Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2920

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2019
Datum publicatie
23-04-2019
Zaaknummer
C/13/661319 / KG ZA 19-104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van de artikelen 476a en 476b Rv (in samenhang bezien met artikel 720 Rv) is de derde-beslagene in de conservatoire fase van een beslag verplicht aan de beslaglegger om een juiste en volledige verklaring af te leggen over wat door het beslag is getroffen. Indien hieraan niet of niet volledig wordt voldaan, kan de beslaglegger deze verplichting afdwingen in kort geding. Dat in artikel 477a Rv een sanctie is opgenomen voor de derde-beslagene die geldt in de executoriale fase (en die inhoudt dat hij zelf de schuld moet voldoen waarvoor het beslag is gelegd indien hij niet of onvolledig verklaart) staat hieraan niet in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/661319 / KG ZA 19-104 FB/MV

Vonnis in kort geding van 1 april 2019

in de zaak van

de rechtspersoon naar Oekraïens recht

NATIONAL JOINT STOCK COMPANY NAFTOGAZ OF UKRAINE,

gevestigd te Kiev (Oekraïne),

eiseres bij dagvaarding van 8 maart 2019,

advocaat mr. R.M. Avezaat te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SOUTH STREAM TRANSPORT B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GAZPROM EP INTERNATIONAL B.V.,

3. de coöperatie

GAZPROM HOLDING COÖPERATIE U.A.,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLUE STREAM PIPELINE COMPANY B.V.,

allen gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat van gedaagden 1 tot en met 3 mr. J.Ph. de Korte te Amsterdam,
advocaat van gedaagde 4 mr. L.P. Wiggers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook Naftogaz, South Stream, EP International, GP Holding en Blue Stream worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 18 maart 2019 heeft Naftogaz gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. South Stream, EP International, GP Holding en Blue Stream hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.
Alle partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

Ter zitting waren – voor zover van belang – aanwezig:

aan de zijde van Naftogaz mr. Avezaat en zijn kantoorgenoot mr. S.A.H.J. Warringa;

aan de zijde van South Stream, EP International en GP Holding mr. De Korte en zijn kantoorgenoot mr. G.J. Wilts;
aan de zijde van Blue Stream mr. Wiggers en zijn kantoorgenoot mr. H.K. Schrama.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

Gedaagden zijn deelnemingen van de Public Joint Stock Company Gazprom (hierna Gazprom), gevestigd te Rusland.

2.2.

Naftogaz, de Oekraïense staatsenergiemaatschappij, en Gazprom hebben op 19 januari 2009 twee overeenkomsten gesloten over het vervoer en de verkoop van gas. Tussen hen zijn geschillen ontstaan over de nakoming daarvan. Naftogaz heeft, conform de overeenkomsten, twee arbitrageprocedures aanhangig gemaakt bij de Stockholm Chamber of Commerce (SCC) te Zweden. Het SCC heeft deze zaken in 2014 in behandeling genomen.

2.3.

Het SCC heeft op 22 december 2017 een arbitraal eindvonnis gewezen in de zaak over de verkoopovereenkomst en op 28 februari 2018 over de vervoersovereenkomst. In deze laatste uitspraak, waartegen geen hoger beroep openstaat, is Gazprom veroordeeld tot betaling aan Naftogaz van
USD 2.560.332.662,77, te vermeerderen met rente.

2.4.

Gazprom heeft het onder 2.3 genoemde bedrag niet voldaan, betwist de verschuldigdheid daarvan en heeft bij de Zweedse civiele rechter vernietiging van het arbitrale vonnis gevraagd.

2.5.

