Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2899

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2019
Datum publicatie
04-06-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3275
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek, milieu-informatie, emissiegegevens, Verdrag van Aarhus, internationale betrekkingen, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/3275

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2019 in de zaak tussen

[Vereniging] , te Amsterdam,

eiseres (hierna: [Vereniging] ),

(gemachtigde: ir. J. Haverkamp),

en

Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, te ‘s-Gravenhage,

verweerder (hierna: ANVS),

(gemachtigde: mr. E. Koornwinder).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2017 (het primaire besluit) heeft ANVS het verzoek van [Vereniging] tot openbaarmaking van een document op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geweigerd.

Bij besluit van 6 april 2018 (het bestreden besluit) heeft ANVS het bezwaar van [Vereniging] ongegrond verklaard.

[Vereniging] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

ANVS heeft een verweerschrift ingediend. Verder heeft ANVS het op de zaak betrekking hebbende geheime stuk overgelegd. Daarbij heeft ANVS verzocht om geheimhouding, met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

[Vereniging] heeft de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van het geheime stuk.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is van de zijde van [Vereniging] verschenen haar [directeur] , en van de zijde van ANVS mr. A.J. ten Wolde, jurist, en drs. M.R. Kleemans, senior adviseur coördinator stralingsbescherming.

Overwegingen

Inleiding

1. Begin oktober 2017 gaven diverse landen in Europa aan dat radioactief ruthenium-106 (hierna: Ru-106) in de lucht was aangetroffen. Ru-106 is een niet-natuurlijke radioactieve stof, die vrijkomt bij kernsplitsing. Het International Atomic Energy Agency (IAEA) heeft de meetgegevens van Ru-106 van een groot aantal landen verzameld in een overzicht. Dat overzicht is gedeeld met als classificatie “for authority use only” op de portal van de website van het United System for Information Exchange (USIE). Dit portal is alleen toegankelijk voor, kort gezegd, toezichthouders van de aangesloten lidstaten, onderzoeksinstituten en enkele internationale organisaties.

Wat aan de procedure voorafging

2. Op 29 november 2017 heeft [Vereniging] per e-mail aan ANVS gevraagd om openbaarmaking (hierna: het wob-verzoek) van het IAEA-metingenoverzicht van Ru-106 (hierna: het document), zoals gedeeld door de IAEA op de USIE-website op 24 november 2017. Het overzicht van 24 november 2017 is een update van een reeds op 13 oktober 2017 en 20 oktober 2017 op USIE gedeeld overzicht. Een mogelijke kopie van het overzicht van 13 oktober 2017 was al gepubliceerd op de (Russische) website geoenergetics.ru. Ter zitting heeft [Vereniging] toegelicht dat zij wil kunnen verifiëren of de gegevens, zoals vermeld in het eerder via geoenergetics.ru gepubliceerde overzicht, correct zijn of dat deze gemanipuleerd zijn. Aan de hand daarvan komt er mogelijk meer duidelijkheid over de oorzaak en locatie van een incident dat vermoedelijk heeft plaatsgevonden in Rusland en kan er een vuist gemaakt worden richting Rusland. Ook kunnen dan personen die mogelijk zijn blootgesteld aan te hoge doseringen Ru-106 daarover worden geïnformeerd en vervolgens kunnen zij, zo nodig, de medisch noodzakelijke maatregelen treffen. Het actuele belang is erin gelegen om te zoeken naar een ingang om druk uit te kunnen oefenen en om in gesprek te kunnen gaan met de Russische autoriteiten. Wat betreft de toekomst moet men er op kunnen vertrouwen dat informatie altijd openbaar wordt gemaakt. Ook mag Rusland er niet mee wegkomen dat het (ernstige) incidenten verzwijgt, aldus [Vereniging] .

3. Met het primaire besluit heeft ANVS geweigerd om het document openbaar te maken met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Deze afwijzing is als volgt gemotiveerd:

“In het document is het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten en de IAEA in het geding. Dit belang zou kunnen worden geschaad indien de hier bedoelde informatie openbaar wordt gemaakt. De informatie waarop dit verzoek betrekking heeft, is vertrouwelijk uitgewisseld tussen ambtenaren van overheidsinstanties uit verschillende landen en de IAEA. Ik acht het aannemelijk dat het internationale contact van Nederland met zowel de IAEA als de staten die de meetgegevens vertrouwelijk hebben aangeleverd door openbaarmaking geschaad kan worden. Voorts heeft de IAEA aangegeven dat het document alleen door de aangesloten autoriteiten gebruikt mag worden. Ik ben van oordeel dat het belang van de internationale betrekkingen in dit geval zwaarder moet wegen dan het belang van de openbaarheid.”

