Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3190

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
02-05-2019
Zaaknummer
C/13/660831 / HA RK 19/24
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Het verzoek berust op het niet nemen van een beslissing op een verzoek tot aanhouding en aanvullend op ter zitting gemaakte opmerkingen.

Het enkele feit dat door de rechter niet is beslist op de - beweerdelijk - verzochte aanhouding leidt niet tot het oordeel dat de rechter vooringenomen is. De Wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de door de rechter genomen beslissingen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel is belast met de behandeling van de zaak. Uit de opmerkingen van de rechter ter zitting, kan geen (schijn van) vooringenomenheid worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 23 januari 2019 ingekomen en onder rekestnummer C/13/660831 / HA RK 19/24 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [ ], verzoeker.

welk verzoek strekt tot wraking van mr. C.W. Inden, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 het wrakingsverzoek van 21 januari 2019 ingekomen bij de Wrakingskamer op 23 januari 2019 en de van verzoeker ontvangen producties;

 de schriftelijke reactie van de rechter van 25 januari 2019 met daarbij de griffiersaantekeningen van de zitting van 21 januari 2019.

1.2

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

1.3

Het verzoek is behandeld op de zitting van 12 februari 2019. Verzoeker, bijgestaan door zijn zoon, en de rechter zijn verschenen. Verzoeker heeft spreeknotities overgelegd. Tevens is als toehoorder verschenen mr. F.J.H. Mulder, de advocaat van de wederpartij van verzoeker, hierna: mr. Mulder.

1.4

Na de zitting is direct mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak is door de secretaris van de Wrakingskamer aansluitend telefonisch aan verzoeker meegedeeld en per e-mail aan de rechter. Deze beschikking vormt de uitwerking van de uitspraak.

2 De feiten

  1. Verzoeker is eisende en verzoekende partij in bij de rechtbank aanhangige zaken met zaaknummers C/13//7291244 EA VERZ 18-831 en C/13/7392922 CV EXPL 18-27261. Het betreft een schorsingsverzoek ter zake van de ontruiming van de kantoorruimte van verzoeker en een bodemprocedure met als hoofdvordering een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst van de door verzoeker gehuurde kantoorruimte voor onbepaalde tijd is voortgezet;

  2. In beide zaken is op 21 januari 2019 om 13:30 uur een mondelinge behandeling bepaald;

  3. In de ochtend van 21 januari 2019 heeft de zoon van verzoeker namens verzoeker gebeld met de griffie van het team kanton om uitstel te vragen van de mondelinge behandeling wegens ziekte van verzoeker. Door de zoon van verzoeker is op 21 januari 2019 om 11:11:14 een aanhoudingsverzoek gericht aan de kantonrechter verzonden naar het volgende emailadres: postbureau.kanton.rechtbank.amsterdam@rechtspraak.nl. Dit verzoek heeft de rechter niet bereikt. De zitting is gehouden, waarbij verzoeker niet is verschenen en de rechter heeft vonnis respectievelijk beschikking bepaald op drie weken;

  4. Door de gemachtigde van verzoeker is op 21 januari 2019 om 20:53 een e-mail verzonden met een verzoek om een nieuwe datum voor een comparitie te bepalen dan wel een conclusie na comparitie toe te staan en het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In het geval niet dan wel negatief zou worden beslist werd de kantonrechter gewraakt. De e-mail is verzonden naar: postbureau.kanton.rb.amsterdam@rechtspraak.nl;

