Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3176

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
02-05-2019
Zaaknummer
13-729004-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex artikel 552a, Sv, na terugverwijzing Hoge Raad, gegrond Rechtbank gelast opheffing conservatoir beslag op woning. Geen strafvorderlijke verhaalsfrustratie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/729004-17

RK: 16-6770

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam klaagster]

geboren op [geboortedag] 1941 te [geboorteplaats] ,

woonplaats kiezend op het adres van haar raadsman,

mr. D.V.A. Brouwer, Amstelplein 40, 1096 BC Amsterdam,

klaagster, tevens beslagene (hierna: klaagster).

1 Procesgang

Het klaagschrift is op 27 oktober 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen, waarna de rechtbank bij beschikking van 29 december 2017 het klaagschrift ongegrond heeft verklaard ten aanzien van de woning aan de [adres] . Ten aanzien van de in beslag genomen sieraden heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard.

Tegen deze beslissing, voor zover die ziet op het ongegrond verklaren van het klaagschrift, is namens klaagster cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, waarna de Hoge Raad bij arrest van 20 november 2018 de beslissing van de rechtbank heeft vernietigd en de zaak heeft terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam.

Op verzoek van de rechtbank hebben klaagster en het Openbaar Ministerie (OM) op respectievelijk 27 februari 2018 en 21 maart 2019 schriftelijk hun standpunt kenbaar gemaakt ten aanzien van het verzoek om opheffing van het conservatoir beslag op de woning aan de [adres] .


De rechtbank heeft verder kennis genomen van de eerder overgelegde standpunten van klaagster en het OM.

De rechtbank heeft op 26 maart 2019 klaagster, de raadslieden van klaagster, mrs. D.V.A. Brouwer en A. al Mansouri, en de officier van justitie, mr. M. Kok, in openbare raadkamer gehoord.

De beslagene, verdachte [naam] , is niet verschenen.

In raadkamer hebben de advocaten van klaagster, in reactie op het standpunt van het OM en ter nadere toelichting op het klaagschrift, pleitnotities overgelegd.

2 Het standpunt van klaagster

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het conservatoir beslag op het bij klaagster in beslag genomen registergoed aan de [adres] (de woning) en doorhaling van de inschrijving van dat beslag in het Kadaster.

Door de beslissing van de Hoge Raad van 20 november 2018 is de zaak toegespitst op de vraag of, zoals bepaald in artikel 94a lid 4 Sv, voldoende aanwijzingen bestaan dat de woning aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en dat klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden.1

Op grond van informatie uit de openbare registers staat buiten twijfel dat klaagster sinds 1996 moet worden aangemerkt als enige eigenaar van de woning. De echtgenoot van klaagster, [naam] ( [naam] ), heeft schriftelijk bevestigd dat zij de eigenaar is van de woning.

De maatstaf van artikel 94a lid 4 Sv brengt met zich dat de vraag, of sprake is “voldoende aanwijzingen” van zowel verhaalsfrustratie als kwade trouw, naar de stand van zaken van 1996 moet worden beoordeeld.2

Voor wat betreft de wetenschap en gedragingen van klaagster blijkt uit het dossier niet meer dan dat klaagster en [naam] in 1964 zijn gehuwd, sinds 1978 in koude uitsluiting, en dat klaagster de woning in 1996 onder dat huwelijksgoederenregime heeft verkregen. Zij heeft in 1978 en in 1979 twee woningen verkocht, die uitsluitend aan haar toebehoorden en de overwaarde van deze woningen gebruikt om de aankoop van de beslagen woning te financieren. De verdenking jegens [naam] zien op gedragingen uit 2007 en daarna. Het is op basis van simpele logica uitgesloten dat de woning in 1996 aan klaagster is gaan toebehoren, met het kennelijke doel om vanaf 2007 verhaal te frustreren op wederrechtelijk voordeel dan wel dat zij vanaf 2007 kwade trouw heeft gehad ten aanzien van het bemoeilijken of verhinderen van uitwinning van voorwerpen.