Op 29 mei 2018 heeft Naftogaz drie verzoekschriften ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank en verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir (derden)beslag ten laste van Gazprom op vorderingen, aandelen en lidmaatschappen c.q. lidmaatschapsrechten die Gazprom zou hebben in (onder meer) gedaagden. Op 30 mei 2018 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend, met begroting van de vordering op € 2.419.000.000,-. Hierbij is de termijn voor het instellen van de hoofdzaak (een verzoekschrift aan het gerechtshof Amsterdam tot erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitraal eindvonnis) bepaald op acht weken. Naftogaz heeft twee keer uitstel van deze termijn verzocht en verkregen. Op 17 september 2018 heeft zij het desbetreffende verzoekschrift ingediend. Het gerechtshof Amsterdam heeft hierop nog niet beslist.

2.6.

Op 30 mei 2018 heeft Naftogaz conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van Gazprom onder gedaagden op vorderingen van Gazprom.
2.7. Op 27 juni 2018 heeft South Stream een verklaring in de zin van artikel 476a Rv afgelegd. Hieruit blijkt dat Gazprom voor meer dan 2 miljard euro aan vorderingen heeft op South Stream, die door het beslag zouden zijn geraakt. In de bijlage heeft South Stream een overzicht verschaft van het totaalbedrag, het uitstaand bedrag, de valuta, het rentepercentage, het toepasselijk recht en de forumkeuze.

2.8.

Op 27 juni 2018 heeft EP International een verklaring in de zin van artikel 476a Rv afgelegd. Hieruit blijkt dat Gazprom uit hoofde van een licentieovereenkomst een vordering op EP International heeft van USD 20.000 per kwartaal vanwege het gebruik van de naam en het logo van Gazprom.

2.9.

Op 27 juni 2018 heeft GP Holding een verklaring in de zin van artikel 476a Rv afgelegd. Hieruit blijkt dat Gazprom uit hoofde van een licentieovereenkomst een vordering op GP Holding heeft van USD 8.000 per kwartaal. Blijkens de verklaring heeft Gazprom uit hoofde van een vervoersovereenkomst een vordering op GP Holding van RUB 193.164,87.

2.10.

Op 28 juni 2018 heeft Blue Stream een verklaring in de zin van artikel 476a Rv afgelegd. Hieruit blijkt dat Gazprom mogelijk een aantal toekomstige vorderingen op Blue Stream heeft uit hoofde van een gasleveringsovereenkomst en mogelijk een vordering uit hoofde van een dividenduitkering.

2.11.

Bij brieven van 6 november 2018 heeft de raadsman van Naftogaz gedaagden – kort gezegd – verzocht alsnog te voldoen aan hun wettelijke verplichtingen uit de artikelen 476a en 476b Rv door Naftogaz te voorzien van aanvulling en onderbouwing van de afgelegde verklaringen.

2.12.

Naar aanleiding van de onder 2.11 genoemde brief heeft Blue Stream aan Naftogaz op 14 december 2018 een notariële verklaring toegezonden. South Stream, EP International en GP Holding hebben Naftogaz op 17 december 2018 een notariële verklaring toegezonden.

3 Het geschil

3.1.

Naftogaz vordert – kort gezegd – het volgende:
(a) primair ieder van gedaagden op straffe van een dwangsom van € 500.000,- per dag of gedeelte daarvan te veroordelen om haar verplichtingen op grond van de artikelen 476a en 476b Rv na te komen door een verklaring af te leggen die is voorzien van de onderliggende stukken en die tenminste de volgende informatie bevat (zie punten 18 van de dagvaarding):
(i) informatie over de op de beweerde rechtsverhouding van toepassing zijnde voorwaarden, inclusief voorwaarden omtrent verrekening en opeisbaarheid;
(ii) informatie over andere rechten en plichten voortvloeiend uit de beweerde rechtsverhouding die de vordering (negatief of positief) zouden kunnen beïnvloeden;
(iii) informatie over eventuele zekerheden verstrekt aan Gazprom door de derde-beslagene of andere derden ter zekering van de vorderingen;
(iv) informatie of de vorderingen onderworpen zijn aan beslag(en) of zekerheidsrecht(en) van derde(n), met vermelding van de relevante beslagcrediteur c.q. zekerheidshouder;
(v) andere informatie die dienstig is voor het vaststellen van de rechten van partijen; en
(vi) alle documentatie die bovenstaande punten onderschrijft, inclusief volledige kopieën van de relevante overeenkomsten;
Ten aanzien van Blue Stream wordt tevens gevorderd informatie omtrent de op de overeenkomst van toepassing zijnde rechts- en forumkeuze (zie punt 27 van de dagvaarding).

