Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3181

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
02-05-2019
Zaaknummer
C/13/663870 / HA RK 19/109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek toegewezen. De grondslag van het verzoek is in de kern gelegen in het feit dat de rechter-commissaris een getuige de status van bedreigde getuige heeft verleend zonder de verdediging in de gelegenheid te stellen daaromtrent te worden gehoord met als motivering dat het ondenkbaar zou zijn dat de verdediging hier iets over zou kunnen zeggen wat de rechter-commissaris op andere gedachten zou kunnen brengen.

De Wrakingskamer oordeelt dat de rechter-commissaris, door het negeren van het bepaalde in artikel 226a, tweede lid, Sv, en het bovendien ‘ondenkbaar’ te achten dat het inwinnen van een zienswijze van de procespartijen hem tot een ander oordeel zou kunnen brengen, de schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker op zich geladen, waardoor de objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat hij zich hoe dan ook niet zou laten overtuigen door een door de verdediging naar voren te brengen standpunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 22 maart 2019 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/663870 / HA RK 19/109 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [ ] te [ ],

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting [ ],

vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw mr. B.L.M. Ficq, advocaat te Amsterdam,

welke verzoek strekt tot wraking van mr. S.F. van Merwijk, rechter-commissaris in strafzaken, hierna: de rechter-commissaris.

1 Verloop van de procedure

1.1

De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    een vordering als bedoeld in artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de officier van justitie mr. B. Wind van 4 februari 2019, waarin wordt gevorderd dat de rechter-commissaris aan de getuige QQ de status van bedreigde getuige zal verlenen;

  • -

    een proces-verbaal, opgemaakt door officier van justitie mr. B. Wind van 4 februari 2019, inhoudende de ‘netto’-verklaring van de anonieme getuige (QQ);

  • -

    een proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen van 15 februari 2019, inhoudende het statusverhoor met getuige QQ;

  • -

    een beschikking ex art. 226a, eerste lid Sv van 15 februari 2019, inhoudende de beslissing van de rechter-commissaris om aan de getuige QQ de status van bedreigde getuige te verlenen;

  • -

    een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2019 op het beroep tegen voornoemde beschikking, strekkende tot vernietiging van deze beschikking;

  • -

    een e-mail van mr. I.N. Weski, raadsvrouw van verdachte [ ], medeverzoeker in deze procedure, van 21 maart 2019, waarin de rechter-commissaris wordt verzocht zich te verschonen;

  • -

    een e-mail van de rechter-commissaris van 22 maart 2019, inhoudende de mededeling dat hij geen verzoek zal doen zich te mogen verschonen;

  • -

    een e-mail van de raadsvrouw van verzoeker van 22 maart 2019, inhoudende het wrakingsverzoek.

1.2

De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust.

1.3

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 28 maart 2019. Ter zitting waren aanwezig: mr. S.F. van Merwijk, rechter-commissaris met H.A.M.A. van der Graaf en M.A.J. Schoof, griffiers, mr. B.L.M. Ficq, raadsvrouw van verzoeker, mr. I.N. Weski, raadsvrouw van medeverzoeker [ ] en mr. F. Posthumus, advocaat-generaal.

De voorzitter heeft medegedeeld over welke stukken de Wrakingskamer beschikt. Vervolgens is de raadsvrouw het woord gegeven. De raadsvrouw heeft het verzoek nader toegelicht. Vervolgens heeft de advocaat-generaal zijn standpunt toegelicht. Daarna heeft de rechter-commissaris zijn zienswijze gegeven. Na nog een ronde hoor- en wederhoor is, na de raadsvrouw van verzoeker in de gelegenheid te hebben gesteld het laatst te spreken, de behandeling ter zitting gesloten onder de mededeling dat de uitspraak zou worden gedaan binnen veertien dagen of zoveel eerder als mogelijk.

