Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2457

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2019
Datum publicatie
04-04-2019
Zaaknummer
13/845006-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De feiten waarvan verdachte wordt verdacht, vloeien voort uit de verdenking dat een evenementencomplex té goedkoop door hem is verkocht.

De koopsom is volgens verdachte gebaseerd op het taxatierapport van een medeverdachte. De rechtbank acht niet bewezen dat medeverdachte onjuiste informatie heeft opgenomen in de taxatierapporten als gevolg waarvan de onderhandse verkoopwaarde valselijk is getaxeerd. Nu niet is bewezen dat de taxatierapporten vals zijn, wordt verdachte vrijgesproken van het voorhanden hebben van valse taxatierapporten.

Nu er onvoldoende bewijs is dat de taxatierapporten vals zijn en de prijs niet in sterke mate afwijkt van de waarde die wordt genoemd in het taxatierapport, kan enkel uit de prijs niet worden afgeleid dat het evenementencomplex voor een onzakelijke prijs is verkocht. De rechtbank is van oordeel dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij de zakelijkheid van de transactie, maar zij kan niet met zekerheid vaststellen dat de transactie onzakelijk was en daarmee opzettelijk onjuiste belastingaangiftes zijn gedaan. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de fiscale feiten.

Nu de onzakelijkheid van de overeenkomst niet kan worden vastgesteld, is ook geen sprake van een schijnovereenkomst zoals door de officier van justitie wordt gesteld. De feiten die door de officier van justitie aan het witwasverwijt ten grondslag worden gelegd kunnen hierdoor ook niet bewezen worden. Verdachte wordt ook vrijgesproken van het witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845006-12

Datum uitspraak: 4 april 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

  • -

    31 januari 2019,

  • -

    1 februari, 7 februari, 11 februari, 12 februari en 13 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.I.M. Geertsema en H.J. Hart (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte (hierna: [verdachte] ) en zijn raadslieden mrs. D.V.A. Brouwer en O.S. Pluimer (hierna: de raadsman) naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

[verdachte] wordt er – na wijziging van de tenlastelegging op 31 januari 2019 – van verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1.feitelijk leidinggeven aan het onjuist/onvolledig doen van aangifte vennootschapsbelasting van [naam B.V. 1] en/of [naam B.V. 2] over het jaar 2007;

2. primairfeitelijk leidinggeven aan het onjuist/onvolledig doen van aangifte overdrachtsbelasting t.n.v. [naam B.V. 5] t.a.v. de verkrijging van de onroerende zaak ‘ [naam B.V. 5] ’ te [plaats] op 14 augustus 2007;

subsidiair: (medeplegen van) het onjuist/onvolledig doen van de aangifte overdrachtsbelasting;

3.het onjuist/onvolledig doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen t.n.v. [verdachte] over het jaar 2007;

4.feitelijk leidinggeven aan (medeplegen van) het voorhanden hebben van valse taxatierapporten (gedateerd 31 maart 2005 en 26 januari 2007) met betrekking tot evenementencomplex ‘ [naam B.V. 5] ’ te [plaats] ;

5.feitelijk leidinggeven aan het witwassen van aandelen.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in de aan dit vonnis gehechte bijlage en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Een korte schets van de zaak

In 2000 is het evenementencomplex ‘ [naam] ’ te [plaats] opgeleverd.

De stichtingskosten bedroegen € 26 miljoen. In 2002/2003 heeft [naam B.V. 2] , een 100% dochtervennootschap van [naam B.V. 1] (hierna: [naam B.V. 1] ), het complex gekocht. Nadien is de naam van het complex gewijzigd in [naam B.V. 5] . [naam B.V. 1] was een vennootschap van [verdachte] en [naam 1] , en na diens overlijden in 2004 de “erven [naam 1] ”, elk voor 50%.

De koopsom bedroeg circa € 5,5 miljoen exclusief kosten. [naam B.V. 5] werd vervolgens verbouwd voor ruim € 4 miljoen en verhuurd aan diverse exploitanten. Het geheel werd gefinancierd met een lening van € 11 miljoen van Deutsche Bank.

[naam B.V. 5] bestond na de verbouwing uit twee grote hallen. Een grote evenementen/muziekhal met bowling, duikcentrum en disco en een tweede hal met een kartbaan, kinderspeelparadijs en een sportschool. [naam B.V. 5] liep echter niet en sommige exploitanten kwamen in de problemen.

In maart 2005 ging de exploitant van de evenementenhal failliet en werd de exploitatie door [naam B.V. 2] voor eigen rekening voortgezet. Omdat [naam B.V. 2] de aflossingen aan Deutsche Bank niet kon voldoen, werden de aflossingen overgenomen door [naam B.V. 1] .

In 2005 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) de opdracht van [naam B.V. 1] gekregen om het complex [naam B.V. 5] te taxeren. Medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) is – samen met medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) – één van de taxateurs geweest die [naam B.V. 5] heeft getaxeerd. Volgens de taxatie bedroeg de onderhandse verkoopwaarde van het pand per 31 maart 2005 € 2.970.000,-.

In 2006 werd ook de exploitatie van de kartbaan en het kinderspeelparadijs overgenomen en voor eigen rekening voortgezet door [naam B.V. 3] , een 100% vennootschap van [verdachte] .

Eind 2006/begin 2007 is [naam B.V. 5] opnieuw door [medeverdachte 2] getaxeerd waarbij [medeverdachte 3] wederom als taxateur was betrokken. [medeverdachte 2] taxeerde de onderhandse verkoopwaarde in december 2006 op € 2.450.000,-.

In augustus 2007 zijn de onroerende zaken en de onderneming van [naam B.V. 5] met terugwerkende kracht per 1 januari 2007 geleverd aan [naam B.V. 5] en [naam B.V. 4] Deze beide vennootschappen hingen onder [medeverdachte 1 ] , van welke vennootschap medeverdachte [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) via de Zwitserse topholding Aegeri-Investment Company AG (hierna: Aegeri) de enig aandeelhouder was.

