Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2405

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
13/684385-18, 13/177352-16 (TUL) en 23/000423-18 (TUL
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij het plegen van een diefstal uit een woning, door met een auto voor de woning op de uitkijk te staan en de vlucht mogelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684385-18, 13/177352-16 (TUL) en 23/000423-18 (TUL)

Datum uitspraak: 28 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het (post)adres

[adres 1] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2019. Verdachte was daarbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R.A. Kloos, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J. Gunning, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – tenlastegelegd dat hij

op 14 september 2018 samen met een ander, althans alleen, een woninginbraak heeft gepleegd, waarbij hij zich de toegang tot de woning heeft verschaft door middel van braak (primair) dan wel medeplichtigheid daaraan (subsidiair) door op de uitkijk te staan, zijn auto ter beschikking te stellen en door de mededaders te vervoeren naar de plaats van het misdrijf.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid bewezen kan worden en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Vaststaat dat in de woning van aangeefster (hierna: [persoon 1] ) is ingebroken. Een aantal getuigen die bij de school aan de overkant van de straat stonden, hebben de inbraak zien gebeuren. Daarnaar gevraagd beschrijven zij twee mannen die uit de ingeslagen ruit stappen en zij zien een man die als bestuurder in een auto zit met draaiende motor en toeterde. Eén van de mannen die uit de ruit stapt, stapt bij de bestuurder in de auto. Een deel van het kenteken wordt genoemd.

Verdachte wordt aangehouden op basis van een deel van het kenteken en het opgegeven signalement waaraan hij voldoet. Bij verdachte wordt een trui aangetroffen met daarop het DNA van medeverdachte [medeverdachte] . Bij de rechter-commissaris wordt door verdachte een ongeloofwaardige verklaring afgelegd, inhoudende dat hij toevallig voor de deur stond van [persoon 1] , een vrouw die hij goed kent, waar toevallig een inbraak plaatsvond. Verdachte heeft duidelijk contact gehad met de medeverdachte doordat hij heeft getoeterd en medeverdachte [medeverdachte] vervolgens bij hem in de auto is gestapt. Gelet op de feiten en omstandigheden die uit het procesdossier zijn gebleken, kan worden bewezen dat een voltooide woninginbraak heeft plaatsgevonden, waaraan verdachte medeplichtig is geweest door de mededaders daar te brengen, daar op de uitkijk te staan en vervolgens één van hen mee te nemen. Op grond van het voorgaande dient het subsidiaire feit te worden bewezen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte is de straat in gereden en heeft daar geparkeerd omdat hij een vriend wilde ophalen. Ongeveer tegelijkertijd zag hij twee jongens uit het raam klimmen van de woning van een goede bekende van hem. Verdachte heeft getoeterd om de personen te verjagen en vervolgens is hij achter hen aan gereden. Zijn verklaring strookt met wat door getuigen is gezien. De verklaring van getuige [naam getuige] , die heeft verklaard gezien te hebben dat iemand bij verdachte instapte, is onbetrouwbaar nu dit door anderen niet is gezien en verdachte bij zijn aanhouding alleen in de auto zat. De verklaring van verdachte wordt verder door niets in het dossier weersproken. Dat [persoon 1] en haar zoon bekenden van verdachte waren, wordt bevestigd door de getuigenverhoren van aangeefster en haar zoon. Verdachte is al jaren een bekende van de familie en kwam geregeld in de woning.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsman niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak nu daartoe wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

3.3.2

Waardering van het bewijs

De rechtbank is evenwel van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen, verdachte medeplichtig is geweest bij het plegen van de diefstal, zoals subsidiair is tenlastegelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het procesdossier is gebleken dat verdachte door meerdere getuigen is gezien in de auto, met draaiende motor voor de woning waar de inbraak plaatsvond. Verdachte heeft getoeterd, waarna de twee inbrekers het raam uitstapten en één van hen bij verdachte in de auto is gestapt. Dit laatste wordt ondersteund doordat DNA-materiaal van medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen op een trui die in de auto van verdachte lag. In de buidel van een tweede aangetroffen trui zaten werkhandschoenen en daarnaast is er een schroevendraaier in de auto aangetroffen. Het handelen van verdachte kan op grond van het voorgaande, naar de uiterlijke verschijningsvorm, niet anders worden gezien dan dat verdachte op de uitkijk stond, een signaal gaf aan de inbrekers en vervolgens één van hen meenam om de vlucht mogelijk te maken. Hieruit volgt de medeplichtigheid van verdachte.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande dus geen geloof aan het alternatieve scenario dat door verdachte is geschetst. Nu uit het dossier niet volgt dat verdachte en de mededaders betrokken zijn geweest bij het vernielen van het raam, wordt verdachte ten aanzien van het in dit verband tenlastegelegde onderdeel braak vrijgesproken van de medeplichtigheid hieraan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat

ten aanzien van het subsidiaire feit:

[medeverdachte] 1 op 14 september 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [adres 2] , heeft weggenomen een kluisje en een flesje parfum van het merk Guess, toebehorend aan een ander dan aan hem of zijn mededader, bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op

14 september 2018 te Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft, door op de uitkijk te staan in de omgeving van de plaats van voor omschreven misdrijf en een auto, Renault Megane, met kenteken [kenteken] , ter beschikking te stellen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straf

5.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. Daarnaast dienen beide vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen te worden toegewezen.

5.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op de bepleitte vrijspraak, geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij het plegen van een diefstal uit een woning, door met een auto voor de woning op de uitkijk te staan en de vlucht mogelijk te maken. Hiermee heeft verdachte het plegen van vermogensdelicten bevorderd en geen enkel respect getoond voor andermans eigendom noch voor de persoonlijke leefomgeving van anderen. Verdachte kende de bewoners al jaren, en ze kwamen zelfs bij elkaar over de vloer. Verdachte heeft hiermee het vertrouwen van de bewoners geschaad en heeft uitsluitend oog gehad voor zijn persoonlijk financieel gewin. Bovendien brengt een diefstal uit een woning, naast onrustgevoelens ook financiële schade voor de bewoners met zich mee.

Ook heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 19 februari 2019 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Genoemde oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en worden regelmatig geactualiseerd. Bij de toepassing van deze oriëntatiepunten is uitgegaan van “een woninginbraak” met veelvuldige recidive waar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op staat voor de duur van zeven maanden. De rechtbank houdt er in dit verband rekening mee dat het gaat om de strafverminderende deelnemingsvariant medeplichtigheid waardoor de straf met een derde moet worden verminderd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank acht een gevangenisstraf gerechtvaardigd van vijf maanden.

6 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[persoon 1] heeft een totaalbedrag van € 3304,39 aan schadevergoeding gevorderd, bestaande uit € 3004,39 aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

6.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering ten aanzien van de materiële schadeposten die zien op de kluis, het noodraam en het werkverzuim dient te worden toegewezen. Ten aanzien van de nep Rolex is de vordering onvoldoende onderbouwd en voor wat betreft de schadepost die ziet op de reparatiekosten van het raam en het kozijn dient het bedrag gematigd te worden tot een bedrag van € 1000,00. Het toewijsbare bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] zijn hiervoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor het overige dient [persoon 1] niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de door hem bepleitte vrijspraak, aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Subsidiair dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard nu deze onvoldoende is onderbouwd nu wordt gesproken over kosten die feitelijk (nog) niet zijn gemaakt.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreekse schade is toegebracht voortvloeiende uit het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht de schadeposten die zien op de kluis en het noodraam voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Het gaat dan om een bedrag van € 177,21. De rechtbank zal dit bedrag dan ook hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 14 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van de posten die zien op de nep Rolex en het noodraam nu verdachte is vrijgesproken van medeplichtigheid op de onderdelen die zien op de diefstal van het nep Rolex horloge en de braak van het raam. Daarnaast zal zij tevens niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering ten aanzien van de gevorderde immateriële schade aangezien [persoon 1] niet thuis was ten tijde van de diefstal en niet is vastgesteld dat de psychische klachten die zij stelt te hebben een rechtstreeks gevolg zijn van de diefstal.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de materiële schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 177,21 (honderdzevenenzeventig euro en eenentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

7 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (TUL)

Bij de stukken bevindt zich de op 18 februari 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/177352-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 9 mei 2017 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur, met bevel dat van deze straf geheel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (TUL)

Bij de stukken bevindt zich de op 18 februari 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/000423-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 8 augustus 2018 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 3 weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 48 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het subsidiaire feit:

medeplichtigheid aan diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden.

Wijst de vordering van [persoon 1] toe tot een bedrag van € 177,21 (honderdzevenenzeventig euro en eenentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] € 177,21 (honderdzevenenzeventig euro en eenentwintig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 3 (drie) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 9 mei 2017 met parketnummer 13/177352-16, namelijk een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 50 uur.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 8 augustus 2018 met parketnummer 23/000423-18, namelijk een gevangenisstraf van 3 weken.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en J.A.A.G. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

1 [...]