2 De feiten

2.1

Verzoeker is verdachte in een strafzaak die momenteel in hoger beroep aanhangig is bij het gerechtshof Amsterdam. In deze zaak heeft de officier van justitie een vordering gedaan tot het horen van een getuige op de voet van artikel 226a, tweede lid Sv. Deze persoon is aangeduid als QQ. De rechter-commissaris heeft op 15 februari 2019 het bedoelde verhoor gehouden en dezelfde dag op de vordering beschikt, zonder voorafgaand aan zijn beslissing procespartijen te horen. Het belang van een spoedige voortgang van de strafzaak prevaleerde volgens de rechter-commissaris boven het belang van input vooraf. Hierbij speelde een rol dat de verdediging slechts verweer had kunnen voeren na kennisneming van een zeer summiere netto-weergave van de verklaringen van QQ. Er was dan ook voor de raadslieden maar heel weinig inhoudelijke informatie beschikbaar en bij die stand van zaken achtte de rechter-commissaris het ondenkbaar dat het inwinnen van een zienswijze, op basis van zeer beperkte informatie, daar waar hij over veel meer informatie beschikte, hem tot een ander oordeel zou kunnen brengen.

2.2

Op een door verzoeker ingesteld hoger beroep tegen de beschikking, heeft het Gerechtshof Amsterdam bij beschikking van 20 maart 2019, de beschikking van de rechter-commissaris van 15 februari 2019 vernietigd, omdat door het niet horen van procespartijen sprake was van een ernstig formeel en materieel gebrek, dat niet in hoger beroep kon worden hersteld. De toets ex artikel 226a Sv is in hoger beroep immers beperkt van aard, omdat het oordeel van het hof slechts gebaseerd kan worden op de door de rechter-commissaris in de door hem gegeven beschikking vermelde feiten en omstandigheden. Bovendien is het horen van zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging een essentieel onderdeel van de procedure als geheel, gelet op de gevolgen die het verlenen van de status van bedreigde getuige voor de procesposities in eens strafzaak kan hebben.

2.3

In een e-mailwisseling tussen de raadsvrouw en de rechter-commissaris is de rechter-commissaris verzocht zich te verschonen als hem opnieuw zou worden verzocht te beschikken op een vordering betreffende dezelfde bedreigde QQ getuige. De rechter-commissaris heeft bij e-mail van 22 maart 2019 aan de raadsvrouw medegedeeld dat hij niet aan het verzoek om verschoning zal voldoen. Hij heeft in deze e-mail tevens nader toegelicht waarom hij ten tijde van de beschikking van 15 februari 2019 had afgezien van het horen van procespartijen. De achterliggende reden was voornamelijk gelegen in het belang van een spoedige voortgang van de zaak, waarbij werd meegewogen dat de verdediging in hoger beroep eventuele bezwaren tegen de statusverlening kon uiten. In het hoger beroep zou immers betekenisvoller debat kunnen plaatsvinden op grond van de uitgebreide overwegingen van de rechter-commissaris in zijn beschikking van 15 februari 2019. Ten slotte heeft de rechter-commissaris aangegeven dat hij zich met de term ‘ondenkbaar’ inderdaad mogelijk te stellig heeft uitgedrukt, waarbij hij heeft benadrukt dat hij het nooit volledig ondenkbaar acht dat hij door procespartijen op andere gedachten kan worden gebracht en hij zich thans volledig in staat acht om onbevangen kennis te nemen van eventuele zienswijzen en om deze zonder vooringenomenheid te betrekken bij een nieuwe beslissing op de gevorderde statusverlening.

2.4

Daarop is de rechter-commissaris gewraakt.