(b) subsidiair ieder van gedaagden op grond van artikel 843a Rv te veroordelen afschrift te verstrekken van dan wel inzage te geven in de hiervoor onder (vi) bedoelde bescheiden, op straffe van een dwangsom van € 500.000,- per dag of gedeelte daarvan;
(c) in beide gevallen gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Naftogaz stelt hiertoe – samengevat weergegeven – dat ieder van gedaagden Naftogaz heeft voorzien van een gebrekkige derdenverklaring die niet de door de artikelen 476a en 476b Rv vereiste informatie bevat. Naftogaz vordert in dit kort geding dan ook nakoming van deze wettelijke informatieverplichting. Zij verwijst in dit kader met name naar artikel 476a lid 2 sub b, e en f Rv. Hieruit volgt dat de verklaring informatie dient te bevatten over de aard en het beloop van de door het beslag getroffen vorderingen en eventueel de tijdsbepalingen of voorwaarden die daaraan zijn verbonden, en over pandrechten die op door het beslag getroffen goederen rusten, en dat de verklaring verdere gegevens dient te bevatten die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn. Voorts is in artikel 476b lid 2 Rv bepaald dat de verklaring zo veel mogelijk vergezeld gaat van afschrift van “tot staving dienende bescheiden”. Het belang dat de beslaglegger heeft bij het verkrijgen van de juiste en volledige informatie is evident. Hij moet immers kunnen beoordelen of de derde-beslagene te zijner tijd voldoende verhaal biedt en of er (dus) een noodzaak is tot het leggen van aanvullend beslag. De derdenverklaringen van South Stream, EP International en GP Holding schieten op diverse punten tekort. De relevante onderliggende stukken ontbreken en de verklaringen bevatten niet de informatie zoals in dit kort geding primair onder (i) tot en met (v) gevorderd (zie onder 3.1 van dit vonnis). Daar komt bij dat de advocaat van deze gedaagden in zijn brief heeft opgenomen dat de verklaringen “subject to amendment” zijn en “may therefore not be relied upon”. De verklaring van Blue Stream schiet om dezelfde redenen tekort.

Nadat Naftogaz gedaagden bij brieven van 6 november 2018 alsnog had verzocht aan hun wettelijke verplichtingen te voldoen, heeft zij de onder 2.12 genoemde notariële verklaringen ontvangen. Omdat ook in die verklaringen cruciale informatie ontbreekt over de beslagen vorderingen en de desbetreffende notaris bovendien de nodige voorbehouden heeft gemaakt, voldoen gedaagden nog steeds niet aan hun wettelijke verplichtingen (hoewel in de notariële verklaringen op een enkel aanvullend punt informatie is verschaft over de rechts- en forumkeuze in de onderliggende overeenkomsten). Gedaagden blijven bovendien nalatig met het verstrekken van afschriften van de onderliggende overeenkomsten. De notariële verklaringen, waarin slechts enkele bepalingen uit die overeenkomsten worden geciteerd, kunnen niet dienen als substituut hiervoor. Overigens heeft Naftogaz geen bezwaar tegen het onleesbaar maken van bedrijfsgevoelige informatie in de overeenkomsten (zoals gasprijsafspraken).
Verder voert Naftogaz aan dat gedaagden ook op grond van artikel 843a Rv verplicht zijn de desbetreffende bescheiden af te geven. Aan de in dat artikel gestelde eisen is voldaan. De bescheiden zijn voldoende bepaald en zien op een rechtsbetrekking waarbij Naftogaz partij is. Naftogaz heeft een rechtmatig belang bij het verkrijgen van de bescheiden en gedaagden hebben die bescheiden tot hun beschikking.

