Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2297

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
29-03-2019
Zaaknummer
13/654189-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarige vrouw die terechtstond voor de dood van een 72-jarige man in een woning Amsterdam in december 2017, is vrijgesproken van moord en doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654189-17 (Promis)

Datum uitspraak: 29 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1972,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 maart 2018, 12 juni 2018, 4 september 2018, 27 november 2018 en
15 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. A.L. Kwaspen en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. K.A. Kieft naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Op 17 december 2017 krijgt de politie vroeg in de ochtend een melding van een reanimatie in een woning aan het [adres] . De politieagenten treffen in de woning op nummer [huisnummer] een zwaargewonde man aan, de heer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer). Naast het slachtoffer zit een vrouw (verdachte), zij wordt aangehouden. Het slachtoffer krijgt medische hulp en wordt naar het ziekenhuis gebracht, alwaar hij korte tijd later overlijdt. Op ongeveer acht tot tien meter van de woning wordt een redelijk groot vleesmes aangetroffen. Onderzoek naar het stoffelijk overschot wijst uit dat het slachtoffer meerdere steekletsels heeft, onder meer een steekkanaal hoog aan de borst, nabij de overgang van de hals (verder: letsel A) en een steekkanaal in zijn buik (verder: letsel B). Verdachte verklaart bij de politie dat het slachtoffer na een ruzie over geld met een mes op haar af kwam en dat zij zich bij de deuropening van de woning vervolgens heeft verdedigd door het mes vast te pakken en van zich af te duwen. Daarbij heeft het slachtoffer het letsel in de buik (letsel B) opgelopen. Van de verwonding hoog aan de borst (letsel A) verklaart verdachte niks af te weten. Op vragen van de politie reageert verdachte dat het slachtoffer zichzelf mogelijk heeft neergestoken en daarna het mes heeft weggegooid op de openbare weg.

3 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat en na wijziging – ten laste gelegd dat zij zich op
17 december 2017 schuldig heeft gemaakt aan:

primair: de moord/doodslag op [slachtoffer] ;
subsidiair: de zware mishandeling van [slachtoffer] , met de dood tot gevolg.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

4 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie


De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar haar schriftelijk requisitoir – het standpunt ingenomen dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een bewezenverklaring van moord, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
De ten laste gelegde doodslag kan op grond van het dossier wel bewezen worden. Indien de rechtbank tot een ander oordeel komt, acht de officier van justitie het subsidiair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen. De officier van justitie heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Het slachtoffer is aangetroffen met steekletsel in zijn buik (letsel B) en steekletsel hoog aan de borst (letsel A). Het slachtoffer is volgens de officier van justitie overleden aan de gevolgen van het met een vleesmes toegebrachte steekletsel A. De door de verdachte afgelegde verklaringen dat zij niet verantwoordelijk is voor de fatale steekwond, acht de officier van justitie onbetrouwbaar en op onderdelen leugenachtig. De verklaringen van verdachte worden immers niet ondersteund door de onderzoeksbevindingen en verdachte verklaart bovendien wisselend op een aantal belangrijke punten. Daarnaast is het door verdachte geschetste scenario, inhoudende dat de dodelijke verwonding hoog aan de borst (letsel A) door het slachtoffer zelf of een onbekende derde is toegebracht, volstrekt onwaarschijnlijk. De officier van justitie concludeert daarmee dat het verdachte moet zijn geweest die zowel het steekletsel in de buik (letsel B) als het letsel hoog aan de borst (letsel A) heeft toegebracht.