4. Met het bestreden besluit heeft ANVS het bezwaar van [Vereniging] ongegrond verklaard. ANVS heeft het bestreden besluit onder meer als volgt gemotiveerd:

“Ik ben met u eens dat het belang van openbaarmaking bij dit document groot is. Het gaat om milieu-informatie, die betrekking heeft op emissies, die inzicht geeft in de aanwezigheid in het milieu van een potentieel schadelijke stof. Deze gegevens zijn bovendien nodig om de betrouwbaarheid van uitspraken en analyses van anderen over deze stof te kunnen controleren. Openbaarheid van dergelijke gegevens is dan ook het Europese uitgangspunt.

In dit geval is de informatie door de landen gedeeld met het IAEA, die de informatie heeft verzameld en heeft verspreid onder haar leden. Het is daarom in mijn ogen in beginsel het IAEA die over de openbaarheid van dit document zou moeten beslissen, alsmede de leden gezamenlijk. Ik dien daarom bij het verzoek om dit document van het IAEA openbaar te maken het belang van de openbaarmaking af te wegen tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en internationale organisaties. Goede internationale betrekkingen zijn van groot belang voor het delen van informatie ten behoeve van kennisoverdracht, onderzoek en bescherming van mens en milieu. De ANVS deelt en ontvangt geregeld gegevens met en van andere landen en internationale organisaties, waaronder het IAEA. Dit past bij de wettelijke taak van de ANVS om deel te nemen aan activiteiten van internationale organisaties. Het doorbreken van de door het IAEA meegedeelde vertrouwelijkheid, eenzijdig door de ANVS, brengt - hoe gerechtvaardigd eventueel ook - het risico met zich dat landen in het vervolg terughoudender zullen zijn met het delen van dergelijke gegevens met het IAEA en andere landen. Dat kan ook meer in het algemeen de verhoudingen met en het werk van de IAEA beïnvloeden. Dat vrijwel al de landen van wie de meetgegevens in het document zijn opgenomen op grond van het Verdrag van Aarhus ook verplicht zouden zijn hun meetgegevens te publiceren, maakt dat niet anders. Het is niet aan mij om over die andere landen een juridisch oordeel uit te spreken. Overigens gaat het in dit geval om een document van het IAEA. Deze organisatie valt niet onder het Verdrag van Aarhus, ook al bevat het document gegevens afkomstig van landen die wel bij dit Verdrag zijn aangesloten. Ik ben gelet op het voorgaande van oordeel dat het belang van de betrekkingen van Nederland met het IAEA en andere landen op dit moment zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van het betreffende document. Wel kies ik ervoor om binnen de internationale context, mede in het licht van de wettelijke taken van de ANVS op het gebied van internationale samenwerking en publieksvoorlichting, het openbaar beschikbaar stellen van deze gegevens aan te kaarten. Ik wijs er in dit verband op dat ik in de vergadering van 20 december 2017 van de European Nuclear Safety Regulators Group (ENSREG) heb aangedrongen op openbaarmaking van de Europese meetgegevens over Ruthenium-106”.

Standpunt van [Vereniging]

5. [Vereniging] voert -samengevat- de volgende gronden van beroep aan.

5.1.

Openbaarmaking van de informatie in het document kan voorkomende werking hebben bij autoriteiten in staten met nucleaire installaties. Door nu geen toegang te verlenen, wordt een precedent geschapen dat in geval van veel schadelijker emissies fnuikend kan zijn.

5.2.