  5. Dit laatste adres is het e-mailadres van de griffie van het team kanton.

3 Het verzoek

3.1

Volgens verzoeker is hij in de nacht van 20 op 21 januari 2019 ernstig ziek geworden waardoor hij niet in staat was de comparitie bij te wonen. De zoon van verzoeker heeft in de ochtend van 21 januari 2019, na contact met een medewerkster van de griffie van het team kanton, een e-mail verzonden naar het door haar opgegeven adres met het verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling. Op advies van die medewerkster heeft de zoon ook contact opgenomen met mr. Mulder. Deze heeft vervolgens laten weten niet te zullen meewerken aan een verzoek tot aanhouding. Vervolgens is op 21 januari 2019, na een tweede telefonisch contact met de griffiemedewerkster, door de zoon een tweede e-mail gezonden aan de griffie van het team kanton met het verzoek aan de rechter toch tot aanhouding van de mondelinge behandeling over te gaan wegens de ernstige ziekte van verzoeker. Daarbij is verzocht nog dezelfde ochtend te berichten over die beslissing. Omdat de zoon van verzoeker niets had vernomen heeft hij rond 15:00 uur gebeld met de griffie en is hem meegedeeld dat de rechter had besloten de comparitie te laten doorgaan en het aanhoudingsverzoek terzijde te leggen. Verder werd meegedeeld dat de rechter in beide zaken binnen drie weken einduitspraak zou doen. Op het aanbod een medische verklaring te overleggen werd niet ingegaan. Verzoeker acht dit een onbegrijpelijke beslissing omdat de rechter bekend is met het grote belang van verzoeker bij beide procedures. De wederpartij stelt immers een bedrag van € 7.500,00 naast de ontruiming te vorderen te hebben. Daarnaast heeft de wederpartij een verweerschrift ingediend in de schorsingsprocedure en een conclusie van antwoord in de bodemprocedure. Door de onmogelijkheid om ter comparitie te verschijnen, mist verzoeker tenminste één rechtsgang waarin hij zijn reactie op deze processtukken zou kunnen geven. Daarom is in de aanhoudingsverzoeken behalve een nieuwe datumbepaling ook toestemming verzocht op een nader aan te geven roldatum te kunnen concluderen na comparitie. Omdat verzoeker zijn verweren niet naar voren zou kunnen brengen en binnen drie weken einduitspraak zou worden gedaan, wellicht uitvoerbaar bij voorraad, vreest verzoeker door het negeren van zijn ziekte door toedoen van de rechter groot zakelijk nadeel te zullen lijden. De rechter heeft een serieuze ziekmelding weggewuifd. Als gevolg daarvan heeft de rechter op zijn minst de schijn van partijdigheid of van vooringenomenheid gewekt, zowel objectief als subjectief, waardoor verzoeker in zijn processuele belangen wordt of dreigt te worden geschaad.

3.2

Ter zitting heeft verzoeker de gronden van zijn verzoek aangevuld. Het e-mailadres dat is gebruikt voor de aanhoudingsverzoeken is opgegeven door de griffiemedewerkster, waarvan de naam niet is gevraagd. De medewerkster heeft het woord “bureau” expliciet uitgesproken en ook het woord “rechtbank” in volle omvang, dus niet als “rb”. Er was voor zijn zoon dus geen reden om dit adres te checken en evenmin heeft hij op zijn Iphone, waarmee de berichten verzonden zijn, een foutmelding ontvangen. Hij mocht er dan ook van uitgaan dat de berichten waren ontvangen en dat voorafgaand aan de zitting tijdig antwoord zou komen. Er is sprake geweest van een onvolwaardige en inadequate gang van zaken. De rechter heeft pas kort voor de zitting navraag laten doen bij de griffie en heeft ten onrechte in zijn reactie gesteld dat geen van de betrokkenen contact heeft gehad met verzoeker of diens zoon. De rechter was op de hoogte van een aanhoudingsverzoek omdat hij de fax van mr. Mulder had gezien en hij wist ook van de reden daarvan. Dat blijkt ook uit de griffiersaantekeningen waar het aanhoudingsverzoek en de reden daarvan na aanvang van de mondelinge behandeling ter sprake is gekomen. De rechter heeft zich echter volstrekt lijdelijk opgesteld. Hij had, zo niet voorafgaand dan wel na aanvang van de mondelinge behandeling, met het kantoor van verzoeker moeten (laten) bellen omdat de rechter had kunnen weten dat er bij verzoeker iets fout was gegaan in de communicatie.

3.3

Verder blijkt uit de griffiersaantekeningen dat mr. Mulder op de zitting de ruimte kreeg zijn standpunt naar voren te brengen en blijkt uit de door de rechter gemaakte opmerkingen dat hij zijn onpartijdigheid volledig heeft laten vallen. Door deze gang van zaken is eveneens de schijn van vooringenomenheid gewekt. Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de Wrakingskamer van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2010 (zaaknummer HA RK 10-944) waarbij sprake was van nagenoeg hetzelfde feitencomplex als bij de onderhavige zaak.