De koopprijs voor [naam B.V. 5] was per saldo € 480.000,-. Dit bedrag bestond uit € 1.870.000,- badwill en € 2.350,000,- voor onroerende zaken.

In januari 2008 zijn de twee vennootschappen van [medeverdachte 5] met daarin de onroerende zaken van [naam B.V. 5] verkocht aan een consortium van Twentse investeerders (hierna:
de Twentenaren) voor € 8 miljoen.

Start strafrechtelijk onderzoek

De Belastingdienst heeft in mei 2009 een onderzoek ingesteld naar aanleiding van de afwaardering van [naam B.V. 5] in de aangifte vennootschapsbelasting 2007 van [naam B.V. 2] in combinatie met de verkoop van [naam B.V. 5] in 2007 aan de vennootschappen van [medeverdachte 5] . Om te beoordelen of [naam B.V. 5] in augustus 2007 tegen een reële prijs was geleverd aan [naam B.V. 5] en [naam B.V. 4] heeft de Belastingdienst in 2009 en 2010 een aantal derdenonderzoeken ingesteld. Daarbij is het vermoeden ontstaan dat [naam B.V. 5] te goedkoop is verkocht en daarbij vermoedelijk een vals taxatierapport is gebruikt.

Volgens de FIOD is de centrale verdenking dat [verdachte] [naam B.V. 5] zo goedkoop mogelijk naar zich toe wilde trekken. Toen bleek dat hij dat om fiscale redenen beter niet kon doen, is het idee ontstaan, volgens de FIOD, om [medeverdachte 5] als strovrouw voor de verkoop te gebruiken.

In augustus 2007 werden de onroerende zaken en de exploitaties van [naam B.V. 5] geleverd aan [naam B.V. 5] en [naam B.V. 4] . Het vermoeden is dat de verkoopprijs door [verdachte] zo laag mogelijk is vastgesteld waardoor de Belastingdienst en de erven [naam 1] zijn benadeeld.

[verdachte] heeft de Belastingdienst, vermoedelijk misleid door de zakelijkheid van de verkoop aan [medeverdachte 5] te onderbouwen met een vermoedelijk vals taxatierapport van [medeverdachte 2] van 31 januari 2007 dat in zijn opdracht is opgesteld.

3.2

Vrijspraak

3.2.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten bewezen kunnen worden en heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Feit 4 (valsheid in geschrift)

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] de erven [naam 1] wilde uitkopen en dat die uitkoop diende te gebeuren voor een zo laag mogelijk bedrag. Voor de legitimering van de fiscale afwaarderingen binnen [naam B.V. 1] en de uitkoop van de erven [naam 1] , heeft [verdachte] aan de taxateurs van [medeverdachte 2] gevraagd om [naam B.V. 5] tegen een zo laag mogelijke waarde te taxeren. De twee door [medeverdachte 2] opgemaakte taxatierapporten zijn vals, omdat [naam B.V. 5] in beide taxatierapporten niet is getaxeerd naar de werkelijke onderhandse verkoopwaarde. De taxateurs van [medeverdachte 2] hebben namelijk niet gezocht naar de maximale waarde, maar zij hebben toegewerkt naar een zo laag mogelijke waarde door geen melding te maken van herontwikkelingsmogelijkheden, door de bestemming te beperkt weer te geven en door alle (kosten)posten en variabelen zodanig te begroten dat daaruit een te lage waarde is voortgevloeid. Dit betekent dat de taxatierapporten valselijk vermelden dat is getaxeerd naar de onderhandse verkoopwaarde. De taxatierapporten zijn bij [naam B.V. 1] aangetroffen en [verdachte] had deze als feitelijk leidinggever voorhanden.

Feit 1, 2 en 3 (de fiscale feiten)

De verkoop van [naam B.V. 5] voor de te lage waarde aan [naam B.V. 5] heeft een aantal fiscale gevolgen.

Allereerst is van belang dat [medeverdachte 5] een strovrouw was voor [verdachte] en de hele Aegeri groep feitelijk aan [verdachte] kon worden toegerekend. Onder die omstandigheden heeft een vennootschap van [verdachte] , [naam B.V. 2] , [naam B.V. 5] aan een andere vennootschap van [verdachte] verkocht. In dat geval spreekt men van een gelieerde transactie. Fiscaal heeft dan te gelden dat gelieerde partijen ‘at arms length’ met elkaar moeten handelen. Dat is niet gebeurd.

Uitgaande van een zakelijke verkoopprijs van ten minste € 8 miljoen minus de betaling van (per saldo) € 880.000,- door [naam B.V. 5] bedroeg de bevoordeling door [verdachte] van [naam B.V. 5] € 7.120.000,-. Dit bedrag heeft [verdachte] onttrokken aan zijn vennootschappen [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] en overgeheveld naar [naam B.V. 5]

Deze onttrekking ten gunste van [verdachte] heeft voor de vennootschapsbelasting bij [naam B.V. 2] gevolgen; er moet immers worden afgerekend over het deel waarvoor de verkoopprijs te laag was. Ten gevolge van de te lage overdrachtsprijs is door [naam B.V. 5] ook te weinig overdrachtsbelasting betaald

De voornoemde onttrekking wordt fiscaal als een dividenduitkering aangemerkt. Dit is echter niet door [verdachte] in zijn aangifte inkomstenbelasting als zodanig verwerkt, waardoor te weinig inkomstenbelasting is geheven.

Door de onzakelijke handeling van [verdachte] is er te weinig vennootschapsbelasting geheven bij [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] , waardoor onjuiste aangiftes vennootschapsbelasting zijn gedaan.