3 Het verzoek

Aan het verzoek is door verzoeker samengevat het volgende ten grondslag gelegd. De rechter-commissaris heeft de verdediging niet gehoord voorafgaand aan zijn beslissing tot het verlenen van de status van bedreigde getuige aan QQ. Daarmee heeft hij het recht geschonden. In zijn beschikking van 15 februari 2019 heeft hij zijn beslissing tot het niet horen van de verdediging toegelicht door te verwijzen naar de netto-verklaring van QQ. Deze zou immers zó mager zijn dat het ondenkbaar zou zijn dat de verdediging hier iets over zou kunnen zeggen wat de rechter-commissaris op andere gedachten zou kunnen brengen. Daarmee is de (schijn van) vooringenomenheid gegeven. Bovendien heeft de rechter-commissaris zich op het standpunt gesteld dat zijn beslissing in hoger beroep in volle omvang zou kunnen worden getoetst. Dit is echter onjuist, nu het Gerechtshof daarover heeft bepaald slechts een marginale toets te kunnen aanleggen. Ten slotte heeft de verdediging naar voren gebracht dat de rechter-commissaris de inhoud van de netto-verklaring heeft vastgesteld en dat hij op basis daarvan heeft gemeend dat de verdediging niets anders naar voren kon brengen. Daarmee heeft hij echter de verdediging bewust buitenspel gezet. De verdediging heeft dan ook geen vertrouwen meer in (de onpartijdigheid van) deze rechter-commissaris en concludeert tot toewijzing van het wrakingsverzoek.

4 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft samengevat aangevoerd dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Uit de enkele beslissing tot statusverlening van getuige QQ en het feit dat de verdediging niet op voorhand is gehoord kan geen vooringenomenheid jegens verzoeker worden afgeleid. Dit geldt ook voor het door de rechter-commissaris gegeven argument van de spoedige voortgang, nu hij heeft verwezen naar de tussenregie van maart 2019, het voornemen van het Hof om de behandeling in mei 2019 voort te zetten en de lange duur van de strafzaak tot nu toe.

De rechter-commissaris heeft tevens overwogen dat hij het ondenkbaar achtte dat hij op andere gedachten kon worden gebracht. Ook dit argument voor zijn beslissing getuigt niet van vooringenomenheid. Immers, de beschikking om QQ de status te verlenen is een procedurele beslissing om een verhoor van QQ als bedreigde getuige mogelijk te maken en zegt inhoudelijk niets over (de betrouwbaarheid van) QQ of zijn verklaring. Het woord ‘ondenkbaar’ wekt weliswaar de indruk dat niets van wat de verdediging naar voren zou brengen de rechter-commissaris op andere gedachten zou kunnen brengen, maar in zijn e-mail van 22 maart 2019 heeft hij uitgelegd dat hij met deze term slechts heeft bedoeld dat hij zich geen voorstelling kon maken van argumenten die hem zouden kunnen overtuigen van een andere zienswijze, gelet op de summiere netto-verklaring die kon worden vrijgegeven. Hieromtrent heeft hij overigens te kennen gegeven dat hij zich met dat woord te stellig heeft uitgedrukt.

Ten aanzien van de redelijke vrees kon de rechter-commissaris verwijzen naar de vonnissen van de rechtbank, waarin verzoeker tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld. De rechter-commissaris heeft daarmee niet in strijd gehandeld met de onschuldpresumptie.

Ten slotte is de inhoud van de netto-verklaring, die door de rechter-commissaris is vastgesteld, wellicht beperkt, maar dat geeft nog geen blijk van vooringenomenheid. Immers, wellicht is er niet veel meer dan dat, of er kan niet meer worden prijsgegeven. De advocaat-generaal concludeert dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

5 De reactie van de rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft het volgende aangevoerd. Volgens de door de rechter-commissaris overhandigde Memorie van Toelichting (MvT) (22483, nr. 3) heeft een procedure voor de rechter-commissaris een minder formeel karakter dan een raadkamerprocedure. In de MvT wordt onder meer gewezen op het belang van een snelle en doeltreffende procedure aangaande het traject van de bedreigde getuige. De rechter-commissaris is dan ook minder gebonden aan bepaalde wettelijke voorschriften.

