Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:247

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
13/650711-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 24-jarige man is door de rechtbank veroordeeld voor het verkopen van vals opgemaakte huurcontracten. De contracten werden via internet verkocht voor een bedrag van ongeveer € 100,- per maand. Met de valse contracten schreven de kopers zichzelf onrechtmatig in bij de Gemeente, waardoor zij ten onrechte aanspraak maakten op toeslagen en uitkeringen. Verdachte was zich daarvan bewust en heeft zodoende de maatschappij benadeeld. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650711-17

Datum uitspraak: 17 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te ’ [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in het Justitieel Complex [naam JC] te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. G. Dankers, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.R.F. van Raab van Canstein, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – primair ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) valselijk opmaken of vervalsen van onder andere een tiental huurcontracten, met het oogmerk om die contracten te gebruiken of te laten gebruiken als waren zij echt en onvervalst, dan wel subsidiair dat hij opzettelijk deze huurcontracten heeft gebruikt, afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze contracten bestemd waren om te worden gebruikt als waren zij echt en onvervalst.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard, nu onder het primair en subsidiair ten laste gelegde de zinsnede ‘onder andere’ is opgenomen. Door die toevoeging is onduidelijk op welke geschriften gedoeld wordt, waardoor het voor de verdediging niet mogelijk is zich daartegen te verweren.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient de dagvaarding onder meer een opgave van het ten laste gelegde feit te behelzen, alsook de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Een van de functies van deze bepaling is te verzekeren dat het voor een verdachte duidelijk is waartegen hij zich moet verweren. In het dossier zijn de huurcontracten van de in de dagvaarding genoemde adressen opgenomen. Daarnaast is een huurcontract met een niet in de dagvaarding genoemd adres op naam van [naam 1] opgenomen. Naar de valsheid van dit contract en de betrokkenheid van verdachte is eveneens onderzoek gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat met de zinsnede ‘onder andere’ het huurcontract op naam van [naam 1] werd bedoeld.

De dagvaarding is – ook overigens – geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte zowel voor het primair als het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Er kan niet worden vastgesteld wie de huurcontracten heeft opgemaakt. Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte wist dat de huurcontracten vals waren. Ten slotte is niet komen vast te staan dat verdachte de huurcontracten voorhanden heeft gehad.

Verdachte heeft verklaard dat hij verantwoordelijk was voor het binnenhalen van klanten. Daarnaast onderhield hij telefonisch en via e-mail contact met hen. Anderen hadden echter ook toegang tot zijn e-mail. Hij heeft geen contracten opgemaakt of ondertekend. Het was hem niet bekend dat de huurcontracten vals waren.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 24 augustus 2017 wordt namens de Gemeente Amsterdam (hierna: de Gemeente) aangifte gedaan van fraude door middel van valsheid in geschrifte. Er is geconstateerd dat personen zich inschrijven in de Basisregistratie Personen door valse huurcontracten te overleggen. Dit komt aan het licht door klachten van bewoners, die last kregen van personen die zich onrechtmatig inschreven op hun adres. Uit onderzoek van de Gemeente blijkt dat de contracten zijn uitgegeven door de websites [website 1] (hierna: [website 1] ) en [website 2] (hierna: [website 2] ). Op deze websites worden valse huurcontracten aangeboden tegen betaling. Hierbij wordt vermeld dat de post voor de desbetreffende persoon zal worden doorgestuurd naar een opgegeven adres. Bij de aangifte worden afschriften van dossiers over de volgende adressen overgelegd:

  • -

    [adres 1] ;

  • -

    [adres 2] ;

  • -

    [adres 3] ;

  • -

    [adres 4] ;

  • -

    [adres 5] ;

  • -

    [adres 6] ;

  • -

    [adres 7] ;

  • -

    [adres 8] ;

  • -

    [adres 9] ;

  • -

    [adres 11] .

Het valt de Gemeente op dat de opmaak van alle huurcontracten gelijk is. Daarnaast komen de huurlasten op de contracten overeen, onafhankelijk van de grootte en de ligging van de woning. De huur is veelal steeds € 1.134,98. Verder wordt eenzelfde rekeningnummer genoemd, namelijk [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] of [rekeningnummer 3] , en zijn de meeste contracten voorzien van dezelfde handtekeningen. De Gemeente merkt op dat de naam [verdachte] veelvuldig in hun onderzoek voorkomt, bijvoorbeeld als ondernemer achter de website [website 1] . Bij deze website wordt het telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld.2 Dit telefoonnummer wordt eveneens vermeld in sommige van de huurcontracten als telefoonnummer van de verhuurder.3 Uit een mutatie van de politie blijkt dat dit telefoonnummer in mei 2017 is gebruikt door verdachte.4