Alle staten die in het document zijn genoemd, met uitzondering van Rusland en Turkije, zijn partij bij het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, Aarhus, 25-06-1998 (hierna: het Verdrag van Aarhus). Rusland is juist het land waar de vermoedelijk eerste versie van het document al openbaar is gemaakt op een website die nauw verbonden is aan het (staats)bedrijf Rosatom. De data in het document van alle andere landen vallen onder het Verdrag van Aarhus en moeten in principe worden beschouwd als openbare informatie onder artikel 4 van dat Verdrag. Daarom is het ook niet waarschijnlijk dat openbaarmaking van dit document tot schade aan de betrekkingen van Nederland met de betrokken staten zou kunnen leiden. ANVS moet aantonen dat er reden is om internationale spanningen te verwachten. ANVS moet zich ervan verwittigen of de spanningen in dit specifieke geval ook daadwerkelijk zullen optreden. Onduidelijk is of ANVS dat heeft gedaan, bijvoorbeeld met verwijzing naar correspondentie met andere partijen bij het IAEA over dit verzoek. Bovendien is niet van spanningen gebleken nadat instituten van andere landen meetgegevens openbaar hebben gemaakt. De a-priori aanname dat vrijgave van de data tot spanning zou kunnen leiden, is daarom ook niet juist.

5.3.

In plaats van zich te laten intimideren door (de angst voor vermeende of werkelijke) spanningen, had ANVS, ingevolge artikel 3, tweede en zevende lid, van het Verdrag van Aarhus, ook de verplichting om in internationale samenwerking de noodzaak van transparantie te bevorderen. ANVS heeft het ondergeschikte en beperkte belang van mogelijke spanningen te zwaar laten wegen in vergelijking met het door haar erkende grote algemene belang bij openbaarmaking.

5.4.

ANVS had moeten uitzoeken welke informatie vanuit welk land onder het Verdrag van Aarhus valt. ANVS heeft niet aangetoond dat zij de verschillende landen heeft gevraagd of zij instemmen met openbaarmaking van de data. Op basis van het Verdrag van Aarhus is het evident dat deze informatie onder artikel 4 van dat Verdrag in ieder van de landen vrijgegeven moet worden. Van ANVS mag een actieve houding hierin worden verwacht.

5.5.

ANVS had in ieder geval de Nederlandse meetgegevens dienen mee te delen.

5.6.

Uit het Bruine Beer arrest1 volgt dat de artikelen 3, zevende lid, en artikel 4 van het Verdrag van Aarhus direct toetsbaar zijn nu een en ander is geïmplementeerd en geen nadere nationale regelgeving behoeft. De Wob moet zo worden toegepast of geïnterpreteerd dat deze niet in tegenspraak is met de verplichtingen uit het Verdrag van Aarhus. Zowel uit het Verdrag van Aarhus (artikel 4, vierde lid) als artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (hierna: de EU Richtlijn) volgt dat de weigeringsgronden restrictief uitgelegd moeten worden. Daarnaast valt ook de verplichting tot het faciliteren van toegang tot informatie, ook in internationaal verband, onder de reikwijdte van de Wob.

5.7.

[Vereniging] vraagt de rechtbank te oordelen dat ANVS de informatie in het document volledig ter beschikking stelt, dan wel ANVS op te dragen tot het openbaar maken van de informatie in het document met uitzwarting van de Russische en Turkse data, dan wel te oordelen dat ANVS moet verifiëren of de op de Russische website geoengineering.ru gelekte documenten gemanipuleerd zijn of niet en indien en voor zover dat het geval is, op welke punten er veranderingen zijn aangebracht (een kwalitatieve beschrijving) en om een nieuwe lijst met de data uit landen die partij zijn bij het Verdrag van Aarhus te verstrekken.

Standpunt van ANVS

6. ANVS voert -samengevat- het volgende aan:

6.1.

Bij ieder verzoek om openbaarmaking wordt steeds een belangenafweging gemaakt. Van precedentwerking zal daarom geen sprake zijn. Het Verdrag van Aarhus en de EU-Richtlijn zijn volledig geïmplementeerd. Het toetsingskader voor de beoordeling van het verzoek is de Wob. Daarbij komt niet aan de orde hoe andere landen met het Verdrag van Aarhus omgaan. Uitgangspunt van de Wob is openbaarmaking, tenzij de informatie geweigerd kan worden op grond van een van de in de Wob genoemde weigeringsgronden. Daarbij is een belangenafweging gemaakt tussen een mogelijk verslechtering van de internationale contacten en de uitwisseling van gegevens en het belang van het openbaar maken van de milieu-informatie. Een andere toetsing is in het kader van de Wob niet mogelijk. De verplichtingen onder de Wob gaan niet zover dat actief onderzoek moet worden gedaan bij ieder betrokken land in hoeverre er bereidheid bestaat tot openbaarmaking van de gegevens. Ook verzoeken of verplichtingen om internationaal openbaarmaking te bewerkstellingen of het bevorderen van internationale betrekkingen vallen buiten de reikwijdte van deze procedure.