4. De reactie van de rechter

4.1

De rechter heeft - samengevat - aangevoerd dat hij geen aanhoudingsverzoek van verzoeker heeft ontvangen, omdat dit naar een verkeerd e-mailadres is verzonden. Hij heeft in de ochtend van 21 januari 2019 alleen een fax ontvangen van mr. Mulder waarin mr. Mulder op voorhand bezwaar maakte tegen een mogelijk in te dienen aanhoudingsverzoek. Hierop heeft de rechter kort voor de zitting navraag laten doen bij de civiele griffie en de griffie voor verzoekschriften, maar daar was geen aanhoudingsverzoek ontvangen. Evenmin had één van de griffiemedewerkers contact gehad met verzoeker of met diens zoon. Vervolgens heeft mr. Mulder tijdens de zitting desgevraagd toegelicht dat hij die ochtend contact had gehad met de zoon van verzoeker over een mogelijk uitstel. Na overleg met zijn cliënt heeft mr. Mulder de zoon van verzoeker laten weten niet met uitstel in te stemmen. Na een korte toelichting van mr. Mulder heeft de rechter bepaald dat hij uitspraak zou doen in beide zaken over drie weken, met het voorbehoud dat het mogelijk anders zou worden als zou blijken dat toch een aanhoudingsverzoek op de griffie zou liggen. Bij terugkomst na de zitting heeft de rechter nogmaals navraag gedaan bij de griffie, maar er was nog altijd geen aanhoudingsverzoek bekend.

4.2

De rechter heeft ter controle een e-mail verzonden naar het door verzoeker gebruikte -verkeerde- adres. De rechter ontving binnen tien seconden een foutmelding. Het moet verzoeker dus direct na verzending duidelijk zijn geweest dat zijn e-mail de bestemming niet had bereikt. Overigens is het eerste (voorwaardelijke) wrakingsverzoek wèl naar het juiste e-mailadres gestuurd. Kennelijk was verzoeker daar wel mee bekend. Het voorwaardelijke wrakingsverzoek is de rechter onder ogen gekomen tegelijk met het wrakingsverzoek, waarna de procedures zijn geschorst.

4.3

Het niet beslissen op een niet ontvangen verzoek kan bezwaarlijk als vooringenomen worden beschouwd, aldus de rechter.

4.4

Ter zitting heeft de rechter hieraan toegevoegd dat als een partij die goed is opgeroepen zonder nadere informatie niet op een zitting verschijnt, er voor hem geen aanleiding is tot nadere actie. Volgens het Procesreglement verzoekschriftprocedures kantonzaken en het Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton moet een verzoek tot aanhouding schriftelijk worden ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechter via zijn griffier laten navragen of een aanhoudingsverzoek op de griffie was ontvangen. Hij weet niet bij wie navraag is gedaan, maar wel dat er is gezocht. Dat hij het anders had kunnen doen of zelf navraag had moeten doen, is overigens geen grond tot wraking. Op de zitting kon hij slechts met één partij spreken en daarbij heeft hij slechts zijn indrukken over de dossiers gepresenteerd. Bovendien waren in beide zaken al diverse stukken ontvangen. Daaruit was onder meer gebleken dat in het gehuurde veel kunst was opgeslagen. In dat licht moet zijn door verzoeker aangehaalde opmerking “lijkt alleen te gaan om opslagruimte” worden gezien en ook zijn opmerking over reële executie omdat in huurzaken vaak een dwangsom wordt gevorderd. De rechter heeft tot slot bepaald dat hij uitspraak zou doen, maar wel met de toevoeging “vooralsnog”.

5 De beoordeling

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3

Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt daarbij dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.

5.4

Voor het geval verzoeker heeft bedoeld een aanvullende grond tot wraking in te dienen over de opmerkingen van de rechter ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat daar geen (schijn van) vooringenomenheid uit kan worden afgeleid. Uit het feit dat de rechter blijkens de griffiersaantekeningen heeft gezegd dat de standpunten hem duidelijk leken kan dit niet worden afgeleid omdat ook van de zijde van verzoeker al processtukken waren ontvangen en verzoeker daarin een standpunt had ingenomen. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoeker genoemde omstandigheden dan ook geen grond op voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid en daarmee aan onafhankelijkheid ontbreekt.

5.5

Het enkele feit dat door de rechter niet is beslist op de - beweerdelijk - verzochte aanhouding leidt niet tot het oordeel dat de rechter vooringenomen is. De Wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de door de rechter genomen beslissingen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel is belast met de behandeling van de zaak (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

Overigens heeft verzoeker bij de behandeling van het wrakingsverzoek niet weersproken dat de rechter zijn aanhoudingsverzoek niet heeft ontvangen. Het blijft de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker een verzoek tot aanhouding tijdig schriftelijk in te dienen in overeenstemming met de procesreglementen en, indien dat kort voor een geplaande zitting gebeurt, te controleren of dat verzoek (tijdig) is ontvangen.

6. Het voorgaande houdt in dat het verzoek wordt afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

 wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mrs. K.A. Brunner, voorzitter, H.M. Patijn en A.C.W.M. van Emmerik, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.