Voor wat betreft de aangiften vennootschapsbelasting en overdrachtsbelasting heeft te gelden dat het doen daarvan binnen de normale bedrijfsuitoefening past. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij de aangiften inkomstenbelasting 2007, vennootschapsbelasting 2007 van [naam B.V. 2] en [naam B.V. 1] zal hebben ondertekend en dan kennis van de inhoud nam. Om die reden heeft hij feitelijk leiding gegeven aan het doen van deze onjuiste aangiften.

Feit 5 (witwassen)

[verdachte] heeft van begin af aan [naam B.V. 5] naar zich toe willen trekken tegen een zo laag mogelijk waarde ter benadeling van de erven [naam 1] en de Belastingdienst. Hij heeft daartoe om zo laag mogelijke taxaties verzocht en [medeverdachte 5] ingezet als strovrouw. In het voorjaar van 2007 wist [verdachte] reeds dat er gegadigden waren voor [naam B.V. 5] en dat de waarde van [naam B.V. 5] aanzienlijk hoger was dan de getaxeerde waarden. Er is toen een overnamestructuur opgetuigd waarna [naam B.V. 5] is overgenomen. De koopsom werd op initiatief van [verdachte] verlaagd naar € 480.000,-.

[medeverdachte 1 ] heeft in 2008 [naam B.V. 5] verkocht aan de Twentenaren.

Omdat [medeverdachte 1 ] door de schijnovereenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] niet als de echte verkoper kan worden gezien, zijn ook de koopovereenkomst en de leveringsaktes tussen [medeverdachte 1 ] en de Twentenaren vals. Het hele strovrouwschap is een verhullende handeling.

De koopsom die de Twentenaren in 2008 aan [medeverdachte 1 ] hebben betaald, kreeg op het moment dat deze werd verkregen door [medeverdachte 1 ] een criminele herkomst vanwege de gronddelicten, te weten oplichting, verduistering en valsheid in geschrift.

Nadat [medeverdachte 1 ] de koopsom ontving, vond er een aantal omzettingen en overboekingen plaats. De aandelen die zijn verworven met die omgezette en overgedragen geldbedragen zijn dan ook geheel of gedeeltelijk middellijk uit misdrijf afkomstig.

[medeverdachte 1 ] heeft een strafbaar feit begaan, namelijk witwassen, gelet op de wetenschap van [verdachte] en [medeverdachte 5] , het feit dat de vennootschap speciaal voor dit doel (de verkoop aan een echte derde) is opgericht, [medeverdachte 1 ] de schijntransactie heeft uitgevoerd en de koopsom heeft ontvangen en omgezet in aandelen van vakantiepark-vennootschappen.

[verdachte] kan als feitelijk leidinggever van [medeverdachte 1 ] worden aangemerkt aangezien hij dit hele plan heeft uitgedacht en laten uitvoeren door [medeverdachte 1 ]

Ook feit 5 kan dus bewezen worden, aldus steeds de officier van justitie.

3.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe is – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Feit 4 (valsheid in geschrift)

Allereerst kan niet bewezen worden dat de werkelijke waarde in het economisch verkeer van [naam B.V. 5] medio 2007 aanmerkelijk hoger was dan de waarde die [medeverdachte 2] heeft getaxeerd.

Anders dan de officier van justitie stelt, is er geen begin van aannemelijkheid dat de taxatierapporten van [medeverdachte 2] op enig onderdeel materieel onjuist zijn, laat staan vals. De andere taxaties die worden aangedragen als bewijs voor de valsheid verschillen onderling sterk voor wat betreft de gekozen taxatiemethodieken. Daarnaast worden er bijzondere uitgangspunten aan de andere taxatierapporten ten grondslag gelegd. De andere taxatierapporten kunnen om die reden niet als bewijs dienen voor de valsheid van de taxatierapporten van [medeverdachte 2] .

Door de officier van justitie is verder gewezen op een bod van [naam 2] , maar [naam 2] bood een lager bedrag dan [medeverdachte 5] . De prijs van € 8 miljoen die de Twentenaren uiteindelijk in 2008 hebben betaald, kan ook niet gelden als een indicatie voor de objectieve waarde van [naam B.V. 5] omdat de Twentenaren onvoldoende kritisch waren en geen uitgebreid onderzoek hebben gedaan.

Kortom, er is geen bewijs dat in de taxatierapporten van [medeverdachte 2] opzettelijk een te lage onderhandse verkoopwaarde is opgenomen. Daarnaast is er geen bewijs dat [naam B.V. 1] en/of [verdachte] wetenschap had(den) van de beweerde onjuistheid. Het voorhanden hebben van valse taxatierapporten kan dan ook niet bewezen worden.

Feit 1, 2 en 3 (de fiscale feiten)

Uit de belastingaangiftes blijkt dat de opbrengst voor het vastgoed van [naam B.V. 5] voor [naam B.V. 2] € 2.350.000,- is geweest en dat dit bedrag ook in de aangifte vennootschapsbelasting 2007 van [naam B.V. 1] / [naam B.V. 2] is verantwoord. Niet bewezen kan worden dat [naam B.V. 1] / [naam B.V. 2] een onzakelijk lage opbrengst voor [naam B.V. 5] heeft ontvangen, noch dat de opbrengst onjuist in de verschillende aangiften vennootschapsbelasting is verwerkt. Evenmin kan bewezen worden dat een andere waarde in de aangiften vennootschapsbelasting over 2007 had moeten worden opgenomen.

Om de goedkeurende verklaring van [naam B.V. 1] niet in gevaar te laten komen heeft [verdachte] besloten om [naam B.V. 5] te verkopen. [naam B.V. 5] was namelijk een zeer verlieslatend object, dat onvoldoende ‘internal controls’ had om een goedkeurende verklaring voor de jaarrekening van [naam B.V. 2] te kunnen verwerven. Hierdoor kon ook de goedkeurende verklaring van [naam B.V. 1] als geheel in gevaar komen.

