Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:261

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
13/650256-17 + 13/261555-15 (TUL) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 42-jarige man krijgt een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur voor het bedreigen van zijn ex-vriendin en haar moeder en voor het plegen van 2 winkeldiefstallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650256-17 + 13/261555-15 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 17 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam huis van bewaring] ” te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 december 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie A.M. Ruijs en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.A. Th. Lemmers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. verkrachting van (zijn ex-vriendin) [naam ex-vriendin] op 26 mei 2017 in haar woning te [woonplaats] ;

  2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling van [naam ex-vriendin] en haar moeder [naam moeder] , ook op 26 mei 2017;

  3. diefstal van diverse verpakkingen vlees en vis op 31 augustus 2017 bij een Jumbo te Groningen;

  4. diefstal van tubes tandpasta op 14 november 2017 bij een Albert Heijn te Groningen.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de onder 1 ten laste gelegde verkrachting van [naam ex-vriendin] door verdachte bewezen. Zij ziet ondersteuning voor de aangifte en de betrouwbaarheid daarvan in het volgende.

Aangeefster is niet verschenen op een voor haar belangrijke afspraak die zij die ochtend had en heeft deze ook niet afgezegd. Daarbij had zij een kras in haar nek en lagen er druiven verspreid door de slaapkamer. Deze omstandigheden steunen de verklaring van aangeefster op essentiële punten. Zij heeft namelijk verklaard dat verdachte haar hals heeft dichtgeknepen en druiven naar haar heeft gegooid. Voorts vindt de officier van justitie van belang dat verdachte eerst heeft verklaard dat zij geen seks hebben gehad en na overleg met zijn advocaat heeft verklaard dat zij vrijwillige seks met elkaar hebben gehad. De verklaring dat hij dat eerst ontkende, omdat hij zich schaamde, acht de officier van justitie niet geloofwaardig. Dat er diverse meldingen van huiselijk geweld door verdachte bij de politie bekend zijn en na het incident met 112 is gebeld, acht de officier van justitie tevens ondersteunend aan de aangifte.

De officier van justitie vindt de onder 2 ten laste gelegde bedreiging bewezen op grond van de verklaringen van aangeefsters [naam ex-vriendin] en [naam moeder] en de verklaring van getuige Veldman die de ruzie heeft meegekregen.

De officier van justitie heeft tot slot gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 3 en 4 ten laste gelegde diefstallen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde verkrachting, omdat zij de aangifte niet betrouwbaar vindt en er objectief steunbewijs voor de aangifte ontbreekt. Aangeefster heeft verklaard dat er sperma bij de bank in de woonkamer op de grond terecht is gekomen. Met de huidige forensische opsporingsmethoden is sperma eenvoudig aan te tonen, maar er is geen sperma aangetroffen op de plek waar de vermeende verkrachting zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast heeft aangeefster gedetailleerd beschreven welk geweld door verdachte op haar is toegepast, maar had aangeefster, op een krasje in haar nek na, geen letsel. Ook op de camerabeelden van na de vermeende verkrachting is niets verontrustends te zien. Aangeefster maakt op deze beelden een normale indruk. Tot slot heeft de raadsvrouw de rechtbank gewezen op tegenstrijdigheden in de verklaringen van aangeefster.

De raadsvrouw heeft ook vrijspraak bepleit van de onder 2 ten laste gelegde bedreigingen. Zoals hierboven uiteengezet acht zij de verklaring van aangeefster [naam ex-vriendin] onbetrouwbaar. Daarbij kan de verklaring van haar moeder, [naam moeder] , niet als afkomstig van een objectieve getuige worden aangemerkt, nu is gebleken dat zij een hekel aan verdachte heeft.

Ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde diefstallen heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

In verkrachtingszaken doet zich vaak de situatie voor dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de gewraakte seksuele handelingen: de aangeefster en de vermeende dader. Ook in deze zaak is dat het geval. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van een getuige (in dit geval de aangeefster) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gestelde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daar staat echter tegenover dat - op grond van inmiddels vaste rechtspraak - in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van de aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren. Getuigen die verklaren over de toestand van de aangeefster na de gewraakte seksuele handelingen kunnen dan van betekenis zijn. In ieder geval geldt dat de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering is voldaan zich niet in algemene zin laat beantwoorden maar een beoordeling vergt van het concrete geval (Hoge Raad 19 mei 2015 ECLI:NL:HR:2015:1247).

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende af, zakelijk weergeven:

Verdachte en aangeefster hebben gedurende 17 jaar een relatie gehad en hebben samen drie kinderen. De relatie is, ook ten tijde van het tenlastegelegde, al enige tijd verbroken.

