Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:3024

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
C/13/665236 / KG ZA 19-442
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod voor boa's om op Koningsdag van 18.00 - 21.00 uur een werkonderbreking te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/665236 / KG ZA 19-442 FB/MB

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 26 april 2019

in het kort geding van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding op verkorte termijn van 23 april 2019,

advocaat mr. P.A. de Jong te Amsterdam,

tegen

1. de vereniging

FVN VEILIGHEID,

meer in het bijzonder haar onderdeel de

NEDERLANDSE BOA BOND,

gevestigd te Woerden,

2. de vereniging

ALGEMENE CHRISTELIJKE POLITIEBOND,

meer in het bijzonder haar onderdeel de

VAKBOND BOA ACP,

gevestigd te Leusden,

gedaagden,

advocaat mr. R. van der Stege te Utrecht.

Partijen zullen hierna ook de gemeente en de boa-bonden (of: de bonden) worden genoemd.

De afkorting boa staat voor buitengewoon opsporingsambtenaar.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.

Tegenwoordig zijn mr. F.B. Bakels, voorzieningenrechter, en mr. M. Balk, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen:

- aan de kant van de gemeente: [manager] , manager, [adviseur 1] , adviseur, [adviseur 2] , adviseur werkgeversaangelegenheden en mr. De Jong;

- aan de kant van de boa-bonden: [voorzitter 1] en [consulent] , respectievelijk voorzitter en consulent van de Nederlandse BOA Bond, [voorzitter 2] , voorzitter van de Vakbond Boa ACP, en mr. Van der Stege. Verder was een twintigtal boa’s als belangstellende in de zaal aanwezig, van wie de voorzieningenrechter een aantal als informant heeft gehoord.

De gemeente heeft twee producties in het geding gebracht en de bonden een productie en partijen hebben over en weer het woord gevoerd, onder meer aan de hand van de door mr. De Jong en mr. Van der Stege overgelegde pleitnotities die aan het dossier zijn toegevoegd. De behandeling van de zaak is gesloten en vervolgens is mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 30p lid 3 Rv dit proces-verbaal opgemaakt, dat is afgegeven op 26 april 2019.

De voorzieningenrechter heeft de volgende uitspraak gedaan.

De gronden van de beslissing

In deze zaak gaat het erom of een door de boa-bonden aangekondigde collectieve actie in de vorm van een werkstaking tijdens koningsdag in Amsterdam, jegens de gemeente onrechtmatig is.

Bij de beantwoording van deze vraag dienen met name de uitspraken van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, NJ 2014/252 (ECLI:NL:HR:2014:3077) en 19 juni 2015, NJ 2015/438 (ECLI:NL:HR:2015:1687), tot uitgangspunt. Heel in het kort gezegd staat daarin het volgende. (i) Het recht op collectieve onderhandelingen is een grondrecht. (ii) Werknemersorganisaties zijn in beginsel vrij in de keuze van middelen om de doeltreffende uitoefening van dit grondrecht te waarborgen.

(iii) Bij de beoordeling óf sprake is van een actie ter ondersteuning van dit grondrecht is met name van belang of die actie redelijkerwijs kan bijdragen aan de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. (iv) Als dit het geval is, dan kan de uitoefening van het recht op collectief optreden slechts worden beperkt langs de weg van artikel G ESH (Europees Sociaal Handvest).

In deze zaak gaat het om een tijdig aangekondigde collectieve actie van de landelijke boa-bonden. De actie is een volgende trede van een escalatieladder die tot dusver nog niet effectief is.

Tot dusver hebben de door de bonden georganiseerde acties erin bestaan dat de boa’s (voor een steeds langere periode) geen boetes hebben uitgeschreven bij geconstateerde overtredingen. Bovendien is, op 23 april 2019, een protestbijeenkomst op de Dam gehouden.