Zoals uiteengezet in de conclusie van AG Spronken3 is het overeenkomen van een bepaald huwelijksgoederenregime in beginsel geoorloofd en niet (zonder meer) als (strafrechtelijke) verhaalsfrustratie aan te merken. Nu in deze beklagzaak geen sprake is van andere concrete aanwijzingen die wijzen op verhaalsfrustratie en wetenschap daaromtrent, kan het onrechtmatig op de woning gelegde beslag niet worden gehandhaafd.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft als standpunt naar voren gebracht dat zij zich verzet tegen teruggave van de woning aan klaagster door opheffing van het beslag.

In de strafzaak tegen verdachte [naam] is op 15 januari 2015 door de kinderen [naam 2] aangifte ex artikel 322, 323 en 326 Sr gedaan. De kinderen [naam 2] hebben in de periode 2006-2007 een groot vermogen (meerdere miljoenen) geschonken gekregen en geërfd van hun vader. Verdachte [naam] was tot executeur testamentair benoemd. Hij was jarenlang de vaste belastingadviseur en vertrouwensman van de familie [naam 2] . Pas in de loop van 2012 hebben de kinderen [naam 2] zicht gekregen op de wijze waarop verdachte [naam] jarenlang hun privévermogen heeft beheerd en - onder meer - zonder toestemming een bedrag van ruim € 1.800.000,- declaraties van hemzelf en anders adviseurs heeft voldaan.

In de strafzaak tegen verdachte [naam] is een machtiging conservatoir beslag verleend door de rechter-commissaris (RC) op 24 maart 2017. Het voortduren van het beslag is in het belang van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van een misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De RC heeft de verdenking van misdrijven waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld getoetst, zodat meer dan voldoende duidelijk is dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een later oordelende strafrechter de verdachte een geldboete of ontnemingsmaatregel zal opleggen. Hiermee is voldaan aan de eerste en tweede voorwaarde ter conservatoire beslaglegging.

In deze beklagzaak wordt de juridische eigendom, gelet op de gegevens van het Kadaster, niet betwist door het OM, maar wordt gesteld dat de eigendom feitelijk bij verdachte [naam] ligt.

In het geval dat een derde klaagt over conservatoir beslag dient de rechter volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad4 in de eerste plaats te beoordelen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat klaagster als eigenaar van dat voorwerp moet worden aangemerkt.

Wat betreft de verhaalsfrustratie blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2017, met nummer 2015028540, dat de woning in 1996 is gekocht en geleverd aan klaagster. Zij was op dat moment gehuwd met verdachte [naam] , onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van elke gemeenschap. De aankoop van deze woning is gefinancierd op basis van de bestaande rechtsverhouding tussen [naam] en de ABN AMRO bank. De twee hypotheken (twee) van in totaal 1.200.000 gulden zijn verstrekt aan klaagster en in de hypotheekakte is vermeld dat het recht van hypotheek is verleend tot zekerheid voor voldoening van al wat [naam] aan de ABN AMRO bank mocht blijken verschuldigd te zijn.

Klaagster was en is niet in staat om het eigendom van deze echtelijke woning zelfstandig te verwerven en/of te financieren. Daarnaast handelt niet zij als eigenaar, maar presenteert verdachte [naam] zich als rechthebbende naar de fiscale autoriteiten.

Ten aanzien van de kwade trouw kan de constructie, om de woning alleen op naam van klaagster te zetten, alleen maar bedoeld zijn om te zorgen dat andere partijen zich niet kunnen verhalen op de woning,

Het klaagschrift strekkend tot opheffing van het conservatoire beslag op de woning moet ongegrond worden verklaard.

4 Beoordeling

4.1.

De feiten en omstandigheden

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is onder meer het volgende gebleken.

Op 18 april 2017 is onder klaagster voornoemde woning in beslag genomen.

Het betreft conservatoir anderbeslag ten laste van [naam] , belanghebbende en echtgenoot van klaagster.

De belanghebbende wordt - kort gezegd - verdacht van verduistering, verduistering in dienstbetrekking en/of oplichting als executeur en/of als bewindvoerder. De kinderen [naam 2] hebben in de periode 2006-2007 een groot vermogen van meerdere miljoenen euro’s geschonken gekregen en geërfd van hun vader. Na diens overlijden is belanghebbende benoemd tot bewindvoerder over het geschonken en geërfde vermogen, daarnaast is hij benoemd tot executeur-testamentair. Van die positie zou belanghebbende misbruik hebben gemaakt ten koste van het aan de kinderen [naam 2] toekomende vermogen.