Omdat [naam B.V. 5] zo snel mogelijk moest worden verkocht is besloten om [naam B.V. 5] aan de vennootschappen van [medeverdachte 5] te verkopen. [verdachte] heeft nog een extra badwill-vergoeding toegezegd, omdat [medeverdachte 5] koude voeten kreeg en hij het risico niet wilde lopen dat [medeverdachte 5] zich uit de transactie zou terugtrekken. De (negatieve) opbrengst uit de badwill-component is ook verwerkt in de aangiften van [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2]

Alles is dus juist in de belastingaangiftes verwerkt. Feit 1 kan dus niet bewezen worden.

In het verlengde hiervan ligt feit 2, de aangifte overdrachtsbelasting. In de aangifte overdrachtsbelasting van [naam B.V. 5] is de prijs van € 2.350.000,- als heffingsgrondslag genomen. Aangezien niet bewezen kan worden dat de waarde van de onroerende zaak [naam B.V. 5] hoger was dan de prijs die [naam B.V. 5] heeft betaald en in de aangifte heeft opgenomen, kan feit 2 niet bewezen worden.

Ook feit 3 – het onjuist doen van aangifte inkomstenbelasting – kan niet bewezen worden. [verdachte] heeft niet bewust een voordeel, dat hij zag aankomen en dat hij ook in [naam B.V. 2] / [naam B.V. 1] had kunnen laten vallen, bij [medeverdachte 5] laten vallen.

De officier van justitie verwijst naar gesprekken tussen [verdachte] en [naam 3] en tussen [verdachte] en de Twentenaren in maart/april 2007, maar het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat [verdachte] in die gesprekken een vraagprijs van € 12 miljoen heeft genoemd.

Ook is er geen enkel bewijs dat [verdachte] in of voor het gesprek van 16 april 2017 wist dat de Twentenaren bereid waren om € 8 miljoen te betalen voor [naam B.V. 5] .

Feit 5 (witwassen)

In het strafdossier wordt geen beschuldiging geuit, noch bewijs aangedragen, dat de aandelen in de vakantieparken op zichzelf beschouwd uit misdrijf afkomstig waren. Ook het verwijt dat [medeverdachte 1 ] de aandelen heeft gekocht met geld dat uit misdrijf is verkregen kan niet bewezen worden omdat de feiten die in de tenlastelegging worden genoemd niet bewezen kunnen worden. Zelfs al zouden deze feiten wel bewezen kunnen worden, dan vloeit daaruit niet voort dat [medeverdachte 1 ] een object/vermogensbestanddeel uit misdrijf heeft verkregen. Zo kunnen de fiscale feiten niet als grondfeit worden aangemerkt omdat het object [naam B.V. 5] niet door middel van deze fiscale feiten is verkregen. Hetzelfde geldt voor de beweerde valsheid in geschrift. Ten aanzien van verduistering als grondfeit – wat niet los aan [verdachte] ten laste is gelegd – kan de officier van justitie niet benoemen welk vermogensbestanddeel wanneer, door wie en met welke gedraging zou zijn verduisterd.

Ook oplichting kan niet als grondfeit worden aangemerkt omdat het tenietgaan van een inschuld op het vermogen van verdachte/ [naam B.V. 1] / [naam B.V. 2] niet heeft geleid tot verkrijging van [naam B.V. 5] door [medeverdachte 1 ] Aangezien niet bewezen kan worden dat [medeverdachte 1 ] aandelen heeft witgewassen, kan [verdachte] niet als feitelijk leidinggever worden aangemerkt.

Voorwaardelijk verzoek

Doordat de officier van justitie in haar requisitoir stelt dat ook de notariële akten vals zijn, ontstaat een verdedigingsbelang om de notarissen die deze akten hebben gepasseerd te bevragen. Mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat de bedoelde notariële akten vals zijn en dat deze valsheid ook als grondfeit voor het witwasverwijt geldt, dan wordt verzocht om beide notarissen als getuigen te laten horen.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

In deze zaak gaat het met name om de vraag of [naam B.V. 5] té goedkoop is verkocht door [verdachte] (als feitelijk leidinggever van de betrokken vennootschappen).

[verdachte] heeft verklaard dat de koopsom is gebaseerd op het taxatierapport van [medeverdachte 2] .

De rechtbank zal dan ook eerst de vraag beantwoorden of [verdachte] valse taxatierapporten voorhanden had.

Feit 4 – Het voorhanden hebben van twee valse taxatierapporten

Om te kunnen bewijzen dat [verdachte] twee valse taxatierapporten voorhanden had, moet eerst vast komen te staan dat de taxatierapporten uit 2005 en 2007 vals zijn opgemaakt door

(de taxateurs van) [medeverdachte 2] . De rechtbank is van oordeel dat dit niet bewezen kan worden en verwijst hierbij naar hetgeen zij in het vonnis van [medeverdachte 2] van 4 april 2019 heeft overwogen:

“(..) Het gaat in deze strafzaak om de vraag of de taxatierapporten van 2005 en 2007 vals zijn en of het opzet van de taxateurs van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 2] erop gericht was om die rapporten valselijk op te maken. De concretisering van het verwijt in de tenlastelegging betreft uitsluitend de onderhandse verkoopwaarde. Onder 3.2.1 is weergegeven hoe de officier van justitie dit verder heeft ingevuld. De rechtbank stelt voorop dat taxeren geen exacte wetenschap is. Van de taxateur wordt verwacht dat hij naar beste kunnen en naar eer en geweten de waarde van een object bepaald. Daarbij is van belang welke waarderingsgrondslag de taxateur kiest en welke overige uitgangspunten aan de taxatie ten grondslag liggen, bijvoorbeeld over de vraag in hoeverre is gekeken naar herontwikkelingsmogelijkheden en/of mogelijke bestemmingswijzigingen. Het is niet uitgesloten dat verschillende taxateurs, hoewel zij grotendeels dezelfde uitgangspunten hanteren, tot verschillende waardes komen. Daarbij gelden uiteraard wel bandbreedtes, maar uit het enkele feit dat getaxeerde waardes uiteen lopen kan niet zonder meer volgen dat een van de taxaties vals is.