In het dossier zijn de inschrijvingen bij de Gemeente, inclusief de bijbehorende huurcontracten, gevoegd.5 Verder is een huurovereenkomst opgenomen voor het adres [adres 10] . In de overeenkomst, die op naam staat van [naam 1] , wordt een maandelijkse betalingsverplichting van € 1.134,98 genoemd, te voldoen op het rekeningnummer [rekeningnummer 4] .6 In het dossier van [naam 1] is een e-mail opgenomen van de [website 1] , ondertekend door [verdachte] . In de e-mail wordt [naam 1] zijn nieuwe huurovereenkomst toegestuurd. De afzender geeft aan dat hij er bewust wat langer over heeft gedaan om argwaan te voorkomen.7

Enkele van de personen die zich ingeschreven hebben bij de Gemeente met voornoemde huurcontracten zijn bij de politie verhoord. [naam 2] verklaart zich te hebben ingeschreven op de [adres 2] via de website [website 1] , omdat zij een postadres nodig had. Zij heeft contact met een persoon die zich [verdachte] noemt. Hij helpt haar met het inschrijven bij de Gemeente en ontvangt van haar een maandelijks bedrag van € 100,00. Zij maakt dat over op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] . Zij wordt vervolgens door de Gemeente gebeld dat haar inschrijving niet klopt.8 [naam 3] wordt verhoord over haar inschrijving op de [adres 5] . Zij verklaart een contract te hebben gekocht via [website 1] en € 300,00 te hebben betaald. Dit bedrag heeft ze overgemaakt op het bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] . Na verloop van tijd verneemt zij van de Gemeente dat er een onderzoek gestart is.9 [naam 4] verklaart een contract bij [website 1] te hebben gekocht voor het adres [adres 7] . Via de website kon ze zich online laten inschrijven in Amsterdam. In een e-mail van verdachte aan [naam 4] stelt hij dat hij de huurovereenkomst zal opmaken en hij deze naar haar zal e-mailen.10 [naam 4] betaalt € 300,00 borg en vervolgens een bedrag van € 100,00 per maand. Dit maakt zij over op het rekeningnummer [rekeningnummer 3] . Zij heeft contact met een persoon genaamd [verdachte] . Op het moment dat [naam 4] ontdekt dat er iets mis is, confronteert ze [verdachte] , die haar vervolgens vertelt dat ze geen aangifte moet doen.11 [naam 5] wordt verhoord over haar inschrijving op de [adres 11] . Zij verklaart zich daar online te hebben ingeschreven via de website [website 1] . Via de woningcorporatie Eigen Haard krijgt zij te horen dat de overeenkomst die zij heeft gekocht, vals is. Zij geeft vervolgens alle gegevens door van de man van [website 1] , genaamd [verdachte] . [naam 5] verklaart in totaal € 600,00 naar het bankrekeningnummer [rekeningnummer 3] te hebben overgemaakt.12 Ten slotte wordt [naam 6] verhoord. Zij verklaart zich te hebben ingeschreven op het adres [adres 10] en het huurcontract via de website [website 1] te hebben gekocht. Zij voldoet een aanbetaling van € 200,00 en betaalt vervolgens € 100,00 per maand op het rekeningnummer [rekeningnummer 3] . Dit rekeningnummer staat op naam van [verdachte] . Na aan paar maanden wordt ze door de Gemeente op de hoogte gesteld dat het contract vals is.13

Naar de bankrekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 3] wordt onderzoek gedaan bij ING Bank. Het eerstgenoemde rekeningnummer blijkt niet in het systeem voor te komen. Er is geen sprake van eerdere opheffing van dit rekeningnummer. Het laatstgenoemde rekeningnummer is op 9 april 2015 geopend en op 2 maart 2018 opgeheven. Dit rekeningnummer stond op naam van [verdachte] .14

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [website 1] heeft opgericht. Het doel was om mensen een postadres te bezorgen, waarbij het hem bekend was dat zij daar niet zouden gaan wonen.