6.2.

Openbaarmaking van het document is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob: het belang van de internationale betrekkingen, dat wil zeggen de betrekkingen van Nederland met andere staten en internationale organisaties. Voor deze weigeringsgrond is het voldoende, aldus de Memorie van Toelichting2, dat als gevolg van het verschaffen van informatie wordt voorzien dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen. Het document bevat verzamelde gegevens van een groot aantal landen, die deze gegevens in vertrouwen hebben verstrekt aan het IAEA. Vervolgens is het overzicht opgesteld en in vertrouwen verstrekt door het IAEA aan de landen. De kans is dus aanzienlijk dat als één van die landen de vertrouwelijk verstrekte gegevens vervolgens openbaar maakt, in de toekomst andere landen minder bereid zullen zijn tot het verstrekken van dergelijke gegevens. Gezien het grote belang voor Nederland om ook in de toekomst op de hoogte te worden gebracht van dergelijke informatie, is gemeend dat dit belang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Daarbij is in de afweging meegenomen dat het milieu-informatie betreft en dat het om emissies gaat.

Relevante regelgeving

7. De voor deze zaak relevante regelgeving is in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen.

De beoordeling

8. Partijen zijn het erover eens dat de informatie, waarvan openbaarmaking wordt verzocht, ziet op milieu-informatie en meer specifiek op emissie-gegevens. Ook de rechtbank deelt dit standpunt, na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van het vertrouwelijk door ANVS overgelegde document. Voor dergelijke emissie-gegevens geldt een bijzonder regime, in die zin dat daarvoor een zwaarwegend belang bij openbaarmaking bestaat. Ter beoordeling ligt de vraag voor of ANVS, na een afweging van belangen, de gevraagde informatie neergelegd in het document in zijn geheel heeft mogen weigeren.

9. [Vereniging] doet een (rechtstreeks) beroep op het Verdrag van Aarhus. Het standpunt van [Vereniging] dat uit het Verdrag van Aarhus een plicht tot openbaarmaking voortvloeit, volgt de rechtbank niet. Het Verdrag van Aarhus is, wat betreft de beoordeling van wob-verzoeken, op juiste wijze geïmplementeerd in de Wob. Een rechtstreeks beroep op het Verdrag is dus niet mogelijk. Gelet op het voorgaande heeft ANVS het verzoek van [Vereniging] terecht beoordeeld binnen de kaders die de Wob daarvoor biedt.

Daarbij wordt ten overvloede opgemerkt dat, net als de Wob, ook het Verdrag van Aarhus ruimte laat om openbaarmaking van milieu-informatie te weigeren op grond van, onder andere, internationale betrekkingen. Dat volgt uit artikel 4, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus.

10. ANVS heeft openbaarmaking van het document in zijn geheel geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 3volgt dat het blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling4 voor de toepassing hiervan niet noodzakelijk is dat men een verslechtering van de goede betrekkingen als zodanig met andere landen of met internationale organisaties voorziet. Voldoende is dat men, als gevolg van het verschaffen van informatie op grond van de wet, voorziet dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen, met als gevolg bijvoorbeeld dat het onderhouden van diplomatieke betrekkingen, of het voeren van bilateraal overleg met landen of internationale organisaties, moeilijker zal gaan dan voorheen. De beoordeling of dit het geval is en, zo ja, of het belang zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid, moet worden verricht naar het moment waarop op het verzoek om informatie wordt beslist. Verder is daarbij van belang of de inhoud van de informatie algemeen bekend is op het moment waarop op het verzoek wordt beslist. De rechtbank neemt, ook na de implementatie van het Verdrag van Aarhus in de Wob, dit criterium in het hierna volgende tot uitgangspunt.