Herontwikkelingsmogelijkheden en bestemming

De rechtbank is – met de raadslieden – van oordeel dat in beide taxatierapporten duidelijk staat vermeld dat is uitgegaan van het huidige gebruik van [naam B.V. 5] . Zo staat in het taxatierapport uit 2005 vermeld dat ‘het huidige gebruik van het getaxeerde gezien de aard en inrichting van het complex als leisure complex het meest optimale is’. Verder is in het taxatierapport vermeld dat de onderhandse verkoopwaarde is getaxeerd ‘onder gestanddoening van de lopende huurovereenkomsten’. In het taxatierapport van 2007 is dat eveneens vermeld. In het taxatierapport van 2007 wordt nog eens extra benadrukt dat de taxateurs zijn ‘uitgegaan van het vigerend gebruik en de vigerende bestemming’ en dat ‘expliciet niet is gekeken naar de eventuele waarde bij herontwikkeling’. Nu in beide taxatierapporten staat vermeld dat uit wordt gegaan van de huidige gebruiksmogelijkheden en de huidige huurcontracten en in het taxatierapport van 2007 expliciet wordt benoemd dat niet is gekeken naar herontwikkeling, kan op basis van het enkele niet vermelden van eventuele herontwikkelingsmogelijkheden niet worden gezegd dat de in de tenlastelegging genoemde onderhandse verkoopwaardes daarmee vals zijn.

Zoals hiervoor reeds vermeld, is getaxeerd ‘onder gestanddoening van de lopende huurovereenkomsten’. Dit houdt in dat niet (uitvoerig) is gekeken naar andere exploitatiemogelijkheden. Een andere exploitatie vereist immers dat andere huurders worden aangeworven. Deze vaststelling in combinatie met de tekst van de tenlastelegging maken het verwijt van de officier over het geen melding maken van herontwikkelingsmogelijkheden onbegrijpelijk.

Hetzelfde geldt voor het verwijt dat in de taxatierapporten alleen ‘leisure’ wordt genoemd als mogelijke bestemming. In de taxatierapporten van 2005 en 2007 staat duidelijk vermeld dat is getaxeerd naar het huidige gebruik en dat ‘leisure’ daarvoor het meest optimaal is. Daarbij komt dat in het taxatierapport van 2005 wel wordt vermeld dat er een alternatieve mogelijkheid is, namelijk dat de opstellen omgebouwd kunnen worden tot bedrijfsruimten voor opslagdoeleinden.

Hoewel de officier van justitie gesteld heeft dat het bestemmingsplan mogelijkheden bood voor alternatieve ontwikkelingsmethoden, zoals kantoorruimte, blijkt nergens uit dat dit werkelijk haalbaar zou zijn geweest. In dit verband is relevant dat door de verdediging onbetwist is gesteld dat het hier om vastgoed gaat dat geschikt is gemaakt voor indoor vermaak en dat het zeer hoge kosten met zich zou brengen om daar bijvoorbeeld kantoorruimte van te maken.

Kostenposten en variabelen

Ten aanzien van het verwijt dat (kosten)posten doelbewust zo zijn ingestoken dat een lage waarde het resultaat zou zijn, overweegt de rechtbank het volgende. Nu in het dossier door de FIOD geconcludeerd wordt dat niet gezegd kan worden dat – los van de aftrekpost betaald parkeren – de diverse (kosten)posten vals zijn, wordt alleen ingegaan op de aftrekpost betaald parkeren. Door de officier van justitie is aangevoerd dat in beide taxatierapporten de aftrekpost “bijdrage infrastructuur parkeren” van € 638.000,- onjuist en dus vals is opgenomen omdat die afspraak nooit is gemaakt met de gemeente.

De rechtbank is van oordeel dat het opnemen van deze aftrekpost niet vals is. Daartoe is redengevend dat de taxateurs de informatie over de parkeerkosten van opdrachtgever [naam B.V. 1] hebben gekregen, nu getuige [naam getuige 1] van [naam B.V. 1] heeft verklaard dat de informatie over de parkeerkosten wel van hem moet zijn gekomen. Niet kan worden ingezien waarom de taxateurs van [medeverdachte 2] niet op de informatie van de opdrachtgever mochten vertrouwen, te meer omdat de opdrachtgever de informatie onderbouwde met stukken afkomstig van de gemeente, zoals de brief van de gemeente Enschede van 25 september 20031.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een vonnis van de rechtbank Rotterdam2 waaruit het tegendeel zou volgen, maar deze zaak is niet van toepassing op de huidige zaak. In de zaak uit Rotterdam had de verdachte namelijk binnen de zeer korte tijdspanne van één dag voor één opdrachtgever vier taxatierapporten opgemaakt en de aan hem aangereikte gegevens één op één overgenomen zonder deze te controleren. Bovendien was deze verdachte formeel niet bevoegd tot taxeren.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde zaak niet is te vergelijken met onderhavige zaak. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn bevoegde taxateurs die niet binnen één dag de taxatierapporten hebben opgemaakt voor één opdrachtgever zonder enige controle uit te voeren. In de door de officier van justitie aangehaalde zaak was aan de orde dat in het taxatierapport stond vermeld dat de opdrachtgever het pand voor eigen bewoning zou gaan gebruiken. De taxateur had minst genomen zich moeten afvragen hoe een opdrachtgever vier huizen tegelijkertijd voor bewoning kan aanwenden. Anders dan officier van justitie vindt de rechtbank dan ook dat de onderzoeksplicht in onderhavige zaak niet zover reikt dat de taxateurs nog uitgebreider onderzoek hadden moeten verrichten dan dat zij reeds hadden gedaan.