Naftogaz heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering, temeer nu het gerechtshof Amsterdam in de onder 2.5 genoemde procedure uitspraak heeft bepaald op 26 maart 2019.

3.3.

Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak in de kern om een geval waarin conservatoire derdenbeslagen zijn gelegd, de derden-beslagenen ieder tijdig een verklaring hebben afgelegd als bedoeld in artikel 476a Rv en de beslaglegger niet de juistheid van deze verklaringen betwist, maar wel de volledigheid daarvan. Volgens de beslaglegger, Naftogaz, hebben de derden-beslagenen onvoldoende aan hun verklaringsplicht voldaan door met name niet te vermelden:

( i) informatie over de voorwaarden die van toepassing zijn op de gestelde rechtsverhoudingen met de beslagene (Gazprom), daaronder begrepen voorwaarden omtrent verrekening en opeisbaarheid;

(ii) informatie over andere rechten en plichten voortvloeiend uit de gestelde rechtsverhoudingen die de vorderingen (negatief of positief) zouden kunnen beïnvloeden;

(iii) informatie over eventuele zekerheden verstrekt aan Gazprom door de derdenbeslagenen of andere derden ter verzekering van de vorderingen;

(iv) informatie of de vorderingen zijn onderworpen aan beslag(en) of zekerheidsrechten van derden, met vermelding van de desbetreffende partijen;

( v) informatie die dienstig is voor het vaststellen van de rechten van partijen, en

(vi) alle documentatie die het bovenstaande onderschrijft, met inbegrip van volledige kopieën van relevante overeenkomsten.

(Zie dagvaarding nummer 18.)

Daarnaast ontbreekt volgens Naftogaz in de verklaring van Blue Stream informatie omtrent de op de overeenkomst toepasselijke recht- en forumkeuze (dagvaarding nummer 27).

4.2.

Ter inleiding van de beoordeling van deze vorderingen wordt het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 720 Rv zijn de (voor het executoriale derdenbeslag geschreven) artikelen 476a en 476b Rv van overeenkomstige toepassing in geval van conservatoir beslag onder derden. Deze laatstgenoemde bepalingen passen in het stelsel van de wet, dat de mogelijkheid voor derden opent om vrijwillig aan de executie mee te werken zonder instemming van de geëxecuteerde. De derde moet in beginsel zijn verklaring kunnen afleggen zonder dat hij zich van juridische bijstand behoeft te voorzien om niet zelf in moeilijkheden te komen. (Parl. Gesch. Wijziging Rv (Inv. 3, 5 en 6), pagina 153) In dit licht is in artikel 476a lid 2 Rv een opsomming gegeven van de gegevens betreffende de beslagen vordering ten aanzien waarvan een mededelingsplicht rust op de derde-beslagene tegenover de beslaglegger. Voldoening aan deze mededelingsplicht door middel van een ondubbelzinnige verklaring is voor de beslaglegger van wezenlijk belang om zich de vereiste kennis van en inzicht in hetgeen door het beslag is getroffen te verwerven, en aan de hand daarvan zijn verdere verhaalstrategie te bepalen. De inhoud van deze mededelingsplicht, en dus ook de uitleg van artikel 476a lid 2 Rv, wordt mede bepaald door artikel 843a Rv.

4.3.

Voor het geval de derde-beslagene in gebreke blijft een verklaring te doen, bevat artikel 477a Rv voor het executoriale derdenbeslag een specifieke regeling. Deze komt erop neer dat de derde-beslagene dan niet wordt veroordeeld alsnog een juiste en volledige opgave te doen, maar dat hij wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd als ware hij daarvan zelf schuldenaar, onverminderd zijn verplichting tot vergoeding van de schade, zo daartoe gronden zijn. Artikel 477a Rv is in artikel 720 Rv (uiteraard) niet mede van toepassing verklaard in het geval van conservatoir derdenbeslag.

4.4.

