Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:254

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
13/689050-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak; medeplegen van verkrachting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/689050-17

Datum uitspraak: 31 december 2018

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] .

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 december 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C. Polat, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de ouders en de broer van verdachte naar voren is gebracht.

Namens de benadeelde partij [naam 1] heeft raadsvrouw mr. S. Bijl het woord gevoerd.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

primair: het medeplegen van verkrachting van [naam 1]

subsidiair: het medeplegen van ontuchtige handelingen, waaronder seksueel binnendringen, met [naam 1]

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van verdachte.

Allereerst heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor vervolging van verdachte. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 september 2016, met parketnummer 16/659505-14, gepubliceerd in het Advocatenblad.

Daarnaast heeft de raadsman een beroep gedaan op de zaak van de medeverdachte [naam medeverdachte] . De officier van justitie is in die zaak niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de medeverdachte [naam medeverdachte] . Deze was door de politie ten onrechte niet als verdachte gehoord, maar als getuige. Daarnaast was er sprake van het verhullen van de waarheid, doordat grote delen van het verhoor niet in het proces-verbaal stonden vermeld. De raadsman stelde dat de verklaringen in het dossier waarheidsgetrouw dienen te zijn en de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte] zit ook in het dossier van verdachte. Het gaat om het geheel van de zaak, het optreden van de politie en het vertrouwen in het strafproces. De raadsman heeft daarbij verwezen naar het arrest van het EHRM van

4 september 2018 inzake Güner/Turkije, met nummer 28338/07, in welke zaak een minderjarige medeverdachte was gehoord zonder bijstand van een advocaat.

De officier van justitie heeft erkend dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Dit dient echter niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid, maar het kan in de strafmaat worden meegenomen. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad waarin is overwogen dat ook bij een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en ook in jeugdzaken strafvermindering de aangewezen sanctie is.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de Schutznorm aangegeven dat er in de zaak van de medeverdachte [naam medeverdachte] sprake was van andere omstandigheden dan in de zaak van verdachte.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank constateert met de officier van justitie en de verdediging dat er sprake is van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn voor vervolging van verdachte. In het verleden heeft deze rechtbank in diverse zaken om die reden -mede in het licht van het pedagogisch karakter van het jeugdstrafrecht- de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft echter op 8 september 2015 nogmaals geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn – ook wanneer deze aanzienlijk is en ook in jeugdzaken – niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en dat vermindering van de op te leggen straf telkens de aangewezen sanctie is. De rechtbank sluit zich daarbij aan en zal de officier van justitie om die reden niet niet-ontvankelijk verklaren, maar bij een eventuele strafmaat rekening houden met deze overschrijding.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de verweren het volgende. Er is gebleken dat het verhoor van de medeverdachte [naam medeverdachte] , dat ook onderdeel uitmaakt van het dossier van verdachte, onjuist geverbaliseerd is. Dat levert een vormverzuim op. Verdachte heeft daar echter geen nadeel van ondervonden. Evenmin zijn de belangen van verdachte geraakt doordat medeverdachte [naam medeverdachte] ten onrechte als getuige en niet als verdachte is gehoord. De rechtbank zal bovendien – zoals zal blijken uit de verdere inhoud van dit vonnis – van deze verklaring geen gebruik maken. Verdachte wordt derhalve niet getroffen in de belangen die de geschonden normen beogen te beschermen, zodat dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de verweren van de raadsman. De rechtbank acht de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Ook zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit, omdat niet voldaan wordt aan het bewijsminimum en omdat verdachte niet op de plaats delict kan worden geplaatst. Subsidiair wordt eveneens vrijspraak gevraagd, omdat aan de hand van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk is gepijpt door de aangeefster. Meer subsidiair wordt vrijspraak bepleit, omdat er met betrekking tot de dwangcomponent niet van medeplegen kan worden gesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De aangeefster heeft verklaard dat zij de medeverdachte [naam medeverdachte 2] eind mei 2015 vrijwillig gepijpt heeft. Hij had daar toen een filmpje van gemaakt. [naam medeverdachte 2] kent zij van school. Het is een Turkse jongen met een matje. [naam medeverdachte 2] telefoonnummer is [telefoonnummer] . Via dit nummer heeft [naam medeverdachte 2] grote druk op haar uitgeoefend en haar gedwongen om seks te hebben met hem en twee anderen. Als zij niet zou komen en meewerken, dan zou het filmpje online worden gezet. Op zaterdagmiddag 6 juni 2015 is zij naar de geluidswal aan de A10 gegaan nadat [naam medeverdachte 2] haar daartoe via WhatsApp had aangezet. Zij heeft daar tegen haar zin de twee andere jongens (waaronder verdachte) met condoom gepijpt. [naam medeverdachte 2] zei dat hij als laatste zou gaan, [naam verdachte] eerst en de andere jongen als tweede. Ze hoorde [naam medeverdachte 2] roepen: schiet op. Toen heeft ze [naam verdachte] gepijpt. Toen gooide [naam verdachte] het condoom weg. Toen kwam [naam medeverdachte 2] , die moest lachen en zei tegen de derde jongen dat die derde jongen aan de beurt was. Die derde jongen zei dat aangeefster haar broek uit moest doen. De jongen zei tegen [naam medeverdachte 2] dat zij moeilijk deed. Aangeefster moest toen van [naam medeverdachte 2] haar broek uitdoen. Hij zei “je weet het.” Zij heeft toen haar rechterbeen uit haar broek gehaald, de andere pijp was op haar enkel. Haar onderbroek moest van die derde jongen ook uit. Toen moest ze die derde jongen pijpen. De derde jongen zei dat ze op haar knieën moest. Deze jongen had ook een condoom om, hij had die gekregen van [naam verdachte] . [naam medeverdachte 2] had ook een condoom gekregen van [naam verdachte] . [naam medeverdachte 2] schreeuwde opeens ‘politie’ en toen renden de drie jongens weg.