Uit de door [naam B.V. 1] aangereikte gegevens blijkt dat de gemeente € 1.276.284,- heeft geïnvesteerd in een parkeerterrein en dat zij dit wilde verhalen door middel van parkeerinkomsten of op een andere manier. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij de helft van het door de gemeente geïnvesteerde bedrag heeft opgenomen omdat het een professionele inschatting was van de kans dat het betaald parkeren door zou gaan. [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat als de afkoopsom niet zou worden meegenomen, rekening moest worden gehouden met de jaarlijkse kosten.

De officier van justitie heeft niets ingebracht tegen de stelling dat het een professionele inschatting was van [medeverdachte 3] om de kosten op deze manier op te nemen in het taxatierapport. Bovendien staat in de taxatierapporten bij de aftrekpost parkeren de kanttekening opgenomen dat er ‘een discussie is met de gemeente Enschede omtrent de exploitatie van de parkeerplaatsen’. Dat er onduidelijkheid bestond over de parkeerkosten wordt bevestigd door getuige [naam getuige 2] , projectmanager bij de gemeente Enschede. Hij heeft verklaard dat de gemeente kosten had gemaakt voor de verharding van de parkeerterreinen en dat de gemeente daarom betaald parkeren wilde invoeren. Per 1 oktober 2003 zou het betaald parkeren ingaan, wat vervolgens is uitgesteld omdat de betrokken partijen met een plan zouden komen. Eind 2004 en begin 2005 werd gesproken over een huurovereenkomst, maar deze is niet ondertekend door de betrokken partijen. In een later stadium, ergens in 2007, is volgens [naam getuige 2] door de gemeente een ‘potje’ gevonden waar de parkeerkosten op konden worden afgeboekt, maar dit heeft hij niet officieel medegedeeld aan de partijen.

Ten slotte volgt uit de stukken dat er in juni 2008 nog steeds geen overeenkomst was tussen de gemeente en de (nieuwe) marktpartijen over de parkeerkwestie.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat ten tijde van het opmaken van de taxatierapporten nog geen zekerheid bestond over de wijze waarop de gemeente de investeringskosten zou verhalen. Gelet op de onzekerheid kan niet worden aangenomen dat het opnemen van de aftrekpost “bijdrage infrastructuur parkeren” en het begroten daarvan op de helft van het met de investering gemoeide bedrag tot een valse taxatie heeft geleid. Dat de taxateurs andere variabelen onjuist zouden hebben ingevuld, zoals huurwaarden, acht de rechtbank om die reden evenmin bewezen.

De andere taxatierapporten

Door de officier van justitie is verder aangevoerd dat de genoemde onderhandse verkoopwaardes in de taxatierapporten van [medeverdachte 2] veel lager zijn dan de onderhandse verkoopwaardes die worden genoemd in de andere taxatierapporten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie er ook op gewezen dat [medeverdachte 2] veel lagere huurwaardes toekent aan de verhuurde en lege delen van [naam B.V. 5] , in vergelijking met de andere taxatierapporten, en dat de andere taxatierapporten – in tegenstelling tot die van [medeverdachte 2] – de herontwikkelingsmogelijkheden wel benoemen.

Door de raadslieden is aangevoerd dat de taxatierapporten niet met elkaar kunnen worden vergeleken omdat sprake is van verschillende uitgangspunten in de andere rapporten.

De raadslieden hebben gewezen op de volgende verschillen.

- Het taxatierapport van de Belastingdienst gaat uit van de waarde in het economisch verkeer (de hoogst haalbare opbrengst), terwijl de taxatierapporten van [medeverdachte 2] uitgaan van de opbrengst die redelijkerwijs te verwachten is. Het taxatierapport van de Belastingdienst gaat uit van het begrip ‘huurcapaciteit’, terwijl in de taxatierapporten van [medeverdachte 2] het begrip ‘huurwaarde’ wordt gebruikt. Verder heeft de Belastingdienst – in tegenstelling tot [medeverdachte 2] – [naam B.V. 5] niet als exploitatie gebonden vastgoed getaxeerd, maar als beleggingsobject, terwijl de door de rechter-commissaris gehoorde deskundigen hebben aangegeven dat de wijze waarop huurders het vastgoed exploiteren van invloed is op de waarde van het vastgoed.

- Het taxatierapport van Ad Hoc hanteert verschillende waarde begrippen, te weten ‘vrijwillig onderhandse verkoop waarde in het vrij economisch verkeer bij soortgelijk doorlopend gebruik’ en ‘vrijwillige onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat’. Deze verschillende definities hebben bij Ad Hoc ook tot verschillende uitkomsten geleid, te weten € 1.245.000,- als waarde, respectievelijk € 10.355.000,-. Evenals de Belastingdienst – en anders dan [medeverdachte 2] – taxeert Ad Hoc wat de meest biedende gegadigde zou betalen. Daarnaast is Ad Hoc in het scenario bij een verhuurde staat uitgegaan van de verhuur van alle leegstaande delen gedurende een periode van 10 jaar, terwijl [medeverdachte 2] heeft getaxeerd volgens de situatie zoals die op dat moment was. Daarbij komt dat Ad Hoc informatie heeft gekregen van hun opdrachtgever, de Twentenaren, die de taxateurs van [medeverdachte 2] niet tot hun beschikking hadden en dus niet kenden.

- Het taxatierapport van [naam 4] gaat uit van de huur die volgens de huurovereenkomsten betaald zou moeten worden, waarbij de gegeven huurkortingen niet zijn meegenomen. Dit taxatierapport houdt ook geen rekening met het gegeven dat de huurders moeite hebben aan hun huurverplichtingen te voldoen en evenmin is rekening gehouden met de leegstand. De aanname dat niet wordt uitgegaan van een structurele leegstand is een bijzonder uitgangspunt, waar [medeverdachte 2] ook geen rekening mee heeft gehouden.

- In het taxatierapport van [naam 5] wordt een situatie die op dat moment feitelijk nog niet bestaat getaxeerd, omdat wordt gesproken over een verbouwing en over nieuwe huurders. Daarbij worden huurders genoemd die op grond van het huidige bestemmingsplan niet zijn toegestaan.