De vraag of een vordering als in dit geding aan de orde - die ertoe strekt dat de derde-beslagene alsnog aanvullende gegevens verschaft over de vorderingen van de beslagdebiteur op de derde die door het beslag zijn getroffen - in het licht van artikel 477a Rv in strijd is met het stelsel van het beslagrecht, wordt ontkennend beantwoord. In de conservatoire fase heeft de beslaglegger, om de hiervoor in 4.2 genoemde redenen, een redelijk, en door de wetgever erkend, belang erbij dat de derde-beslagene ondubbelzinnig, volledig en naar waarheid aan zijn mededelingsplicht voldoet. Nakoming van deze mededelingsplicht is, binnen de door de wet getrokken grenzen, rechtens afdwingbaar. De omstandigheid dat, indien de derde-beslagene in zoverre tekortschiet, de wetgever in de executoriale fase voor een sanctie van andere aard heeft gekozen (zie artikel 477a Rv voornoemd) is klaarblijkelijk mede bedoeld om de derde-beslagene een prikkel te geven om een juiste en volledige verklaring af te leggen. Zij strekt dus niet ertoe om afbreuk te doen aan de mededelingsplicht die in de conservatoire fase bestaat, maar strekt juist ter versterking daarvan.

4.5.

De vraag is dus of gedaagden als derde-beslagenen aan hun voormelde mededelingsplicht hebben voldaan. Voorshands wordt geoordeeld dat zij dit onvoldoende hebben gedaan in hun tot dusver afgelegde verklaringen. Dat is niet alleen het geval omdat zij op belangrijke punten nog geen of onvoldoende informatie hebben verschaft (waarover hierna), maar ook omdat deze verklaringen niet ondubbelzinnig zijn, zoals wel mag worden verlangd. De advocaat van gedaagden 1-3 heeft immers aan de door hem namens zijn cliënten afgelegde verklaringen toegevoegd dat deze “subject to amendment” zijn en “may therefore not be relied upon”. En de advocaat van gedaagde onder 4 heeft vermeld dat “one could argue that Gazprom […] had an existing claim” en “would seem to directly obtain certain future claims”.

Het maken van dergelijke voorbehouden strookt niet met de hiervoor vermelde strekking van artikel 476a Rv en met de daarop gegeven toelichting die, voor zover van belang, inhoudt dat de termijn van vier weken tevens ertoe strekt aan de derde alle gelegenheid te geven tot beraad en zo nodig tot het vragen van deskundig advies omtrent hetgeen hij verklaren zal (Parl. Gesch. Wijziging Rv (Inv. 3, 5 en 6), pagina 169).

4.6.

Voor zover gedaagden hebben geprobeerd de gebreken in hun vorenstaande verklaringen te repareren door het bijvoegen van notariële akten waarin de desbetreffende notaris verklaart dat zij zich van de juistheid van de verklaringen heeft vergewist, zijn zij daarin niet geslaagd. De notaris heeft ter toelichting van haar verklaringen immers onder meer (in vertaling en zakelijk weergegeven) opgemerkt dat zij niet de betekenis en het effect heeft onderzocht van de aan haar voorgelegde documenten en ook niet heeft onderzocht of de bepalingen in de akten waarover zij een verklaring heeft afgelegd, worden beïnvloed door andere bepalingen van die akten. Bovendien heeft zij het voorbehoud gemaakt dat zij niet beschikt over een uitputtende lijst van contractuele bepalingen die de rechten en verplichtingen van de relevante Gazpromdeelnemingen tegenover Gazprom bepalen. De contracten zouden ook andere bepalingen kunnen bevatten die relevant zijn voor de desbetreffende rechten en verplichtingen. Haar onderzoek heeft zich beperkt tot de bepalingen die door de juridisch adviseur van gedaagden aan haar zijn voorgelegd. Bij het opstellen van haar verklaring is zij daarop afgegaan, aldus nog steeds de notaris. De notariële verklaring is aldus met zoveel voorbehoud omgeven dat de inhoud daarvan onvoldoende is om de onduidelijkheden in de door de gedaagden afgelegde verklaringen te repareren. De omstandigheid dat een notariële akte dwingende bewijskracht heeft, is daarom niet relevant.