5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – onder verwijzing naar haar pleitnota – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de primair ten laste gelegde moord/doodslag als de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

De verklaringen van verdachte zijn direct na het incident afgelegd, zijn consistent en vinden steun in de onderzoeksresultaten uit het dossier. Daarmee dienen de verklaringen van verdachte als betrouwbaar te worden beoordeeld. Het dossier bevat geen directe bewijsmiddelen dat verdachte het fatale letsel hoog aan de borst (letsel A) heeft toegebracht en er zijn contra-indicaties voor het daderschap van verdachte ten aanzien van dat specifieke letsel. Daarnaast kan op grond van het dossier het alternatieve scenario zoals door de verdachte gepresenteerd niet als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden geschoven.
Indien de rechtbank het verweer van de verdediging volgt, en verdachte alleen verantwoordelijk houdt voor het toebrengen van het letsel in de buik (letsel B), is ten aanzien van dat letsel geen sprake van opzet. Gelet op de verklaring van verdachte over het incident kan immers niet worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het mes in de buik van het slachtoffer zou gaan en hij als gevolg daarvan zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde, zal de rechtbank hieronder ingaan op de doodsoorzaak van het slachtoffer, de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte en het bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het toebrengen van het fatale letsel.

Doodsoorzaak

Het slachtoffer is op 17 december 2017 in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. Naar aanleiding van het overlijden is onderzoek verricht aan het lichaam van het slachtoffer. Daarbij zijn drie steekletsels aangetroffen. Een steekletsel hoog aan de borst (letsel A/traject 1), een steekletsel laag aan de borst rechts, net boven de overgang naar de buik (letsel B/traject 2) en een steekletsel in de linkerelleboogsplooi dat geen bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden.

Ten aanzien van de doodsoorzaak zijn de volgende bevindingen in het dossier opgenomen.

Arts en patholoog (hierna: patholoog) dr. V. Soerdjbalie-Maikoe van het Nederlands Forensisch Instituut concludeert in haar rapport van 1 maart 2018 het volgende:
In relatie met letsel A aan de borst/hals rechts was er een perforatie van de rechtersleutelbeenader, hetgeen doorgaans gepaard gaat met ernstig bloedverlies. Omwille van de anatomische lokalisatie van dit bloedvat, zijn laceraties van dit bloedvat zeer moeilijk behandelbaar bij een reanimatie, hetgeen de kans op een fatale afloop enorm doet toenemen. Bij sectie waren tekenen van bloedverlies. Het intreden van de dood wordt hiermee verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van doorgemaakt bloedverlies in combinatie met circulatiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen, opgelopen door bovengenoemd steekletsel. Ook kan op basis van de perforatie van de sleutelbeenader lucht in het aderlijk systeem zijn aangezogen, hetgeen de bij sectie vastgestelde luchtembolie kan hebben veroorzaakt. Een luchtembolie kan aanleiding geven tot circulatiestoornissen en daarmee hebben bijgedragen aan het intreden van de dood (dus als verwikkeling van steekletsel A).

Conclusie
Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , oud 72 jaren, wordt het intreden van de dood hoofdzakelijk verklaard door de gevolgen van één, bij leven opgelopen, steekletsel aan de borstwand/hals rechts.
Voorts was in relatie met een steekletsel aan de borstkas rechts laag het hart (de hartpunt) geraakt, doch was geen perforatie van het binnenste hartvlies. Of deze steek een hartritmestoornis heeft veroorzaakt en daarmee tevens een rol heeft gespeeld bij het overlijden, kan bij sectie niet worden vastgesteld.

Radioloog prof. dr. P.A.M. Hofman van het Maastricht Universitair Medisch Centrum concludeert in zijn rapport van 9 mei 2018 het volgende:

Overweging en conclusie

Er zijn radiologische tekenen van penetrerende letsels: een traject verloopt van hoog rechts op de borst tot in de rechter oksel. In het verloop van dit traject is er letsel van de oksel ader en er is enig bloedverlies in de weke delen van de oksel. Een tweede traject verloopt vanuit de rechter bovenbuik tot in de onderste holle ader. Er bevindt zich veel lucht in het rechter hart.

De doodsoorzaak is zeer waarschijnlijk een luchtembolie vanuit het letsel in de onderste holle ader (in het verloop van traject 2). Het bloedverlies ten gevolge van het letsel van de vena axilaris (in het verloop van traject 1) kan mogelijk hebben bijgedragen tot de dood. De penetrerende letsels rond de linkerelleboog hebben geen bijdrage geleverd aan het overlijden.