11. ANVS heeft toegelicht dat er een aanzienlijke kans bestaat dat, als één van de landen de vertrouwelijk verstrekte gegevens openbaar maakt, in de toekomst andere landen minder bereidwillig zullen zijn tot het verstrekken van dergelijke gegevens. Het is van groot belang voor Nederland dat dergelijke gegevens toegankelijk blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ANVS daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat bij openbaarmaking van het document de internationale contacten met het IAEA en met andere landen stroever zullen gaan lopen. Daarbij speelt een belangrijke rol dat het document door IAEA als vertrouwelijk is bestempeld door er de classificatie “for authority use only” aan te koppelen. Dat betekent zoals ANVS ter zitting heeft toegelicht, dat er ten minste één land bij het aanleveren van de meetgegevens kenbaar heeft gemaakt zich te verzetten tegen openbaarmaking. Op deze keuze heeft ANVS geen invloed. De rechtbank ziet geen reden om in het kader van dit wob-verzoek een verplichting van ANVS aan te nemen om uit te zoeken welke landen zich verzetten tegen openbaarmaking. Op artikel 3 van het Verdrag van Aarhus kan [Vereniging] in dit verband geen beroep doen. Aan die bepaling komt geen rechtstreekse werking toe, omdat die niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde als objectief recht te worden toegepast. Dat [Vereniging] ook voorbeelden heeft genoemd van landen die geen bezwaar zouden hebben tegen openbaarmaking van de gegevens of dat er bij openbaarmaking van enkele gegevens van enkele landen geen internationale spanningen zijn ontstaan, doet hier niet aan af. ANVS heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het van groot belang voor Nederland en de ANVS is dat dergelijke gegevens snel en soepel worden verkregen indien nodig.

12. Zoals ook blijkt uit het bestreden besluit, heeft ANVS vervolgens een belangenafweging gemaakt, waarbij ANVS uitdrukkelijk heeft onderkend dat het belang bij openbaarmaking in dit geval groot is. Desondanks heeft de afweging van belangen ertoe geleid dat het document volgens ANVS niet openbaar behoort te worden gemaakt. ANVS heeft gewezen op het essentiële belang van Nederland en de volksgezondheid om ook in de toekomst toegang te blijven krijgen tot dit soort gegevens. Landen moeten erop kunnen vertrouwen dat vertrouwelijk verstrekte gegevens niet openbaar worden gemaakt. Als dat niet zo is, bestaat het risico dat het incidentenloket gesloten wordt en informatie niet meer wordt gedeeld. Het belang is daarom niet beperkt tot Nederland, maar het is in ieders belang dat het systeem van incidentenregistratie en uitwisseling van gegevens blijft functioneren en dat er zo nodig actie kan worden ondernomen door Nederland en de andere lidstaten. Gelet op deze door ANVS gegeven motivering is de rechtbank van oordeel dat ANVS in dit geval in redelijkheid het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van openbaarmaking van het document. ANVS heeft de openbaarmaking van het document daarom (in zijn geheel) mogen weigeren met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob.

13. ANVS is evenmin op grond van het wob-verzoek gehouden tot het verifiëren van de via de Russische website gelekte documenten en/of het vervaardigen van een nieuw document, en kan hiertoe op grond van het bepaalde in de Wob niet worden gehouden. De Wob biedt geen mogelijkheid tot het doen en inwilligen van een dergelijk verzoek. Tot het gedeeltelijk openbaar maken van het document, onder wegzwarting van de Russische en Turkse data, dan wel de data van landen die bezwaar hebben tegen openbaarmaking van de door hen verstrekte gegevens, kan ANVS dus niet worden gehouden. Zoals hiervoor is aangegeven, heeft ANVS openbaarmaking van het gehele document mogen weigeren. Daarnaast heeft ANVS ter zitting toegelicht dat het haar niet bekend is welk land wel en welk land geen bezwaar heeft tegen openbaarmaking van de meetgegevens, zodat het gedeeltelijk weigeren van de gevraagde informatie van de landen die daar bezwaar tegen hebben, voor ANVS niet mogelijk is. Zoals hiervoor onder 11. geoordeeld, kan van ANVS evenmin worden gevergd hier nader onderzoek naar te doen in het kader van dit wob-verzoek.

Slotsom

14. Het beroep is ongegrond.

15. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, voorzitter, mr. R. Hirzalla en mr. S.E. Reichert, leden, in aanwezigheid van mr. C.L. de Rijke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage: de relevante regelgeving

Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob luidt als volgt:

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties (…)

Artikel 10, achtste lid, van de Wob bepaalt:

Voorzover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

Artikel 19.1a, eerste lid, onder a, van de Wet Milieubeheer:

1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over:

a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen;

Artikel 3 van het Verdrag van Aarhus luidt, voor zover hier van belang:

2. Each Party shall endeavour to ensure that officials and authorities assist and provide guidance to the public in seeking access to information, in facilitating participation in decision-making and in seeking access to justice in environmental matters.

