Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:315

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
AMS 18/4971
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Projectplan polder De Ronde Hoep, inlaatwerk en stapelstuw, grondslag is artikel 5.4, eerste lid, Waterwet. Deze procedure gaat alleen over aanleg en inrichting. In geding is projectplan dat daartoe is vastgesteld. Gaat dus niet over de (planologische) aanwijzing of ingebruikstelling van het noodoverloopgebied. Beoordeling of projectplan in redelijkheid is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/4971

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, wonende te Ouderkerk aan de Amstel, hierna: [eiser] (gemachtigde: mr. R. Raddahi),

en

het algemeen bestuur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder, hierna: AGV (gemachtigde: mr. M.J.M. Jacobs).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft AGV het Projectplan “Noodoverloopgebied De Ronde Hoep” (het bestreden besluit, hierna: het Projectplan) vastgesteld.

[eiser] heeft tegen het Projectplan beroep ingesteld.

AGV heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling op de zitting heeft, gelijktijdig met vier andere zaken

(nrs. AMS 4960, 4962, 4993 en 5100), plaatsgevonden op 27 november 2018. [eiser] is, samen met zijn schoonvader H.M. de Wit, verschenen op de zitting. De gemachtigde van [eiser] is niet verschenen. AGV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] , projectleiders, en mr. A.C. Schogt, juridisch adviseur bij Waternet.

Overwegingen

Partijen

1. De raad van de gemeente Ouder-Amstel heeft bij brief van 31 oktober 2018 aan de rechtbank verzocht om ook als partij in deze procedure te worden aangemerkt. De rechtbank wijst dit verzoek af omdat de raad niet bevoegd is om de gemeente in rechte te vertegenwoordigen.1

Projectplan

2.1.

Het Projectplan voorziet in de aanleg van een inlaatwerk aan de westzijde van de polder De Ronde Hoep (hierna: DRH) en een stapelstuw voor de woonwijk Benning. Met het inlaatwerk kan DRH in een noodsituatie, die volgens AGV minder dan één keer in de honderd jaar voorkomt, gecontroleerd onder water worden gezet. In de reguliere situatie staat de Amstellandboezem, waar DRH in ligt, in open verbinding met het Noordzeekanaal en het Amsterdam Rijnkanaal. In de noodsituatie wordt de Amstellandboezem afgesloten van andere watersystemen en functioneert het als een afzonderlijk systeem.

2.2.

[eiser] woont en exploiteert een [bedrijf] aan de Waver 7a te Ouderkerk aan de Amstel. De [bedrijf] is gelegen in het oostelijk deel van DRH.

Kader

3. De rechtbank heeft in overwegingen 4.1 en 4.2. van haar uitspraak van
8 januari 20192 uitgelegd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 25 april 2012,3dat er juridisch drie elementen zijn te onderscheiden bij waterberging en dat deze elementen ook van toepassing zijn in een procedure over een noodoverloopgebied. Het eerste is de aanwijzing van een gebied tot bergingsgebied, in dit geval het bij bestemmingsplan aanwijzen van DRH (niet als bergingsgebied maar) als noodoverloopgebied. Het tweede element betreft de aanleg en inrichting van het gebied, waarbij de benodigde inrichtingsmaatregelen worden getroffen en het derde element betreft de inundatie zelf, het onder water laten lopen van het gebied. In deze procedure gaat het alleen over het tweede element: de aanleg en inrichting van DRH, namelijk de aanleg van de stuw en het inlaatwerk. In geding is het Projectplan dat daartoe is vastgesteld. De rechtbank beoordeelt of AGV in redelijkheid het Projectplan heeft kunnen vaststellen.

Gezondheidsrisico’s

4.1.

[eiser] betoogt dat AGV onvoldoende heeft onderbouwd dat er na de inundatie van DRH geen gezondheidsrisico’s bestaan voor zijn dieren. Hiertoe voert hij aan dat het toxicologisch rapport van de Gezondheidsdienst voor Dieren B.V. van 8 april 2015 gebaseerd is op de onjuiste aanname dat er geen risico voor de diergezondheid is als er
10 gram slib per m2 in de polder terecht komt. Volgens [eiser] is dit te laag, omdat in de notitie van 5 januari 2015 van [naam 3] een gemiddelde gemeten hoeveelheid zwevend slib van ongeveer 15 mg per liter is vermeld. Daarom mocht AGV het toxicologisch rapport niet aan het Projectplan ten grondslag leggen.

4.2.

AGV is in zijn verweerschrift gemotiveerd, aan de hand van deskundigenonderzoeken, ingegaan op het betoog van [eiser] en heeft geconcludeerd dat er geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s voor de dieren zijn door achterblijvend slib. Voor zover [eiser] nog ter zitting heeft gevraagd om een nulmeting, heeft AGV daarop gereageerd dat de kwaliteit van het Amstelwater al gemeten is en dus bekend is.

4.3.

De rechtbank overweegt dat het betoog van [eiser] ziet op de gevolgen van inundatie en daarmee dus niet op het tweede element. Daarom kan deze beroepsgrond niet leiden tot vernietiging van het Projectplan en beoordeelt de rechtbank het betoog verder niet.4

Intermediair

5. [eiser] heeft ter zitting verzocht om de aanstelling van een intermediair: een persoon, onafhankelijk van AGV, die beschikbaar is voor vragen en begeleiding ten aanzien van alle fasen van het project. Dit verzoek van [eiser] , valt buiten dit geding. AGV heeft ter zitting wel toegezegd om op dit verzoek te gaan reageren.

Conclusie

6. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank in de beroepsgronden geen reden voor het oordeel dat AGV het Projectplan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter, en mr. A.C. Loman en
mr. D. Sullivan, leden,in aanwezigheid van mr. C. Pasteuning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Op grond van artikel 171, eerste lid, van de Gemeentewet, vertegenwoordigt de burgemeester de gemeente in en buiten rechte.

2 Zaak nr. AMS 18/4993.

3 ECLI:NL:2012:BW3861. Te vinden op www.rechtspraak.nl. De Afdeling verwijst voor haar uitleg ook naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2006-2007, 30 818, nr. 3, blz. 44 tot en met 46).

4 Zie ook, ter vergelijking, de overwegingen 2.6., 2.6.1., en 2.6.2. van de genoemde uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012.