar AMS
2) [vluchtnummer 3] van AMS naar Nairobi (NBO), Kenia
3 [vluchtnummer 4] van Nairobi naar EBB.

1.2.

De geplande vertrektijd van [vluchtnummer 2] was 17.15 met aankomsttijd 19.05 lokale tijd.

1.3.

Vlucht [vluchtnummer 2] is met een vertraging van 2.05 uur te Amsterdam aangekomen.

1.4.

Vlucht [vluchtnummer 2] was onderdeel van de rotatie AMS-LPI-AMS. Op 19 mei 2016 was sprake van een grootschalige storing van het openbaar telecommunicatienetwerk in Zweden. De eerste vlucht in de rotatie [vluchtnummer 1] ) is vertraagd op LPI gearriveerd als gevolg van een opgelegd ATFM-slot (code 81), waardoor deze vlucht pas om 17.35 aan kwam. Vlucht [vluchtnummer 2] kreeg vervolgens ook een ATFM-slot opgelegd (code 82) en vertrok om 19.24, met aankomsttijd 21.10 in AMS.

1.5.

De passagier heeft de aansluitende vlucht naar NBO gemist.

1.6.

Airhelp heeft namens de passagier compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging ten bedrage van in totaal € 600,00. De vervoerder heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

1.7.

De passagier heeft de vordering aan Airhelp gecedeerd


Vordering en verweer

2. Airhelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 600,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag
vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
b. € 90,00 aan buitengerechtelijke kosten;
c. de proceskosten.

3. Airhelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). Airhelp stelt dat de vervoerder de passagier dient te compenseren voor een bedrag van € 600,00 nu de passagier meer dan 4 uur later dan gepland zijn eindbestemming heeft bereikt.

4. De vervoerder voert aan dat er sprake is van een uitzonderingssituatie in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening, waardoor hij geen compensatie verschuldigd is. Hij voert hiertoe aan dat:
-de luchthaven LPI op 19 mei 2016 te maken had met een grootschalige landelijke storing van het openbaar telecommunicatienetwerk, hetgeen op zichzelf reeds een buitengewone omstandigheid oplevert in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening;
-in verband met die storing het toestel dat de rotatievlucht AMS-LPI-AMS uitvoerde verschillende ATFM-slots opgelegd kreeg, die (ook) op zichzelf een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening opleveren.

5. Airhelp betwist dat er sprake is van een buitengewone omstandigheid. Volgens Airhelp staat niet vast dat LPI problemen ondervond van de storing bij Telia, dat LPI geen “Swedavia airport” is die volgens de nieuwsberichten werden getroffen door de storing, en dat de storing om 10.55 was verholpen. Verder betwist Airhelp dat een ATFM-slot kwalificeert als “een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag” in overweging 15 van de Considerans, omdat
*een dergelijk slot niet voor het vliegtuig wordt afgegeven maar voor een bepaalde vlucht, en
*geen sprake is van een “besluit” maar van een toewijzing.

Beoordeling

Buitengewone omstandigheid op grond van paragraaf 14 of 15 Considerans

6. Ten aanzien van het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening wordt het volgende overwogen. Artikel 5 lid 3 van de Verordening bepaalt dat een luchtvaartmaatschappij niet verplicht is compensatie te betalen indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

7. In de Considerans bij de Verordening is – samengevat – in paragraaf 14 opgenomen dat buitengewone omstandigheden zich kunnen voordoen bij:

-politieke instabiliteit
-weersomstandigheden die de vlucht in kwestie verhinderen
-beveiligingsproblemen
-onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.

8. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de landelijke telecommunicatie storing (ook) de luchthaven van LPI heeft getroffen. De e-mail die is overgelegd als productie 3 bij antwoord is afkomstig van de “station manager” van LPI, en is derhalve niet aan te merken als een partij verklaring. Deze verklaart dat het hele luchtverkeer van Zweden was getroffen door de Telia storing, en dat voor het luchtverkeersbeheer het probleem was dat geen vluchtplannen vanuit Brussel werden ontvangen. In deze zin vertoont de onderhavige situatie gelijkenissen met die in ECLI:NL:RBAMS:2018:3085, waarin sprake was van een internetstoring op het gedeelte van de luchthaven waar het check-in systeem van de vervoerder gebruik van maakte.

9. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 5.3 van de Verordening in samenhang met paragraaf 14 (vliegveiligheidsproblemen).

Een dergelijke storing is niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de vervoerder. Het betreft een van buiten komende oorzaak waarop de vervoerder wegens de oorsprong, geen invloed kan uitoefenen.

10. Daarmee behoeft de vraag of (tevens) op grond van de afgegeven ATFM-slots aan de vluchten [vluchtnummer 1] en [vluchtnummer 2] , op grond van paragraaf 15 van de Considerans sprake is van buitengewone omstandigheden, geen beantwoording meer.