(…)

7. Each Party shall promote the application of the principles of this Convention in international environmental decision-making processes and within the framework of international organizations in matters relating to the environment. (…)

Artikel 4, eerste, tweede en vierde lid, van het Verdrag van Aarhus luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Each Party shall ensure that, subject to the following paragraphs of this article, public authorities, in response to a request for environmental information, make such information available to the public, within the framework of national legislation, including, where requested and subject to subparagraph b) below, copies of the actual documentation containing or comprising such information:

a. a) Without an interest having to be stated;

b) In the form requested unless:

( i) It is reasonable for the public authority to make it available in another form, in which case reasons shall be given for making it available in that form; or

(ii) The information is already publicly available in another form.

2. The environmental information referred to in paragraph 1 above shall be made available as soon as possible and at the latest within one month after the request has been submitted, unless the volume and the complexity of the information justify an extension of this period up to two months after the request. The applicant shall be informed of any extension and of the reasons justifying it. (…)

4. A request for environmental information may be refused if the disclosure would adversely affect: (…)

b) International relations, national defence or public security (…)

The aforementioned grounds for refusal shall be interpreted in a restrictive way, taking into account the public interest served by disclosure and taking into account whether the information requested relates to emissions into the environment.

Artikel 4, tweede lid, van de Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie luidt:

2. De lidstaten kunnen bepalen dat een verzoek om milieuinformatie kan worden geweigerd, indien openbaarmaking van de informatie afbreuk doet aan een van de volgende punten:

a. a) Het vertrouwelijke karakter van handelingen van overheidsinstanties, indien deze vertrouwelijkheid bij wet is voorzien;

b) internationale betrekkingen, openbare veiligheid of nationale defensie;

c) de rechtsgang, de mogelijkheid voor een persoon om een eerlijk proces te krijgen of de mogelijkheid voor een overheid om een onderzoek van strafrechtelijke of disciplinaire

aard in te stellen;

d) de vertrouwelijkheid van commerciële of industriële informatie, wanneer deze vertrouwelijkheid bij de nationale of de communautaire wetgeving geboden wordt om een gewettigd economisch belang te beschermen, met inbegrip van het algemeen belang dat met statistische en fiscale geheimhouding is gediend;

e) intellectuele-eigendomsrechten;

f) de vertrouwelijkheid van persoonsgegevens en/of –dossiers met betrekking tot een natuurlijk persoon wanneer die persoon niet heeft ingestemd met bekendmaking van de

informatie aan het publiek, wanneer in deze vertrouwelijkheid is voorzien naar nationaal of Gemeenschapsrecht;

g) de belangen of de bescherming van iedere persoon die de verzochte informatie op vrijwillige basis heeft verstrekt, zonder daartoe wettelijk verplicht te zijn of te kunnen worden, tenzij die persoon ermee heeft ingestemd dat de betrokken informatie wordt vrijgegeven;

h) de bescherming van het milieu waarop die informatie betrekking heeft, zoals de habitat van zeldzame soorten.

De in de leden 1 en 2 genoemde gronden voor weigering worden restrictief uitgelegd, met voor het specifieke geval inachtneming van het met bekendmaking gediende openbare

belang. In elk afzonderlijk geval dient het algemene belang dat is gediend met openbaarmaking te worden afgewogen tegen het specifieke belang dat is gediend met de weigering om openbaar te maken. De lidstaten kunnen het bepaalde in lid 2, onder a), d), f), g) en h), niet als grondslag aanzien om te bepalen dat een verzoek kan worden geweigerd indien het betrekking heeft op informatie over emissies in het milieu.

In dit verband en met het oog op de toepassing van punt f) zorgen de lidstaten ervoor dat Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende

de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (1) wordt nageleefd.

1 HvJ EU, 09-03-2011, nr. C-240/09.

2 Kamerstukken II 1986/87, 19 859, 3, p. 34.

3 Zie de uitspraak van 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4132.

4 Zie voetnoot 2