Verdachte en aangeefster hebben op 26 mei 2017 seks met elkaar gehad waarbij sprake was van penetratie. Voor het overige verschillen de verklaringen van aangeefster en verdachte op veel punten.

Aangeefster verklaart dat verdachte, op het moment dat zij haar woning wil verlaten om naar een afspraak te gaan (de rechtbank begrijpt: op de galerij) naar haar woning toe loopt, haar naar binnen duwt en de deur achter haar dicht en op slot doet. Verdachte heeft haar de slaapkamer in geduwd en daar heeft zij haar spullen op een kastje gezet. Verdachte heeft haar daar allemaal vragen gesteld. Op enig moment hebben zij gevochten en verdachte heeft haar op het bed bij haar keel gegrepen en is bovenop haar gaan zitten. Op een gegeven moment moest zij mee naar de woonkamer. Daar ging het stellen van vragen aan haar door. Verdachte heeft haar ook gezegd dat hij nog één keer seks wilde, maar zij wilde dat niet. Aangeefster verklaart dat, voorafgegaan door een soort gevecht, de tenlastegelegde seksuele handelingen tegen haar wil zijn gebeurd en plaatshadden in haar woonkamer. Bij de bank zou een spoor van sperma zijn. Aangeefster en verdachte hebben samen de woning verlaten en in de omgeving gelopen, totdat zij haar moeder met hun kinderen uit de bus zag komen.

Verdachte verklaart dat hij met aangeefster had afgesproken dat hij in de ochtend zijn post zou ophalen. Zij deed de deur open en liet hem binnen. Zij hebben op het bed in de slaapkamer gezeten en hebben daar over het verleden en hun kinderen gesproken. Dat werd emotioneel, zij zijn gaan knuffelen en van het een kwam het ander. Er was volgens verdachte sprake van vrijwilligheid, de seksuele handelingen hebben in de slaapkamer plaatsgevonden. Nadien hebben zij buiten gewandeld, in de buurt van de bus waar de kinderen zouden aankomen.

De verklaringen van aangeefster, haar moeder en verdachte lopen enigszins uiteen wat betreft de ontmoeting op straat. De rechtbank kan op basis van de verschillende verklaringen niet vaststellen wat zich precies heeft afgespeeld. Wel is duidelijk op basis van de verklaringen dat er een zeer stevige ruzie ontstaat en dat aangeefster van meet af aan emotioneel is op het moment van die ontmoeting met haar moeder. Het is vervolgens de moeder die 112 belt en vertelt dat haar dochter is verkracht door verdachte.

Haar emotionele toestand kan een aanwijzing zijn dat de lezing van aangeefster de juiste is. De rechtbank loopt er echter tegen aan dat het geconstateerde letsel, een kras in haar hals, minder past bij het geweld waarover zij heeft verklaard. Een spermaspoor, waarover zij heeft verklaard, is niet aangetroffen. Verder is uit het dossier gebleken dat, na een groot aantal berichten vanaf de telefoon van verdachte naar die van aangeefster, er om 06:59:09 een uitgaand gesprek van de telefoon van aangeefster naar de telefoon van verdachte is van vier en een halve minuut. Zeer kort daarna, om 07:06:28, is er een inkomend bericht van de telefoon van verdachte met de tekst ‘laat maar ik kijk wel hoe ik kom’. Dit gesprek (waarover door aangeefster in het geheel niet is verklaard) en het hiervoor aangehaalde tekstbericht kunnen passen bij de verklaring van verdachte dat hij met aangeefster had afgesproken. De omstandigheid dat aangeefster zonder enig bericht niet naar een voor haar belangrijke afspraak is geweest, wijst weer in de richting van de juistheid van haar verklaring op dit punt.

Alles afwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat er ruimte is voor twijfel. Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de lezing van aangeefster voor juist moet worden gehouden, dient aan verdachte het voordeel van de twijfel toe te komen.

Dat brengt met zich mee dat verdachte van het onder feit 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

3.3.2

Oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

Zowel aangeefsters [naam ex-vriendin] als [naam moeder] hebben aangifte gedaan van bedreiging door verdachte. [naam ex-vriendin] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij hen zou vermoorden en dat niemand tussen hem en zijn kinderen in zou komen. [naam moeder] heeft verklaard dat verdachte schreeuwde: ‘ik vermoord jullie allemaal. Ik vermoord de kinderen. Ik vernietig jullie. Ik maak jullie kapot’.

Deze verklaringen worden ondersteund door getuige [naam getuige] , die heeft verklaard op vrijdag 26 mei 2017 een ruzie en geschreeuw te hebben waargenomen tussen [naam ex-vriendin] en haar man. De moeder van [naam ex-vriendin] en haar kinderen waren ook bij de ruzie aanwezig. De rechtbank acht daarom de onder 2 ten laste gelegde bedreiging van [naam ex-vriendin] en [naam moeder] bewezen.

