Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2850

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2019
Datum publicatie
18-04-2019
Zaaknummer
C/13/658623 HA RK 18/396 / C/13/660466 HA RK 19/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Twee verzoeken tot wraking. Een verzoek tot wraking gericht tegen de Wrakingskamer. Het verzoek is uitsluitend gebaseerd op de voor verzoeker niet welgevallige processuele beslissing om een behandelingsdatum van het wrakingsverzoek vast te stellen, nadat verzoeker heeft aangegeven in het gehele eerste kwartaal van 2019 niet naar Amsterdam te zullen komen voor het bijwonen van de zitting van de Wrakingskamer. Dit verzoek, dat “immediately appear to be manifestly devoid of merit" (ECLI:NL:HR:2018:1770), wordt buiten behandeling gesteld.

Daarnaast richt het verzoek zich tegen de behandelend rechter. Dit verzoek wordt afgewezen omdat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking en noch het verzoek tot het doen opgeven van de verhinderdata, noch de beslissing om niet voorafgaande aan de behandeling reeds prejudiciële vragen te stellen, een uiting bevat van de rechter die niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. In beide beslissingen toepassing van de anti-misbruik bepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op de bij brieven van 18 december 2018 en 14 januari 2019 gedane en onder rekestnummers C/13/658623 HA RK 18/396, respectievelijk C/13/660466 HA RK 19/13 ingeschreven verzoeken van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , Duitsland, verzoeker.

Het verzoek van 18 december 2018 strekt tot wraking van mr. A.M. van der Linden-Kaajan, in de hoedanigheid van bestuursrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna ook wel: de rechter.

Het verzoek van 14 januari 2019 strekt tot wraking van de rechter die de griffier heeft aangewezen om een oproep voor de behandeling van het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van mr. A.M. van der Linden-Kaajan aan verzoeker toe te zenden. Subsidiair richt dat tweede wrakingsverzoek zich tegen de leden van de wrakingskamer, die op de zitting voor de behandeling van het wrakingsverzoek van 18 december 2018 het wrakingsverzoek tegen mr. A.M. van der Linden-Kaajan staan ingedeeld.

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1.

Bij de rechtbank is onder zaaknummer AMS 17/2855 AOW een door verzoeker op 22 april 2017 ingediend beroepschrift aanhangig. Het betreft een procedure waarbij verzoeker beroep heeft ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van de Sociale Verzekeringsbank.

1.2.

De behandeling van het beroep stond eerder gepland voor de zitting van 3 januari 2018 en 28 februari 2018. Beide zittingen hebben geen doorgang gevonden.

1.3.

Bij brief van 24 juli 2018 is een nieuwe datum voor de behandeling van het beroep bepaald op 18 oktober 2018. Bij brief van 25 juli 2018 heeft verzoeker verdaging van die behandeling verzocht. Bij brief van 11 oktober 2018 heeft de griffier verzoeker medegedeeld dat de rechter die de zaak op zitting behandelt mr. A.M. van der Linden-Kaajan zal zijn en dat zijn verzoek om verdaging is toegewezen. Vervolgens is verzoeker bij brief van de griffier van 12 november 2018 verzocht om binnen één week zijn verhinderdata door te geven zodat een nieuwe zittingsdatum kan worden vastgesteld. Verzoeker heeft daarop bij brief van 19 november 2018 aangegeven dat hij verhinderd is van 1 januari 2019 tot en met 30 april 2019. Daaraan heeft verzoeker toegevoegd:

Aangezien [hij] niet de tijd had om op te zoeken wanneer hij in 2019 (voor zijn werk) termijnen heeft bij externe bedrijven, wanneer hij in 2019 (voor zijn werk) les moet geven en wanneer hij in 2019 naar de partner universiteit in China moet; is [verzoeker] tot dat hij de tijd heeft gekregen om dit op te zoeken, heel 2019 verhindert”.

1.4.

Bij beslissing van 4 januari 2019 is verzoeker niet ontvankelijk verklaard in zijn op 8 oktober 2018 ingediend verzoek tot wraking van bestuursrechter mr. C.J. Polak, omdat niet mr. Polak maar mr. A.M. van der Linden-Kaajan de behandelend rechter in eerder genoemde procedure bij de bestuursrechter is.

1.5.