Ten aanzien van de spoed merkt de rechter-commissaris op dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak al bijzonder lang duurt. Gedurende zo’n strafzaak krijgt de rechter-commissaris vaak te maken met duivelse dilemma’s, waarbij verschillende belangen tegen elkaar moeten worden afgewogen, maar ook rekening moet worden gehouden met het belang van een spoedige procedure. De rechter-commissaris heeft erkend dat soms sprake is van een situatie die noopt tot het nemen van een beslissing die niet in de wet staat, maar dat betekent niet dat hij vooringenomen is.

De rechter-commissaris heeft tevens naar voren gebracht dat zijn beslissing tot statusverlening niet zegt over enig oordeel omtrent de betrouwbaarheid van QQ of zijn verklaring. Uit het enkele feit dat de status is verleend kan dan ook geen (schijn van) vooringenomenheid jegens verzoeker worden afgeleid.

De rechter-commissaris heeft een afweging moeten maken tussen het belang van een spoedige voortgang van de procedure en het belang van de veiligheid van de getuige. Hij heeft vervolgens een beslissing genomen die onjuist is gebleken en deze voorzien van een wellicht ongelukkige woordkeuze, maar hieruit kan niet de gerechtvaardigde vrees worden afgeleid dat hij vooringenomen zou zijn. Het wrakingsverzoek moet dan ook worden afgewezen.

6 De beoordeling van het verzoek

6.1

Toetsingskader

Van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 512 Sv kan in de eerste plaats sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling en overtuiging van de rechter (partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij enige vooringenomenheid koestert, althans dat de - objectief gerechtvaardigde - vrees bestaat dat de rechter niet onpartijdig is.

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van partijdigheid en de overtuiging van verzoekster weliswaar relevant, maar doorslaggevend is of de twijfel over de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

6.2.

Bespreking van de gronden

De Wrakingskamer overweegt dat de rechter-commissaris op 15 februari 2019 aan getuige QQ de status van bedreigde getuige heeft verleend zonder de verdediging in de gelegenheid te stellen daaromtrent te worden gehoord. Dit is echter wel een vereiste ex artikel 226a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering en daarmee is de wet niet nageleefd.

In zijn beschikking heeft de rechter-commissaris gemotiveerd waarom hij heeft afgezien van het horen van de verdediging. Het was immers in het belang van een spoedige voortgang van het traject, gelet op de regiezitting in hoger beroep in maart 2019 en de voortzetting van de inhoudelijke behandeling in mei 2019. Tevens achtte de rechter-commissaris het, gelet op de zeer summiere netto-verklaring, ‘ondenkbaar’ dat het inwinnen van een zienswijze – op basis van zeer beperkte informatie, daar waar de rechter-commissaris over veel meer beschikt – hem tot een ander oordeel zou kunnen brengen.

Door het negeren van het bepaalde in artikel 226a, tweede lid, Sv, en het bovendien ‘ondenkbaar’ te achten dat het inwinnen van een zienswijze van de procespartijen hem tot een ander oordeel zou kunnen brengen, heeft de rechter-commissaris naar het oordeel van de wrakingskamer de schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker op zich geladen, waardoor de objectief gerechtvaardigde vrees is ontstaan dat hij zich hoe dan ook niet zou laten overtuigen door een door de verdediging naar voren te brengen standpunt. In wezen heeft de rechter immers de wettelijke hoorplicht geschonden op grond van het argument dat het voldoen daaraan hem toch niet op andere gedachten had kunnen brengen. Zijn nadere toelichting in zijn e-mail van 22 maart 2019 en zijn mondelinge toelichting ter terechtzitting van 28 maart 2019 hebben deze schijn van vooringenomenheid niet kunnen wegnemen. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden toegewezen.

7 Conclusie

De slotsom is dat er zwaarwegende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan die de kennelijk bij verzoeker bestaande vrees objectief kunnen rechtvaardigen.

8 Beslissing

De Wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking toe.

Aldus gegeven door

mr. A.W.J. Ros, voorzitter,

mrs. Y.A.M. Jacobs en K.A. Brunner, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2019.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.