De politie die op 6 juni 2015 rond 13:00 uur ter plaatse is, ziet een aantal personen achter de vangrails op de A10 Noord. Nadat zij over de vangrails stappen en door de nooddeur gaan zien zij drie jongens wegrennen. Zij zien aangeefster achter zich tegen de geluidsmuur staan. Zij probeert snel haar joggingbroek aan te trekken maar dat lukt niet, omdat haar slipje niet goed zat. Op de grond ziet de politie drie condooms en verpakkingen.

Uit de WhatsApp gesprekken tussen de aangeefster en de gebruiker van het nummer

[telefoonnummer] volgt dat de aangeefster zich 6 juni 2015 om 12 uur moet melden bij een viaduct. De gebruiker van het nummer komt met [naam verdachte] en een andere jongen. Zij zullen seks hebben met de aangeefster. Als zij niet zou komen dan dreigt hij het filmpje te versturen naar iedereen in de school-appgroep of hij zal het op Facebook zetten. Als zij niet direct reageert zou hij het filmpje gelijk op Facebook zetten. Ze moet ook een joggingbroek aantrekken omdat die gemakkelijk naar beneden te doen is. De simkaarthouder met het telefoonnummer * [telefoonnummer] wordt aangetroffen op de slaapkamer van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] .

Uit de WhatsApp en Facebook Messenger gesprekken tussen de aangeefster en [naam verdachte] enkele uren na het incident blijkt dat [naam verdachte] zijn excuses maakt voor het achterlaten van de aangeefster. Ook vraagt [naam verdachte] of de aangeefster heeft 'gesnitcht'. Daarnaast vraagt [naam verdachte] aan de aangeefster of zij wel wilde neuken vandaag. [naam verdachte] meldt dat die andere Turk de video’s heeft verwijderd. Naar aanleiding van een gesprek over naar de dokter moeten voor een morning-afterpil zegt [naam verdachte] dat hij het niet weet, dat hij het niet was, misschien [naam medeverdachte 2] , [naam verdachte] heeft zijn condoom goed gecheckt.

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte voldoende wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen, zodat aan het bewijsminimum als bedoeld in het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering wordt voldaan. Uit de verklaring van de aangeefster, in combinatie met de bevindingen van de politie ter plaatse en de WhatsApp- en Facebook Messenger gesprekken, blijkt dat verdachte de persoon met de naam [naam verdachte] is en dat hij te linken is aan de plaats delict. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat hij het slachtoffer kent. Tevens staat vast dat de in de tenlastelegging genoemde dwang is toegepast, namelijk door het door [naam medeverdachte 2] dreigen met het openbaar maken van een filmpje. Verdachte wist van dit filmpje, want dit is door [naam medeverdachte 2] verklaard en in de gesprekken met de aangeefster spreekt verdachte over het wissen van het filmpje. Bovendien moest de aangeefster seksuele handelingen verrichten bij drie jongens, waardoor er sprake was van getalsmatig overwicht.

Medeplegen

Het handelen van verdachte dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als medeplegen. De aangeefster heeft verdachte daadwerkelijk gepijpt, hij is als eerste zijn gang gegaan, hij heeft de condooms uitgedeeld, hij is weggerend toen de politie kwam en hij heeft meteen na het incident bij de aangeefster geïnformeerd of zij had “gesnitcht”. De bewezenverklaarde bijdrage van verdachte aan het delict is derhalve van dermate gewicht dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de daders.