De nu voorgenomen actie houdt twee dingen in. Ten eerste zullen de boa’s die tijdens koningsdag in Amsterdam dienst doen, opnieuw geen boetes uitschrijven. Ten tweede zullen zij hun werk neerleggen van 18 tot 21 uur. De reden waarom de boa’s juist tijdens de genoemde drie uren hun werk willen neerleggen, is dat in die periode, van grote drukte, duidelijk wordt waar de taken van de boa’s eindigen en die van de politie begint.

Het doel dat de bonden met hun acties willen bereiken is dat minister van Justitie en Veiligheid aan het arsenaal van bevoegdheden en geweldsmiddelen dat boa’s ten dienste staat, de wapenstok en pepperspray toevoegt. Noodzakelijke voorwaarden voor een besluit in die zin van de minister, zijn dat de gemeente als werkgever een daartoe strekkend verzoek doet en dat politie en OM daarop positief adviseren. Maar de minister heeft zich al op het standpunt gesteld dat hij geen voorstander is van inwilliging van deze eisen. De gemeente onderschrijft dit standpunt van de minister, en politie en OM hebben een negatief advies uitgebracht.

De gemeente vordert geen verbod van het voornemen van de bonden om de boa’s op te roepen ook tijdens koningsdag in Amsterdam geen boetes uit te schrijven bij geconstateerde overtredingen. Zij vordert uitsluitend dat het de bonden wordt verboden een werkstaking van de boa’s uit te lokken of te organiseren tijdens koningsdag. Zij voert daarvoor twee grondslagen aan. De als eerste te beoordelen grondslag van de vordering is dat de onderhavige actie een zuiver politieke staking is, zodat zij al daarom moet worden verboden.

Deze grondslag van de vordering treft geen doel. De onderhavige actie, die zich keert tegen de gemeente, betreft immers niet specifiek de - inderdaad politieke - vraag van de organisatie van de keten van rechtshandhaving en veiligheid. De boa’s zijn immers in dienst van de gemeente en de actie is erop gericht hun (gevoel van) veiligheid tijdens de uitoefening van hun functie te verhogen. Daarom betreft de actie mede hun arbeidsvoorwaarden. Deze plegen het onderwerp te zijn van collectief onderhandelen. De bonden verlangen dat de gemeente maatregelen treft om de veiligheid van de boa’s te verhogen en de gemeente mag, als goed werkgeefster, overleg daarover niet uit de weg gaan. De onderhavige collectieve actie is mede erop gericht de gemeente in dit opzicht van gedachten te doen veranderen. Zij kan dus redelijkerwijs bijdragen tot doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Het feit dat de actie zich uiteindelijk richt tegen de minister, die beslissingsbevoegd is, maakt dit alles niet anders. Redelijkerwijs moet immers worden aangenomen dat een eventuele wijziging in de opstelling van de gemeente, die de bonden met de actie willen bereiken, door de minister zal worden meegewogen in zijn besluitvorming.

De uitoefening van het recht op de onderhavige collectieve actie kan dus in deze zaak alleen worden beperkt langs de weg van artikel G ESH. Daarop is de subsidiaire grondslag van de vordering van de gemeente gericht. Wil deze grondslag slagen, dan moet de gemeente aannemelijk maken dat de actie in zodanige mate inbreuk maakt op rechten van derden dat de gevorderde beperking van het recht op collectieve actie, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk is. In dit verband wordt het volgende overwogen.

Op zichzelf kan begrip ervoor worden opgebracht dat de bonden willen opschalen op de escalatieladder, nu overleg tot nu toe niets heeft uitgehaald en de tot dusver gevoerde acties evenmin. Voor begrip is nog meer aanleiding omdat ook de gemeente heeft gemerkt dat boa’s zich in de openbare ruimte in toenemende mate onveilig voelen bij de uitoefening van hun functie, en vindt dat zij daarvoor ook reden hebben. Bovendien is ter zitting door een aantal boa’s indringend naar voren gebracht dat, in het huidige maatschappelijke klimaat van verharding, zij regelmatig fysiek worden belaagd en zich daartegen nu onvoldoende kunnen verdedigen.