3.3.3

Oordeel over het onder 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht, met de officier van justitie, de onder 3 ten laste gelegde diefstal van diverse verpakkingen vlees en vis toebehorende aan supermarkt Jumbo bewezen op grond van het aangifteformulier winkeldiefstal en de in het proces-verbaal van bevindingen omschreven camerabeelden.

De rechtbank acht, met de officier van justitie, de onder 4 ten laste gelegde diefstal van acht tubes tandpasta van toebehorende aan supermarkt Albert Heijn bewezen op grond van het landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, het proces-verbaal aanhouding en de bekennende verklaring van verdachte.

De raadsvrouw heeft ten aanzien de onder 3 en 4 ten laste gelegde diefstallen geen verweer gevoerd. De rechtbank volstaat hier dan ook met een verwijzing naar de bewijsmiddelen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

op 26 mei 2017 te Amsterdam, [naam ex-vriendin] en/of [naam moeder] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [naam ex-vriendin] en/of [naam moeder] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jullie vermoorden" en/of "Ik doe jou ( [naam ex-vriendin] ), de kinderen en je hele familie wat aan" en/of "Ik vermoord jullie allemaal. Ik vermoord haar ( [naam ex-vriendin] ) met die kinderen. Ik vernietig jullie. Ik maak jullie kapot" en/of (wijzend in de richting van voornoemde [naam moeder] ) "Ik vermoord je";

3.

op 31 augustus 2017 te Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen verpakkingen vlees en vis (totale waarde: 42,70 euro), toebehorende aan supermarkt Jumbo (vestiging: [adres vestiging] );

4.

op 14 november 2017 te Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen acht tubes tandpasta (totale waarde ongeveer: 32,12 euro), toebehorende aan

Albert Heijn (vestiging: [adres vestiging] ).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel wil de officier van justitie dezelfde bijzondere voorwaarden aan verdachte opleggen als de bijzondere voorwaarden van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis, waaronder een behandeling bij een forensische polikliniek en een contactverbod met [naam ex-vriendin] , dat zo dient te worden ingericht dat verdachte wel contact met zijn kinderen kan blijven onderhouden.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft [naam ex-vriendin] , de moeder van zijn kinderen, en [naam moeder] , de oma van zijn kinderen bedreigd door onder meer tegen hen te schreeuwen: ‘ik ga jullie vermoorden’, ‘ik doe jou, de kinderen en je hele familie wat aan’ en ‘ik vernietig jullie. Ik maak jullie kapot’. Dit gebeurde in aanwezigheid van de drie dochters van verdachte en aangeefster [naam ex-vriendin] , die op dat moment 3, 10 en 11 jaren oud waren. De kinderen waren volgens [naam ex-vriendin] naar aanleiding van deze gebeurtenis erg geschrokken. [naam ex-vriendin] heeft in haar schriftelijke slachtofferverklaring aangegeven wat het feit voor haar en haar kinderen teweeg heeft gebracht. Zij wil haar kinderen beschermen, maar hen tegelijkertijd niet het contact met hun vader onthouden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door zo te handelen niet alleen angst bij [naam ex-vriendin] en [naam moeder] heeft veroorzaakt, maar ook bij zijn kinderen. Het gedrag van verdachte werkt ontwrichtend voor het gehele gezin. Naast de bedreiging heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Dat zijn hinderlijke feiten die veel schade en overlast bezorgen bij de betrokken winkeliers.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting, waar het zwaartepunt lag in de strafeis,

zal de rechtbank bij de straftoemeting flink afwijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen feiten geen soortgelijke feiten heeft gepleegd. Verdachte zal daarom in de straftoemeting worden beschouwd als ‘first offender’. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de oriëntatiepunten zoals deze zijn neergelegd in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. In deze oriëntatiepunten wordt voor verbale bedreigingen en winkeldiefstallen door een ‘first offender’, uitgegaan van geldboetes.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte en [naam ex-vriendin] nog contact zullen blijven hebben over de kinderen, hetgeen naar verwachting op momenten spanningen met zich zal brengen, dient de op te leggen straf mede ertoe om verdachte eraan te herinneren om zich in de toekomst beter te beheersen als zich spanningen voordoen. De rechtbank acht daarom een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren passend en geboden.

8 Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling toe te wijzen. De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van deze vordering.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van een geldboete van € 300,- te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2

Bedreiging, met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 3 en 4

Diefstal, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 (veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Deze straf zal niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beslissing vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling:

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis van 29 november 2016 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een geldboete van € 300,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 6 dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 januari 2019.