4.2.

Het verzoek na terugverwijzing door de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft in het arrest van 20 november 2018 onder meer het volgende overwogen:

2.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd het klaagschrift, voor zover dat strekt tot opheffing van het conservatoir beslag op de woning, ongegrond heeft verklaard.

(…)

2.4.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin op de voet van art. 94a Sv beslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van art. 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk moet geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15).

2.5.1.

In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat op de voet van art. 94a Sv beslag is gelegd op de woning tot bewaring van het recht tot verhaal van een aan [naam] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat de woning sinds 1996 - het jaar waarin de klaagster buiten gemeenschap van goederen is gehuwd met [naam] - alleen op naam van de klaagster staat.

2.5.2.

De Rechtbank heeft blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen kennelijk geoordeeld dat zich hier de situatie van art. 94a, vierde lid, Sv voordoet, te weten dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de woning aan de klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en dat de klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Dat oordeel behoeft nadere motivering, nu uit de vaststellingen van de Rechtbank en haar daarop gebaseerde oordeel dat "niet is uitgesloten dat de woning destijds op naam van de klaagster is gezet met het kennelijke doel om latere uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen, hetgeen de klaagster wist of redelijkerwijs moest vermoeden" niet zonder meer volgt dat de in voormelde bepaling bedoelde 'voldoende aanwijzingen' bestaan. Het middel klaagt daarover terecht

4.3.

Beoordelingskader

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp, een woning, welke volgens het Kadaster sinds de aankoop in 1996 alleen aan klaagster toebehoort, welke dient tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan de verdachte [naam] op te leggen geldboete en/of ontnemingsmaatregel.

In een geval als het onderhavige, waarin op de voet van artikel 94a Sv beslag rust op het in beslag genomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, moet als maatstaf worden aangelegd of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat in beslag genomen voorwerpen moet worden aangemerkt. Als dat zo is dan dient de rechtbank tevens te onderzoeken, en daarvan blijk te geven, of zich de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.

De rechtbank moet bij dat laatstbedoelde onderzoek beoordelen of feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen aan de beslagene zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen (verhaalsfrustratie) en dat de beslagene dat wist of redelijkerwijze kon vermoeden.5

In dat verband heeft de rechtbank gelet op na te noemen conclusies van AG mr. Spronken:

3.16.

Alleen het opmaken van huwelijkse voorwaarden is op zichzelf niet voldoende om aan te nemen dat er sprake is van verhaalfrustratie als bedoeld in art. 94a lid 4 Sv. Datzelfde geldt mijns inziens bij het beperken van de zakelijke aansprakelijkheid in het geval van een eenverdienersmodel, waarbij de ene partner een bedrijf voert en wil voorkomen dat het privévermogen (van de andere partner) aangesproken kan worden voor de schulden van het bedrijf. Dit is een gang van zaken die maatschappelijk algemeen aanvaard is en dus geen onrechtmatig karakter heeft. Het is tegelijkertijd maatschappelijk algemeen aanvaard dat de ene (op basis van koude uitsluiting gehuwde) partner een huis financiert en aan de andere partner schenkt, bijvoorbeeld om de reden dat die laatste ook zelf vermogen kan opbouwen en iets heeft om op terug te vallen indien de eerste overlijdt. Ook dan kan mijns inziens niet zonder meer worden aangenomen dat het goed aan de ander (primair) is gaan toebehoren om de uitwinning van het vermogen van de ene partner te kunnen bemoeilijken, laat staan dat de andere partner daar wetenschap over zou hebben. Dat geldt ook voor het in de literatuur genoemde voorbeeld van een vader die zijn zoon of dochter het maximaal belastingvrije geldbedrag schenkt en nadien een strafbaar feit begaat waaruit wederrechtelijk verkregen voordeel wordt behaald. In dergelijke gevallen zullen er nadere concrete aanwijzingen moeten worden vastgesteld die wijzen op verhaalfrustratie en wetenschap daaromtrent. Tot slot kan worden vermeld dat schijnconstructies ook kunnen worden opgezet met een ander (ongeoorloofd) doel dan verhaalfrustratie. Dit blijkt uit een beschikking van de Hoge Raad van 9 september 2014 waarbij de schijnconstructies eerder het oplichten van een bank en witwassen tot doel leken te hebben dan verhaalfrustratie in de zin van art. 94a lid 4 Sv.