De officier van justitie heeft in het licht van hetgeen door de verdediging over verschillende aannames en uitgangspunten is aangevoerd, niet overtuigend beargumenteerd waarom uit de andere taxaties desondanks volgt dat de door [medeverdachte 2] vastgestelde onderhandse verkoopwaardes valselijk zouden zijn getaxeerd. Het enkele feit dat andere waardes zijn vastgesteld rechtvaardigt die conclusie in ieder geval niet zonder meer. De andere taxatierapporten kunnen dan ook niet dienen als bewijs voor valsheid van de taxatierapporten van [medeverdachte 2] .

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen dat [medeverdachte 2] onjuiste informatie heeft opgenomen in de taxatierapporten van 2005 en 2007 als gevolg waarvan de onderhandse verkoopwaarde valselijk is getaxeerd. [medeverdachte 2] zal daarom worden vrijgesproken (..)”.

Nu niet is bewezen dat de taxatierapporten uit 2005 en 2007 vals zijn, kan ook niet bewezen worden dat [naam B.V. 1] twee valse taxatierapporten voorhanden had en/of dat [verdachte] daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van feit 4.

Feit 1, 2 en 3 – De fiscale feiten

Onder feit 1, 2 en 3 wordt [verdachte] verweten dat hij – als feitelijk leidinggever van de genoemde vennootschappen dan wel als (mede)pleger – onjuiste belastingaangiftes heeft gedaan, omdat in de aangiftes een te lage winst en/of een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag aan belasting is opgeven. Ook deze feiten vloeien voort uit de verdenking dat [naam B.V. 5] té goedkoop is verkocht. In dat kader moet de vraag worden beantwoord of [naam B.V. 5] tegen een onzakelijk lage prijs is verkocht aan de vennootschappen van [medeverdachte 5] .

Uit de belastingaangifte van [naam B.V. 5] blijkt dat € 2.350.000,- als heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting is genomen. Hieruit moet volgen dat € 2.350.000,- de prijs is die [verdachte] en [medeverdachte 5] voor het vastgoed van [naam B.V. 5] overeen zijn gekomen. Vaststaat dat die prijs voor het vastgoed van [naam B.V. 5] is gebaseerd op het taxatierapport van [medeverdachte 2] van 2007. In het taxatierapport van 2007 wordt de waarde van [naam B.V. 5] door [medeverdachte 2] getaxeerd op € 2.450.000,-. De prijs van € 2.350.000,- wijkt niet substantieel af van wat [medeverdachte 2] heeft getaxeerd als waarde.

Zoals hiervoor onder feit 4 al is overwogen, is niet gebleken dat het taxatierapport van 2007

(en 2005) vals is. Nu er onvoldoende bewijs is dat de taxatierapporten vals zijn en de prijs niet in sterke mate afwijkt van de waarde die wordt genoemd in het taxatierapport, kan enkel uit de prijs alleen van € 2.450.000,- niet worden afgeleid dat [naam B.V. 5] voor een onzakelijke prijs is verkocht.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat indien van de juistheid van die taxatie wordt uitgegaan, er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de zakelijkheid van de transactie. De taxatie bedroeg immers bijna € 2,5 miljoen terwijl de verkoop van [naam B.V. 5] per saldo heeft plaatsgevonden voor minder dan een half miljoen, als een resultaat van een onverplichte, aan de koper toegekende badwill-vergoeding vanwege de exploitatieresultaten. Dit terwijl de taxatie van [medeverdachte 2] van 2007 al expliciet rekening had gehouden met de lopende exploitaties. Als gevolg hiervan is in ieder geval minder winst genoten in [naam B.V. 1] , hetgeen dus tot een lagere heffing vennootschapsbelasting bij [naam B.V. 2] en/of [naam B.V. 1] heeft geleid (feit 1). Mogelijk heeft dit ook tot een lagere heffing inkomstenbelasting geleid bij [verdachte] in privé (feit 3).

[verdachte] heeft op de terechtzitting van 31 januari 2019 desgevraagd verklaard dat met [medeverdachte 5] overeengekomen was dat als de Belastingdienst de badwill-toekenning niet zou accepteren en als [medeverdachte 5] binnen een bepaalde periode [naam B.V. 5] zou verkopen, [medeverdachte 5] dan de latente schuld van [naam B.V. 1] / [naam B.V. 2] bij de Belastingdienst zou betalen. Ook in een e-mailbericht van de belastingadviseurs van Ernst & Young van 22 maart 2007 aan [verdachte] wordt in de context van de badwill-vergoeding gesproken over het toekennen van een winstrecht aan [naam B.V. 2] Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat het voornemen om een badwill-vergoeding toe te kennen, voordat de transactie had plaatsgevonden, is gedeeld met de Belastingdienst. De officier van justitie heeft dit niet echt weersproken.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van de stelling dat de verkoop van [naam B.V. 5] onzakelijk was nog gewezen op verklaringen van de Twentenaren dat [verdachte] [naam B.V. 5] in maart/april 2007 heeft aangeboden voor € 12 miljoen en dat er een bod lag van € 8 miljoen voordat de verkoop aan de vennootschappen van [medeverdachte 5] plaatsvond.

De rechtbank kan dit echter niet vaststellen omdat de verklaringen van de Twentenaren elkaar tegenspreken. Zo heeft [naam 6] verklaard dat [verdachte] in het eerste gesprek op 28 maart 2007 € 12 á 13 miljoen heeft gevraagd, maar [naam 7] heeft daarentegen verklaard dat [verdachte] helemaal geen vraagprijs heeft genoemd en dat ze het tijdens de bespreking op 16 april 2007 niet over geld hebben gehad. [verdachte] heeft ontkend dat er over een vraagprijs is gesproken. Omdat de verklaringen van de Twentenaren elkaar tegenspreken, kan niet worden vastgesteld dat over een koop is gesproken, laat staan welke exacte prijs door [verdachte] is gevraagd of door de Twentenaren is geboden.