Causaal verband

11. Airhelp heeft gesteld dat de langdurige vertraging op de eindbestemming, niet het gevolg is van de ATFM-slots. In het onderhavige geval zijn de buitengewone omstandigheden echter niet gelegen in de ATFM-slots (paragraaf 15), maar in vliegveiligheidsproblemen (paragraaf 14). Ook KLM heeft over de problematiek van het causaal verband het een en ander gesteld. KLM heeft aangegeven (onder andere) pleidooi te hebben verzocht vanwege het feit dat herhaaldelijk is geoordeeld dat de langdurige vertraging op de eindbestemming niet zou zijn veroorzaakt door het besluit van de luchtverkeersleiding, maar door het missen van de aansluitende vlucht. KLM stelt in haar pleitnota (3.3 en 3.4):
“Kortom, dat sprake is van buitengewone omstandigheden staat vast”.
Waarom heeft KLM dan toch pleidooi verzocht? De reden is dat uw rechtbank in vergelijkbare zaken heeft geoordeeld dat de beslissing van het luchtverkeersbeheer in dit geval niet de langdurige vertraging van de passagier op diens eindbestemming zou hebben veroorzaakt. De beslissing van het luchtverkeersbeheer zou slechts een korte vertraging bij aankomst in (in dit geval) Amsterdam hebben veroorzaakt. De langdurige vertraging op de eindbestemming van de passagier zou zijn veroorzaakt doordat de passagier zijn aansluitende vlucht heeft gemist.”

12. De kantonrechter wijst erop dat in het onderhavige geval, waar een buitengewone omstandigheid op grond van paragraaf 14 van de Considerans wordt aangenomen, inderdaad sprake is van een “vast staande buitengewone omstandigheid”. In dát geval is, zoals KLM terecht stelt, het relevante causaal verband het verband tussen de betreffende omstandigheid en de vertraging op de eindbestemming. De vertraging bij aankomst op de tussenstop AMS is dan niet relevant.
De causale redenering luidt: er was een buitengewone omstandigheid die heeft geleid tot vertraagde aankomst van vlucht 1 (eerste leg) in AMS, waardoor de aansluitende vlucht(en) zijn gemist. De vertraging op de eindbestemming is in dat geval het gevolg van de vaststaande buitengewone omstandigheid; het missen van de aansluiting is immers op haar beurt het gevolg van die buitengewone omstandigheid, en geen zelfstandige oorzaak van de vertraging. Gesteld noch gebleken is dat de passagier ook zonder die omstandigheid de vlucht zou hebben gemist.

13. Indien echter een toetsing plaatsvindt op grond van paragraaf 15 van de Considerans – en in zoverre klopt de redenering van KLM zoals hierboven onder 11 geciteerd niet - moet worden beoordeeld of sprake is van “een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag, dat een langdurige vertraging (…) van dat vliegtuig veroorzaakt.” Met andere woorden: bij een beoordeling van de vraag of zich buitengewone omstandigheden in de zin van paragraaf 15 voordoen, vindt – binnen de bo-toetsing- een beoordeling plaats van de vraag of het besluit van het luchtverkeersbeheer heeft geleid tot langdurige vertraging van dat vliegtuig;

in dit geval dus het vliegtuig dat van LPI naar AMS vloog, waarbij de vertraging bij aankomst op de tussenstop AMS maatgevend is. Pas als die vraag bevestigend beantwoord is, én tevens is geoordeeld dat de luchtvaartmaatschappij zich redelijke inspanningen heeft getroost, staat vast dat sprake is van buitengewone omstandigheden in de zin van paragraaf 15 en komt de causaliteitsvraag aan de orde tussen deze omstandigheden en de vertraging op de eindbestemming. Toegepast op de onderhavige casus:
-stel dat de buitengewone omstandigheden niet reeds zijn gegeven op grond van paragraaf 14;

-stel dat de gegeven ATFM-slots kwalificeren als besluiten van luchtverkeersbeheer;

Dan staat vast dat de voorafgaande vlucht in de rotatie een slot heeft opgelegd gekregen waardoor de vertraging van ‘dat vliegtuig’ bij aankomst in Amsterdam 2 uur was. Beoordeeld moet worden of dat een “langdurige vertraging” is in de zin van paragraaf 15, en of KLM zich redelijke inspanningen heeft getroost om de vertraging te voorkomen. Indien beide vragen bevestigend zijn beantwoord is sprake van buitengewone omstandigheden en dient daarna beoordeeld te worden of de vertraging op de eindbestemming meer dan 3 uur is als gevolg van deze buitengewone omstandigheid. Dan geldt onverkort hetgeen hiervoor onder 12 is vermeld.

14. Resumerend doet KLM in het onderhavige geval terecht een beroep op buitengewone omstandigheden in de zin van paragraaf 14 van de Considerans, en is de vertraging op de eindbestemming van meer dan 4 uur het gevolg van deze buitengewone omstandigheden. Niet gebleken is dat bij de overstaptijd minder dan de in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs in acht te nemen reservetijd als bedoeld in het Eglitis-arrest in acht is genomen (minimum connecting time met een buffer), of dat anderszins de buitengewone omstandigheid door het nemen van redelijke maatregelen had kunnen worden voorkomen. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

15. Het debat tussen partijen over de vraag of en welke slots kwalificeren als een besluit van het luchtverkeersbeheer en hetgeen KLM overigens nog aanvoert in het kader van gelijke behandeling, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen bespreking.

15. Airhelp zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.


BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Airhelp in de proceskosten, aan de zijde van de vervoerder tot op heden begroot op € 360,00 als salaris voor zijn gemachtigde;

veroordeelt Airhelp tot betaling van een bedrag van € 60,00 aan nasalaris, te
verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het
vonnis heeft plaatsgevonden en Airhelp niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van
toepassing, inclusief btw;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.S. Pieters, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, op 6 mei 2019.

De griffier De kantonrechter