3.17.

Dat betekent niet dat het overeenkomen van een bepaald huwelijksgoederen-regime of het zetten van vermogen op naam van één van de partners nooit als misbruik kan worden aangemerkt. Maar het enkele feit dat de woning tegen geen (of weinig) zakelijke condities aan die ander is gaan toebehoren of de enkele omstandigheid dat het gebruik van de woning even goed aan de betrokkene voorbehouden blijft, zijn mijns inziens niet voldoende aanwijzingen voor verhaalfrustratie en/of kwade trouw. Deze in de wetsgeschiedenis genoemde indicatoren voor het aannemen van voldoende aanwijzingen van verhaalfrustratie zijn niet goed toepasbaar in familierechtelijke situaties. Het gaat immers om handelingen van getrouwde partners die niet ongebruikelijk en civielrechtelijk in beginsel geoorloofd zijn. Als de toepassing van art. 94a lid 4 Sv dergelijke constructies niettemin zou kunnen doorbreken, heeft dit als gevolg dat het eigendomsrecht van de klaagster in een strafvorderlijke setting minder bescherming geniet dan in het civiele recht. Dat strookt niet met de bedoeling van de wetgever die juist zoveel mogelijk wilde aansluiten bij de uitgangspunten in het civiele recht en van oordeel was dat art. 1 EP EVRM tot zorgvuldigheid noopt.

3.18.

Daarnaast gaat het hier om een strafvorderlijk dwangmiddel waarvan de Hoge Raad meerdere malen heeft uitgemaakt dat voor de toepassing een restrictieve interpretatie van de voorschriften is geboden. Beslaglegging kan dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen worden gerechtvaardigd.

4.4.

De woning

Naar het oordeel van de rechtbank is buiten redelijke twijfel dat klaagster als enige rechtmatige eigenaar van de in beslag genomen woning, moet worden aangemerkt. De woning waarop het beslag rust is in 1996 door klaagster gekocht en staat sindsdien, blijkens de gegevens uit het Kadaster, op haar naam. Het is de woning waar klaagster sinds 1996 met haar echtgenoot [naam] woont en waar zij elke dag gebruik van maakt. Ook twee eerdere woningen waarin klaagster en [naam] hebben gewoond stonden alleen op naam van klaagster.

Het overeenkomen van een huwelijksgoederenregime met een vermogensconstructie zoals de onderhavige, waarbij de zakelijke aansprakelijkheid van het bedrijf van verdachte [naam] wordt beperkt om te voorkomen dat het privévermogen, de woning, van klaagster kan worden aangesproken voor de schulden van [naam] , is een wijze van handelen tussen echtgenoten die maatschappelijk algemeen aanvaard is en geen onrechtmatig karakter heeft. Een dergelijk regime en/of constructie is daarom op zichzelf onvoldoende om te gelden als verhaalsfrustratie in de zin van artikel 94a, vierde of vijfde lid. Sv. Dit geldt te meer nu dit regime met vermogensconstructie al lange tijd aaneengesloten bestond. Het feit dat de constructie financieel mogelijk of wenselijk was mede vanwege de verdiensten of kredietmogelijkheden van het bedrijf van [naam] , maakt dat niet anders.

Nu er overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die wijzen op de bedoelde strafvorderlijke verhaalsfrustratie, is de rechtbank van oordeel dat zich niet de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het beslagene, de in beslag genomen woning, geheel of ten dele aan klaagster is gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen (verhaalsfrustratie) en dat zij dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.

De rechtbank zal dan ook het beklag gegrond verklaren en gelasten dat het beslag op de woning wordt opgeheven.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de opheffing van het beslag op de woning, het registergoed aan de [adres] en doorhaling van de inschrijving van dat beslag in het Kadaster.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mr. M.E. Leijten en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019.

Tegen de beschikking staat voor klaagster beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.

1 HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2142, rov. 2.5.2.

2 Conclusie AG Spronken 2 oktober 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1092, rov. 3.12.

3 Rov. 3.16 t/m 3.18.

4 HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.15.

5 HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2746, rov 2.5.