Gelet op al het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan verkrachting.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair:

in de periode van 4 juni 2015 tot en met 6 juni 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, door bedreiging met een feitelijkheid [naam 1] (toen 15 jaar oud) heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bestaande deze bedreiging met een feitelijkheid uit het

- ( in de periode van 4 juni 2015 tot en met 5 juni 2015) sturen van WhatsApp berichten aan voornoemde [naam 1] met de woorden: "Als je mij en [naam verdachte] geen hoofd geeft komt dat filmpje waarin je mij hoofd geeft op Facebook" en dat voornoemde [naam 1] op 6 juni om 12.00 uur bij de brug moest komen en dat er nog een jongen mee zou komen en als voornoemde [naam 1] niet zou komen en alle drie niet zou pijpen het filmpje op internet en facebook zou komen en

- ( op of omstreeks 6 juni 2015) (bij voornoemde brug en/of plek (geluidswal) welke niet zichtbaar was voor omstanders) tegen [naam 1] zeggen: "Schiet op" en "Doe je broek uit" en "Ga op je knieën"

en bestaande het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [naam 1] uit het stoppen en houden van de penis van hem, verdachte en zijn mededader in de mond van voornoemde [naam 1]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie. Bij deze strafeis is door de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel dient te worden toegewezen, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij eventuele strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Aan verdachte dient een geheel voorwaardelijke straf te worden opgelegd of artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht dient te worden toegepast.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders.

Als uitgangspunt voor strafoplegging voor een verkrachting geldt als oriëntatiepunt dat – bij een first offender – een onvoorwaardelijke jeugddetentie kan worden opgelegd vanaf zes maanden.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Hij heeft samen met anderen de aangeefster verkracht. Zij had eerder een medeverdachte vrijwillig gepijpt en hij heeft dat toen gefilmd. Vervolgens heeft hij door te dreigen dit filmpje online te zetten de aangeefster gedwongen opnieuw seks met hem en twee andere jongens te hebben. Zij heeft op de afgesproken plek, achter een geluidswal van de A10, verdachte en een medeverdachte gepijpt. Verdachte heeft zijn lustgevoelens gesteld boven het belang van de aangeefster en hij heeft zich daarbij volstrekt niet bekommerd om haar gevoelens. Verdachte en de medeverdachten hebben op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort feiten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden. Uit de vordering benadeelde partij en ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt ook welke gevolgen de feiten voor de aangeefster hebben gehad. Zij schaamde zich enorm en zij heeft de ervaringen diep weggestopt. Zij heeft tics ontwikkeld om zich van het vieze gevoel dat zij had te ontdoen. Zij is uiteindelijk in verband met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) onder behandeling geweest van een psychotherapeut. Het forse tijdsverloop in deze zaak is ook voor de aangeefster zwaar, nu haar nare herinneringen steeds naar boven zijn gehaald.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
22 november 2018 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de Raad van 9 juni 2017.

Ter zitting heeft de Raad het advies uit het rapport bevestigd, namelijk dat aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd. Volgens de Raad zijn er weinig tot geen zorgen omtrent verdachte. Dit staat haaks op de ernstige verdenking. Verdachte heeft ook met de hulpverlening niet willen spreken over het feit waarvan hij wordt verdacht.

De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging. De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie. In deze zaak is echter sprake van een enorm tijdsverloop dat op geen enkele wijze aan de verdediging is toe te schrijven. Verdachte is op 9 februari 2016 als verdachte gehoord en wordt heden bij vonnis berecht. De redelijke termijn in jeugdzaken – van 16 maanden – is daarmee met 18 maanden overschreden. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat de zaak bij de zedenpolitie lang ‘op de plank is blijven liggen’. Deze gang van zaken is onacceptabel en staat haaks op het uitgangspunt om in jeugdzaken snel op te treden teneinde een pedagogisch doel te bereiken. Verdachte heeft inmiddels een baan en is nadien ook niet meer met politie in aanraking gekomen. De rechtbank komt dan ook tot een forse strafvermindering. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande niet langer opportuun om een straf in de vorm van vrijheidsbenemening op te leggen. De rechtbank gaat om die reden voorbij aan artikel 77ma van het Wetboek van Strafrecht. Aan verdachte zal een onvoorwaardelijke werkstraf worden opgelegd van 60 uren bij niet verrichten te vervangen door 30 dagen jeugddetentie.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 173,92 aan materiële schadevergoeding en € 4.500,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval is sprake van meer dan een enkel psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. De benadeelde partij heeft voldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat door het strafbare feit een psychische beschadiging is ontstaan. Daarnaast is er een ernstige inbreuk gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid in deze zaak op € 2.000,--.

Met toewijzing van tevens de materiële schade, zal de vordering dan ook -- voor een totaalbedrag van € 2.173,92 worden toegewezen, hoofdelijk en te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering zal voor het meerdere niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.173,92, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van verkrachting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren.

Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Wijst de vordering van [naam 1] toe tot € 2.173,92 (tweeduizend honderd drieënzeventig euro en tweeënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] , aan de Staat te betalen € 2.173,92 (tweeduizend honderd drieënzeventig euro en tweeënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M. Devis, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en M.C.J. Rozijn, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Wilbers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 december 2018.

[..]