Bij brief van 19 november 2018 heeft verzoeker mr. A.M. van der Linden-Kaajan gewraakt.

1.5.1.

Op 11 december 2018 is door de griffier van de Wrakingskamer aan verzoeker een brief verzonden met een verzoek om opgave van zijn verhinderdata teneinde een datum te bepalen waarop het wrakingsverzoekzal worden behandeld. Voorts is verzoeker gewezen op de mogelijkheid om in geval van verhindering zich ter zitting te laten vertegenwoordigen door een gevolmachtigd persoon, dan wel een schriftelijke reactie in te dienen op de eventuele reactie van de rechter op het wrakingsverzoek.

1.6.

Bij brief van 18 december 2018 heeft verzoeker medegedeeld dat hij verhinderd was van 19 december 2018 tot 31 januari 2019.

1.7.

Bij brief van 7 januari 2019 is verzoeker door de griffier van de Wrakingskamer opgeroepen voor de behandeling van zijn verzoek op 18 januari 2019.

1.8.

Bij brief van 14 januari 2019 heeft verzoeker (de voorzitter van) de Wrakingskamer gewraakt.

1.9.

De rechter heeft op 15 januari 2019 haar schriftelijke reactie gegeven op het wrakingsverzoek en te kennen gegeven niet ter zitting van 18 januari 2019 te zullen verschijnen.

1.10.

Het verzoek tot wraking van de rechter is behandeld ter zitting van 18 januari 2019. Hoewel verzoeker een verzoek tot wraking van de Wrakingskamer heeft ingediend, kon hij er in redelijkheid niet op vertrouwen dat de bij brief van 7 januari 2019 bepaalde zitting van 18 januari 2019 geen doorgang zou vinden. Desondanks is verzoeker niet verschenen, noch heeft hij zich ter zitting laten vertegenwoordigen bij een gevolmachtigde.

2
2. GRONDEN VAN DE BESLISSING


Het verzoek tot wraking van (de voorzitter van) de Wrakingskamer

2.1.

De oproep voor de behandeling (1.7) wordt geacht te zijn verzonden namens de Wrakingskamer. Er wordt dan ook van uitgegaan dat het wrakingsverzoek is gericht tegen de gehele Wrakingskamer.

2.2.

In artikel 8:15 de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt, op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.3.

Op zichzelf genomen mag een gewraakte rechter in het algemeen geen recht spreken in - kort gezegd - zijn eigen zaak en in verband daarmee behoort een verzoek tot wraking te worden behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft. Op grond van dat uitgangspunt schrijft art. 8:18, eerste lid Awb voor dat een verzoek om wraking wordt behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft.

2.4.

Een redelijke wetsuitleg brengt echter mee dat ingeval sprake is van een opeenstapeling van wrakingsverzoeken doordat eerst de zittingsrechter en vervolgens de Wrakingskamer wordt gewraakt, de Wrakingskamer, mede ter voorkoming van ongerechtvaardigd oponthoud, in geval van evident misbruik van recht, het verzoek tot wraking van een of meer van haar leden buiten behandeling kan laten zonder dat de zaak in handen van een andere Wrakingskamer wordt gesteld. Art. 8:18, eerste lid Awb, staat daaraan niet in de weg. Dat voorschrift is immers alleen van toepassing indien sprake is van een verzoek dat kan worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van art. 8:15 Awb. Die uitleg sluit ook aan bij rechtspraak van het EHRM, inhoudende dat de hoofdregel dat de behandeling van een wrakingsverzoek niet achterwege mag worden gelaten, alleen geldt bij een verzoek dat "does not immediately appear to be manifestly devoid of merit" (zie: HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770).

2.5.

Het verzoek berust op de grond dat door een datum voor de behandeling van het verzoek tot wraking vast te stellen in een periode dat verzoeker verhinderd is, de mensenrechten van verzoeker worden geschonden. Verzoeker heeft al in zijn brief van 18 december 2018 beschreven, dat volgens rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, mensenrechten van een partij worden geschonden als een rechtbank weigert zich op grond van artikel 267 VWEU tot het Hof te wenden, in een situatie waar de rechtbank dat zou moeten doen. In het door verzoeker ingestelde beroep heeft de rechtbank een datum voor een behandeling bepaald zonder zich tot het Hof te wenden. Leden van een rechtbank die bewust de mensenrechten van een partij schenden, zijn partijdig en dus te wraken, aldus verzoeker.