4.7.

Uit hetgeen onder 4.5 en 4.6 is overwogen volgt in ieder geval dat van gedaagden mag worden verwacht dat zij hun verklaringen nogmaals afgeven zonder de door de raadslieden en de notaris gemaakte voorbehouden. In dit geding is echter niet een daarop gerichte vordering ingesteld.

4.8.

De advocaat van Blue Stream heeft ter zitting de volgende aanvullende verklaringen afgelegd (pleitnota onder 4):

( a) de voorwaarden van de gasleveringsovereenkomst tussen Blue Stream en Gazprom dienen te worden uitgelegd naar de regels die gelden voor gaslevering in de Russische Federatie;

( b) partijen bij de gasleveringsovereenkomst dragen verantwoordelijkheid naar Russisch recht ten aanzien van schending van de voorwaarden van de overeenkomst;

( c) alle geschillen die voortvloeien uit of verband houden met de gasleveringsovereenkomst worden beslist naar Russisch recht;

( d) partijen bij de gasleveringsovereenkomst zijn bevrijd van hun verplichtingen onder de overeenkomst in geval van force majeure;

( e) betalingen die voortvloeien uit de gasleveringsovereenkomst zullen maandelijks plaatsvinden door een bankoverschrijving op de bankrekening van Gazprom;

( f) Blue Stream wordt geacht haar verplichtingen onder de gasleveringsovereenkomst te hebben voldaan op de dag dat betaling wordt ontvangen op de bankrekening van Gazprom;

( g) Gazprom heeft geen zekerheidsrechten ten aanzien van de vorderingen;

( h) de vorderingen zijn niet onderworpen aan zekerheidsrechten of beslagen van derden.

4.9.

Mr. De Korte heeft zich hierbij, namens de overige gedaagden, ter zitting aangesloten. Hij heeft bovendien ter zitting verklaard (pleitnota onder 1.1) dat er ten tijde van het leggen van het beslag door Naftogaz op de bedoelde vorderingen geen andere beslagen waren gelegd (en sindsdien ook niet zijn gelegd) en dat op die vorderingen ook geen pandrechten of andere zekerheidsrechten zijn gevestigd. Ook heeft hij verklaard dat er geen recht op verrekening met de beslagen vorderingen bestond of bestaat en dat geen zekerheden zijn gevestigd ter verhaal van de beslagen vorderingen.
Voorts heeft mr. De Korte ter zitting verklaard (pleitnota onder 1.3) dat Naftogaz in een vertrouwelijke Engelse procedure reeds van Gazprom informatie heeft ontvangen over de data waarop de leningen die aan South Stream zijn verstrekt, opeisbaar worden.

4.10.

Door deze verklaringen is alsnog en met de vereiste ondubbelzinnigheid een verklaring gedaan met betrekking tot de hiervoor in 4.1 onder (iii) en (iv) vermelde punten.

Met betrekking tot punt (i) heeft Blue Stream geen ondubbelzinnige verklaring afgelegd. Evenmin is namens Blue Stream een verklaring afgelegd omtrent de forumkeuze, zoals gevorderd onder punt 27 van de dagvaarding. Mr. De Korte heeft ter zitting namens - alleen - gedaagde South Stream wél een verklaring afgelegd ten aanzien van de opeisbaarheid van de beslagen vorderingen (zie 4.9), maar daarbij is gerefereerd aan vertrouwelijk verstrekte informatie. Geen verklaring is afgelegd omtrent de mogelijkheid tot verrekening. Ook ten aanzien van punt (ii) heeft geen van de gedaagden een ondubbelzinnige verklaring afgelegd, maar dit punt is zo vaag en algemeen geformuleerd dat het zich niet leent voor het geven van een met een dwangsom versterkt rechterlijk bevel, omdat de positie van gedaagden daardoor te zeer zou worden bemoeilijkt. Hetzelfde geldt met betrekking tot punt (v), waarbij nog komt dat voorshands onzeker is of informatie als hier bedoeld, daadwerkelijk voorhanden is.