4.3.2.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank is van oordeel dat de in de tenlastelegging genoemde huurcontracten valselijk zijn opgemaakt. In meerdere huurcontracten, waaronder het contract op naam van [naam 1] voor het adres [adres 10] , is telkens een maandelijkse huur van € 1.134,98 opgenomen die moet worden voldaan op het (niet bestaande) rekeningnummer [rekeningnummer 1] . De rechtmatige eigenaren/verhuurders waren veelal niet op de hoogte van de verhuur van hun eigendom en hebben de contracten niet zelf ondertekend, noch toestemming gegeven voor de verhuur, zoals verdachte ter zitting heeft bevestigd. De handtekening van de verhuurder onder sommige contracten komt overeen, alhoewel de verhuurder verschilt. De kopers van de contracten verklaren dat zij het in het huurcontract vermelde bedrag niet betaalden, maar een lager maandelijks bedrag overmaakten op een ander bankrekeningnummer, te weten dat van verdachte. Ook hebben enkele huurders van de Gemeente te horen gekregen dat hun contracten vals waren.

Nu vaststaat dat verdachte geen toestemming had van de betrokken eigenaren/verhuurders tot verhuur van hun pand en de contracten enkel tot doel hadden de zogenaamde huurders een inschrijvingsadres te verschaffen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de huurcontracten allemaal vals waren.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte (al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen) verantwoordelijk is voor het opmaken van de contracten. Hoewel het dossier daarvoor aanwijzingen biedt, is de rechtbank van oordeel dat niet buiten gerede twijfel is komen vast te staan dat verdachte de contracten zelf daadwerkelijk heeft opgemaakt dan wel dat hij voldoende nauw en bewust met een ander of anderen heeft samengewerkt bij het opmaken van de valse contracten. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij opzettelijk de valse huurcontracten voorhanden heeft gehad, heeft afgeleverd en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze bestemd waren om er gebruik van te maken als echt en onvervalst. De rechtbank acht dit, met uitzondering van het huurcontract voor het adres [adres 3] , bewezen en overweegt daartoe dat uit de stukken volgt dat verdachte de contactpersoon was voor de kopers van de huurcontracten en hen de contracten, nadat zij hadden betaald, leverde. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat het idee om het zo te doen met de huurcontracten van hemzelf was en dat hij geen enkel onderzoek heeft ingesteld naar de vraag of het legaal was om mensen te helpen aan een vals contract, met als doel inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie mogelijk te maken. Verder heeft verdachte desgevraagd ter zitting erkend geen stukken te kunnen overleggen waaruit blijkt dat de verhuurders instemden met de verhuur van de betrokken panden aan de betrokken huurders. Verdachte heeft voorts zijn stelling dat anderen toegang hadden tot zijn e-mail en/of rekeningnummer niet onderbouwd en de rechtbank acht dit ook niet geloofwaardig, omdat verdachte het geld op zijn eigen rekening ontving, de contactpersoon voor de huurders was en op een aantal van de contracten het telefoonnummer van verdachte is vermeld. De rechtbank acht, mede op grond van zijn verklaring ter zitting, bewezen dat verdachte wist dat de huurcontracten vals waren en dat de kopers deze contracten als echt huurcontract bij de Gemeente zouden indienen om zich in de gemeentelijke basisadministratie te kunnen inschrijven teneinde aanspraak te kunnen maken op voorzieningen als een uitkering.

Wat het huurcontract voor het adres [adres 3] betreft overweegt de rechtbank dat dit contract als verhuurder [naam verhuurder] vermeldt. Uit het dossier volgt verder dat [naam verhuurder] enig aandeelhouder van [naam B.V.] is. Een zekere heer [naam 7] , die ook gebruik had gemaakt van een vals huurcontract voor een inschrijving, heeft verklaard dat hij dit contract van de [website 2] had gekocht van [naam verhuurder] en het geld had overgemaakt naar [rekeningnummer 5] tnv [naam B.V.] . Gegeven deze feiten en omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende bewijs van betrokkenheid van verdachte bij fraude met dit huurcontract.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3.1. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode 1 oktober 2016 tot en met 1 juni 2017 te Amsterdam opzettelijk gebruik heeft gemaakt en heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad een valselijk opgemaakt geschrift als ware het echt en onvervalst dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten onder andere

een huurcontract voor het adres [adres 1] ,

een huurcontract voor het adres [adres 2] ,

een huurcontract voor het adres [adres 4] ,

een huurcontract voor het adres [adres 5] ,

een huurcontract voor het adres [adres 6] ,

een huurcontract voor het adres [adres 7] ,

een huurcontract voor het adres [adres 8] ,

een huurcontract voor het adres [adres 9] ,

een huurcontract voor het adres [adres 11] ,

bestaande die valsheid hierin dat valselijk, in strijd met de waarheid,

- een rekeningnummer ( [rekeningnummer 3] en/of [rekeningnummer 2] ) is vermeld op voornoemde huurcontracten in plaats van het rekeningnummer van de feitelijke verhuurder en de op het contract opgenomen verhuurder en/of