2.6.

Naast het wrakingsverzoek tegen mr. van der Linden-Kaajan is door verzoeker in dezelfde procedure ook al een wrakingsverzoek, gericht tegen mr. Polak, ingediend. De Wrakingskamer stelt vast dat het tegen de Wrakingskamer gerichte wrakingsverzoek het derde door verzoeker ingediende wrakingsverzoek is en dat dit verzoek uitsluitend wordt gebaseerd op de voor verzoeker niet welgevallige processuele beslissing om een behandelingsdatum van het wrakingsverzoek vast te stellen, nadat verzoeker heeft aangegeven in het gehele eerste kwartaal van 2019 niet naar Amsterdam te zullen komen voor het bijwonen van de zitting van de Wrakingskamer. Dit laatste wrakingsverzoek kan slechts als doel hebben om een verdaging van de vastgestelde behandeling van zijn wrakingsverzoek te bewerkstelligen. Het middel van wraking is daarvoor niet bedoeld. Met een dergelijk verzoek wordt van dit middel evident misbruik gemaakt. Om die reden zal de Wrakingskamer het tot haar gerichte verzoek tot wraking buiten behandeling stellen. Vanwege dit misbruik zal de Wrakingskamer tevens bepalen, dat volgende wrakingsverzoeken tegen de Wrakingskamer eveneens buiten behandeling zullen blijven.

2.7.

Voor een behandeling als bedoeld in artikel 8:18 lid 1 Awb bestaat geen aanleiding. Het in deze bepaling als vanzelfsprekend opgenomen recht op hoor en wederhoor is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Aan dat onderzoek komt de Wrakingskamer niet toe omdat het verzoek aanstonds niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.8.

Verzoeker is dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de Wrakingskamer.

3 Het verzoek tot wraking van de bestuursrechter

3.1.

Verzoeker heeft – zakelijk weergegeven – aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat een rechter die de deadlines voor de opgave van zijn verhinderdata zo bepaalt dat een partij geen tijd heeft om daarop tijdig te antwoorden, partijdig is. Voorts is een rechter partijdig die voorbij gaat aan bepaalde wetten en voorschriften - zoals artikel 94 van de Nederlandse Grondwet, de artikelen van Verordening (EG) 883/2004 en 987/2009 en artikel 267 VWEU - waardoor een partij schade ondervindt. In het onderhavige geval heeft de rechter door, in plaats van zich tot het Hof van Justitie te wenden, een zitting te bepalen de mensenrechten van verzoeker geschonden.

3.2.

Vooropgesteld wordt dat een rechter alleen kan gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

3.3.

Voorts wordt vooropgesteld dat een rechter een ruime mate van vrijheid heeft in het nemen van (procedurele) beslissingen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de Wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat motivering de van de beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de Wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.(zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).

3.4.

Noch het verzoek tot het doen opgeven van de verhinderdata, noch de beslissing om niet voorafgaande aan de behandeling reeds prejudiciële vragen te stellen bevat een uiting van de rechter die niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.

3.5.

Het voorgaande betekent dat het verzoek tot wraking als ongegrond wordt afgewezen.

4 Geen nieuwe wrakingsverzoeken

4.1.

Vanwege het hiervoor geconstateerde misbruik van de mogelijkheid een wrakingsverzoek in te dienen zal de Wrakingskamer tevens bepalen dat volgende wrakingsverzoeken tegen de behandelend rechter in de bij de bestuursrechter aanhangige procedure buiten behandeling zullen blijven.

5 BESLISSING

De wrakingskamer:

ter zake het verzoek tot wraking van de Wrakingskamer:

5.1.

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;

5.2.

bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de leden van de wrakingskamer belast met het door verzoeker ingediende verzoek tot wraking van de bestuursrechter niet meer in behandeling zal worden genomen;

ter zake het verzoek tot wraking van de rechter

5.3.

wijst het verzoek tot wraking af.

5.4.

bepaalt dat een volgende wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter in de bij de bestuursrechter aanhangige procedure niet meer in behandeling zal worden genomen;

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, G.H. Marcus en H.M. Patijn, leden, in aanwezigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.