Evenmin kan uit het mogelijke bod van vastgoedondernemer [naam 2] worden afgeleid dat [verdachte] wist dat [naam B.V. 5] meer waard was. [naam 2] heeft € 2 miljoen geboden voor het onroerend goed, maar dat is een lagere prijs dan € 2.350.000,-. [naam 2] heeft tevens verklaard dat het bod niet was onderbouwd en dat het een schot voor open doel was. Door de officier van justitie is ook nog gewezen op een brief van [naam 2] , waarin [naam 2] zegt dat hij ideeën en contacten heeft waardoor een redelijke opbrengst van € 8 á 9 miljoen gerealiseerd kan worden. Deze brief kan echter niet worden gezien als een bod op [naam B.V. 5] .

Dan is er nog gewezen op de verklaring van [naam 8] , waaruit zou blijken dat [verdachte] een vraagprijs van € 3 á 4 miljoen heeft genoemd. [naam 8] zegt dat [verdachte] deze vraagprijs heeft genoemd in februari 2005, maar dit is voordat het taxatierapport uit 2005 door [medeverdachte 2] is opgemaakt (het [medeverdachte 2] taxatierapport dateert van 31 maart 2005). Dat [verdachte] – voordat hij kennis had van het [medeverdachte 2] taxatierapport van 2005 – een hoger bod zou hebben genoemd kan dus niet meewegen voor het bewijs.

Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat de transactie onzakelijk was en daarmee opzettelijk onjuist aangifte vennootschapsbelasting is gedaan in [naam B.V. 2] en/of [naam B.V. 1] . Evenmin kan zij dat vaststellen ten aanzien van de inkomstenbelasting van [verdachte] in privé.

Conclusies ten aanzien van feit 1, 2 en 3

Nu er onvoldoende bewijs is dat [naam B.V. 5] tegen een onzakelijke prijs is verkocht, kan ook niet worden vastgesteld dat de vennootschappen [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] te weinig vennootschapsbelasting hebben betaald. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [verdachte] te weinig inkomstenbelasting heeft betaald. [verdachte] wordt dus vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan het doen van onjuiste aangiftes vennootschapsbelasting (feit 1) en het onjuist doen van aangifte inkomstenbelasting (feit 3).

Uit de aangifte van [naam B.V. 5] blijkt – zoals eerder vermeld - dat het bedrag van € 2.350.000,- als heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting is genomen. De taxatie die hieraan ten grondslag lag, wijkt daar niet substantieel van af. Gelet hierop kan niet bewezen dat [naam B.V. 5] een onjuiste aangifte voor de overdrachtsbelasting heeft gedaan. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van het feitelijk leidinggeven aan dan wel het (mede)plegen van het doen van onjuiste aangifte overdrachtsbelasting (feit 2).

Feit 5 – Het witwassen

Voor een veroordeling voor witwassen is vereist dat vaststaat dat het voorwerp – in dit geval de aandelen – afkomstig is uit enig misdrijf. Uit het dossier blijkt dat de aandelen zijn gekocht met een geldbedrag dat indirect afkomstig is van de verkoop van de aandelen van [naam B.V. 5] en [naam B.V. 4] in 2008 door [medeverdachte 1 ] De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de koopsom een criminele herkomst heeft omdat de overeenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] in 2007 een schijnovereenkomst is waardoor sprake is van meerdere strafbare feiten. Zoals hiervoor al is overwogen, kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een onzakelijke transactie en evenmin dat sprake is van valsheid in geschrift. Nu de onzakelijkheid van de overeenkomst tussen [verdachte] en [medeverdachte 5] niet kan worden vastgesteld, is ook geen sprake van een schijnovereenkomst zoals door de officier van justitie wordt gesteld. De feiten die door de officier van justitie aan het witwasverwijt ten grondslag worden gelegd, zoals oplichting en verduistering, kunnen hierdoor ook niet bewezen worden. Nu niet is komen vast te staan dat [naam B.V. 5] als object uit misdrijf is verkregen, kan ook niet worden vastgesteld dat de opbrengst die [medeverdachte 1 ] in 2008 heeft verkregen uit de verkoop van de aandelen van [naam B.V. 5] en [naam B.V. 4] aan de Twentenaren uit misdrijf afkomstig is. Dat betekent dat evenmin kan worden vastgesteld dat de aandelen – die uiteindelijk indirect van die opbrengst zijn gekocht – door [medeverdachte 1 ] middellijk uit misdrijf zijn verkregen. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van het feitelijk leidinggegeven aan witwassen.

Voorwaardelijk verzoek

Omdat verdachte wordt vrijgesproken komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van de raadsman om notarissen als getuige te laten horen.

Algehele conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen wat aan [verdachte] onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 is ten laste gelegd. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van alle feiten.

4 Beslag

Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    358.00 stuks aandelen op naam, nrs 451 t/m 665(215 stk) en nrs 666 t/m 808 (143stk);

  • -

    9560.00 stuks aandelen op naam, nrs 12332 t/m 14820 + 28041 t/m 32816 + 32817 t/m 36000;

  • -

    9560.00 stuks aandelen op naam, nrs 13221 t/m 14820 + 28041 t/m 32816 + 32817 t/m 36000.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde in beslag genomen voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

  • -

    358.00 stuks aandelen op naam, nrs 451 t/m 665(215 stk) en nrs 666 t/m 808 (143stk);

  • -

    9560.00 stuks aandelen op naam, nrs 12332 t/m 14820 + 28041 t/m 32816 + 32817 t/m 36000;

  • -

    9560.00 stuks aandelen op naam, nrs 13221 t/m 14820 + 28041 t/m 32816 + 32817 t/m 36000.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Eichperger, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en F.W. Pieters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 april 2019.

1 D-187, pag. 3964.

2 ECLI:NL:RBROT:2009:BI3153.