- de huurlasten zijn gesteld op een steeds overeenkomend bedrag (namelijk ongeveer € 1.134,98) onafhankelijk van de grootte en ligging van de woning, en/of

- dezelfde handtekening onderaan voornoemde huurcontracten als verhuurder is geplaatst en gekopieerd, en/of

- het telefoonnummer behorende bij [website 1] in het contract is vermeld als zijnde het telefoonnummer van de verhuurder,

terwijl hij wist dat deze geschriften bestemd waren om gebruik van te maken als ware het echt en onvervalst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De reclassering neemt positieve ontwikkelingen waar en verdachte heeft een goedlopend bedrijf. Een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest is daarom passend.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door vals opgemaakte huurcontracten te koop aan te bieden via het internet. Via de websites werd geadverteerd dat kopers van de contracten zich hiermee in de Basisregistratie Personen konden inschrijven. Uit het dossier blijkt dat de contracten veelal werden verkocht aan personen die zich in een moeilijke situatie bevonden en zo snel mogelijk een (post)adres nodig hadden om zich daarmee in te schrijven. Door hen valse huurcontracten te verkopen stelde verdachte de kopers niet alleen in staat om zich in te schrijven in de Basisregistratie Personen, maar daardoor ook om aanspraak te maken op voorzieningen, zoals uitkeringen en toeslagen, waarop zij geen recht hadden. Hier is de samenleving door benadeeld en verdachte heeft hier ter zitting geen enkel begrip voor getoond. Integendeel, verdachte gaf ter zitting hoog op van zijn idee en zijn bedrijfsplan en zijn eigen slimheid hierbij. Dat zijn idee wellicht niet in overeenstemming was met de wettelijke regels wist hij niet, en dat was kennelijk afdoende voor verdachte. Verdachte heeft verder zijn rol geminimaliseerd en de schuld met name bij anderen gelegd. Hij heeft ter zitting geen enkel inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelingen en blijk gegeven daar geen verantwoordelijkheid voor te willen nemen. Het is de rechtbank verder niet ontgaan dat verdachte in zijn laatste woord heeft gezegd dat hij slim genoeg is om dit te doen zonder gepakt te worden, hetgeen de rechtbank het ergste doet vrezen voor zijn toekomstige plannen.

Bij de straftoemeting neemt de rechtbank in aanmerking een uittreksel van de Justitiële Documentatie, betreffende verdachte, van 10 december 2018, waaruit volgt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit een reclasseringsadvies van 11 december 2018 en een psychologisch en psychiatrisch rapport van 24 november 2015. Hieruit volgt – onder meer – dat verdachte aan de kenmerken voldoet van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken. De kans op recidive werd daarom in 2015 groot geacht. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, nu verdachte reeds is ingebed in de hulpverlening.

Gelet op al het voorgaande, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden moet worden opgelegd. Een gedeelte van 4 maanden zal in voorwaardelijke vorm worden opgelegd. Daarmee hoopt de rechtbank verdachte te weerhouden om zich in de toekomst opnieuw aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig te maken. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De proeftijd zal daarom worden gesteld op een termijn van 3 jaren.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis toe te wijzen. Verdachte wordt in dit vonnis veroordeeld tot een langere straf dan de voorlopige hechtenis die hij tot dusverre heeft uitgezeten en de rechtbank vindt het van belang dat verdachte zijn straf nu verder uitzit en daarmee een duidelijk signaal krijgt dat hij met onwettige praktijken moet stoppen. De eerder aan verdachte geboden kansen hebben immers geen effect gehad.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, voorhanden hebben en daarvan gebruik maken, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en L. Voetelink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Groot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 januari 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 PV aangifte, p. 01-04.

3 Bijvoorbeeld op p. 82, 91 en p. 100

4 PV van bevindingen, p. 414.

5 Respectievelijk op pagina 167 e.v., 34 e.v., 54 e.v., 138 e.v., 76 e.v., 132 e.v., 91 e.v., 128 e.v., 98 e.v. en 122 e.v. (allen geschriften).

6 Geschrift, p. 66 e.v.

7 Geschrift, p. 70.

8 PV verhoor, p. 180-182

9 PV verhoor, p. 214-216.

10 Geschrift, p. 224.

11 PV verhoor, p. 217-220 en 230.

12 PV verhoor, p. 235-237.

13 PV verhoor, p. 245-247.

14 PV bevindingen, p. 272.