Hiertegenover staat het volgende. In het verleden kwamen jaarlijks 700.000-900.000 mensen op koningsdag naar Amsterdam om hier feest te vieren. Mogelijk zijn dat er morgen iets minder gezien het verwachte regenachtige weer, maar ook dan nog zal het aantal in de stad aanwezige mensen bijna worden verdubbeld. Rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat velen van hen in de loop van de dag in meerdere of mindere mate onder invloed van alcohol of drugs zullen raken en daarmee samenhangend, ontremd gedrag gaan vertonen. Bijstand van andere politiekorpsen kan niet worden verkregen omdat koningsdag nationaal wordt gevierd en de inzet van politie dus overal noodzakelijk is. Daarom zullen degenen die zijn belast met de daadwerkelijke handhaving van de openbare orde, de boa’s en de politie, op koningsdag worden belast tot aan de grenzen van hun mogelijkheden; hetzelfde geldt overigens voor de hulpdiensten. Als door de voorgenomen werkstaking de inzet van boa’s, als minder ingrijpende en publieksvriendelijker voorschakel van politieel optreden, zou wegvallen juist in de uren waarin velen zich ongeorganiseerd door de stad gaan bewegen op weg naar huis, terwijl veel mensen inmiddels onder de invloed zijn, valt een essentiële schakel uit de veiligheidsketen weg.

Dit wordt onvoldoende gecompenseerd door het aanbod van de bonden om beschikbaar te zijn in geval van calamiteiten. Hun rol is immers om het klimaat waarin calamiteiten kunnen gebeuren, positief te beïnvloeden en daarmee die calamiteiten juist zoveel mogelijk te voorkomen door een sturende, dempende en sussende rol te vervullen, alleen al door hun aanwezigheid op straat. Bovendien kan de ene boa de vraag of sprake is van een calamiteit anders beoordelen dan de andere, zodat de politie onvoldoende kan vertrouwen op de inzet van de openbare orde- en veiligheidspartner.

Te vrezen valt dat het feit dat de boa’s mensen met normafwijkend gedrag daarop tijdens de stakingsuren niet aanspreken, meebrengt dat zulk gedrag gemakkelijker dan anders het geval zou zijn, kan escaleren tot aan het niveau waarop de politie gewapenderhand moet ingrijpen. Als die vrees bewaarheid wordt, zou de werkstaking dus leiden tot een grimmiger sfeer dan anders het geval zou zijn en tot wanordelijkheden en vernielingen, en mogelijk zelfs geweld. Dit risico mag niet worden gelopen.

Op deze gronden wordt geoordeeld dat de voorgenomen actie weliswaar een redelijk doel dient, maar in de gegeven omstandigheden een onevenredig zwaar middel is, gelet op de daarvan redelijkerwijs te vrezen gevolgen. De gemeente is dus erin geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat het door haar gevorderde verbod van de voorgenomen collectieve actie, maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is en in een democratische samenleving noodzakelijk voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor bescherming van de openbare orde. De actie zal daarom in de gegeven omstandigheden worden verboden. Van oplegging van een dwangsom wordt afgezien omdat de advocaat van de bonden ter zitting heeft meegedeeld dat een eventueel verbod zal worden gerespecteerd, waarop wordt vertrouwd.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de bonden in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. verbiedt de boa-bonden op te roepen tot een collectieve actie van de Amsterdamse boa’s op Koningsdag, 27 april 2019 in de vorm van een werkonderbreking tussen 18 en 21 uur, of om een dergelijke werkonderbreking te organiseren, met dien verstande dat het hun vrijstaat de boa’s ertoe op te roepen geen bekeuringen uit te schrijven wegens door hen geconstateerde overtredingen;

2. veroordeelt de boa-bonden in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de gemeente begroot op:

– € 103,58 aan explootkosten,

– € 639,- aan griffierecht en

– € 980,- aan salaris advocaat;

3. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.