4.11.

Wat betreft punt (vi), het verstrekken van volledige kopieën van de relevante overeenkomsten, wordt ten slotte het volgende overwogen. Ter zitting is de indruk ontstaan dat hierin het voornaamste conflictpunt tussen partijen is gelegen. Naftogaz wenst over de onderliggende bescheiden te beschikken; gedaagden beroepen zich op de vertrouwelijkheid van de desbetreffende informatie en op de daarin besloten bedrijfsgeheimen. Toewijzing van dit onderdeel van de vorderingen gaat voorshands te ver. Gazprom heeft immers aangevoerd dat de door Naftogaz gevraagde bescheiden concurrentiegevoelige en/of vertrouwelijke informatie bevatten. Pas in de verklaringsprocedure van artikel 477a Rv kan een gefundeerd oordeel worden gegeven over de vraag of deze bescheiden moeten worden afgegeven. In de gegeven omstandigheden kan hierop, in dit kort geding, niet worden vooruitgelopen omdat voorshands met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat Gazprom tot afgifte van deze bescheiden is gehouden en de mogelijkheid van onherstelbare schade dreigt als die afgifte nu reeds wordt gelast. Daarbij komt dat, gezien de in Zweden aanhangig gemaakte vernietigingsprocedure (zie 2.4), niet zonder meer ervan kan worden uitgegaan dat het beslag in een executoriale fase zal komen.

4.12.

Het subsidiaire beroep van Naftogaz op artikel 843a Rv leidt niet tot een andere beslissing. Dat is reeds het geval omdat dit artikel mede de inhoud en omvang van de mededelingsplicht van de derde-beslagene tegenover de beslaglegger bepaalt (zie 4.2). Daarom leidt toepassing van artikel 843a Rv niet tot een andere beslissing dan toepassing van artikel 476a lid 2 Rv; bij de opvordering van de bedoelde bescheiden bestaat in zoverre - om de genoemde redenen - geen rechtmatig belang. Bovendien is de omschrijving “alle documentatie die bovenstaande punten onderschrijft, inclusief volledige kopieën van relevante overeenkomsten” (zie punt 18 van de dagvaarding) niet te rijmen met artikel 843a Rv, waar de eis wordt gesteld dat het gaat om “bepaalde bescheiden”.

4.13.

De conclusie is dat het eerste onderdeel van de primaire vordering van Naftogaz toewijsbaar is tegenover alle gedaagden. Daarnaast is de vordering jegens Blue Stream toewijsbaar, voor zover het de verlangde informatie betreft omtrent een eventueel in de overeenkomst gemaakte forumkeuze. De hieraan te verbinden dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd als na te melden. De termijn waarbinnen aan de veroordelingen moet worden voldaan, zal worden gesteld op zeven werkdagen. De overige door Naftogaz verlangde voorzieningen komen geen van alle voor toewijzing in aanmerking.

4.14.

Mede gelet op het feit dat de in dit geding verlangde verklaringen ten dele pas ter zitting zijn afgelegd, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat zij ieder hun eigen kosten dragen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt ieder van gedaagden om binnen zeven werkdagen na betekening van dit vonnis aan Naftogaz een ondubbelzinnige verklaring af te leggen over de opeisbaarheid en de mogelijkheid van verrekening met betrekking tot de door het beslag getroffen vorderingen, op straffe van een per gedaagde te verbeuren dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum per gedaagde van € 250.000,-,

5.2.

veroordeelt Blue Stream om binnen zeven werkdagen na betekening van dit vonnis aan Naftogaz een ondubbelzinnige verklaring af te leggen over een eventueel in de overeenkomst gemaakte forumkeuze, op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van
€ 250.000,-,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.5.

compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.B. Bakels voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2019.1

1 type: MV coll: BB