De patholoog en radioloog verschillen in hun rapporten dus van mening over de doodsoorzaak. Om die reden zijn zij opgeroepen om ter terechtzitting van 15 maart 2019 een toelichting te geven op hun onderzoeksbevindingen.

De patholoog, dr. Soerdjbalie-Maikoe, heeft ter terechtzitting als deskundige verklaard dat zij de conclusies uit haar rapport handhaaft. De bevindingen uit de sectie (onder meer bleekheid, weinig lijkvlekken en bloedarme organen) ondersteunen een hypovolemische shock ten gevolge van een perforatie van de okselader/sleutelbeenader, wat gepaard gaat met ernstig bloedverlies. Bij de sectie is met betrekking tot letsel B geen perforatie van de onderste holle ader waargenomen; deze was puntgaaf. Wel waren onder andere het hartzakje en de hartspier ter plaatse van de hartpunt geperforeerd. Verder is een luchtembolie geconstateerd in het hart. Deze is mogelijk ontstaan bij de perforatie van de sleutelbeenader als gevolg van steekletsel A. Deze kan echter niet ontstaan zijn door letsel B, nu de onderste holle ader niet was geperforeerd.

Voorts heeft de patholoog verklaard dat zij, naast het verrichten van een sectie aan het lichaam van het slachtoffer, eveneens heeft meegewogen wat de bevindingen waren van de schouwarts en het mobiel medisch team dat het slachtoffer heeft bijgestaan. Het mobiel medisch team heeft een hypovolemische shock geconstateerd, hetgeen past bij ernstig bloedverlies ten gevolge van letsel A.

De patholoog persisteert bij haar conclusie dat letsel A het overlijden heeft veroorzaakt.

De radioloog, prof. dr. Hofman, heeft ter terechtzitting als deskundige eveneens verklaard dat hij de conclusies uit zijn rapport handhaaft, te weten dat de onderste holle ader geperforeerd was en dat dit waarschijnlijk tot een luchtembolie heeft geleid. Er is op de scan geen perforatie van de hartspier waargenomen, zoals gesteld door de patholoog. De radioloog heeft – kort gezegd – onder meer naar voren gebracht dat een luchtembolie in verband met hartfunctiestoornissen acuter tot de dood leidt dan ernstig bloedverlies. De aanzuigende werking van een ader is hoger wanneer deze dichter deze bij het hart ligt. Hierdoor is de kans op een luchtembolie op grond van een perforatie van de onderste holle ader groter dan bij een perforatie van de okselader/sleutelbeenader. De negatieve druk is immers groter bij de onderste holle ader. De radioloog persisteert bij zijn conclusie dat letsel B het overlijden heeft veroorzaakt. De radioloog heeft desgevraagd aangegeven dat letsel A op zichzelf tot de dood kan hebben geleid.

De rechtbank stelt vast dat de in dit onderzoek betrokken deskundigen tot tegengestelde conclusies komen met betrekking tot de doodsoorzaak van het slachtoffer. Van doorslaggevend belang is de vraag of letsel B wel of niet heeft geleid tot de perforatie van de onderste holle ader. Voor de rechtbank is voorts van belang welke onderzoeksmethodieken de deskundigen hebben gebruikt om tot hun conclusies te komen. De deskundigen zijn op dit punt eveneens ondervraagd.

De radioloog heeft verklaard dat forensisch radiologisch onderzoek de afgelopen jaren steeds vaker wordt toegepast en tot betrouwbaar onderzoek en nauwkeurige uitkomsten leidt. Radiologisch onderzoek als aanvulling op een uitwendige schouw en een toxicologisch onderzoek vormt een volledig onderzoek. Radiologisch onderzoek wordt verricht op basis van MRI-scans, welke nauwkeurig door de radioloog worden bekeken.

De patholoog heeft verklaard dat tijdens een sectie het stoffelijk overschot uitvoerig wordt onderzocht en de bevindingen eveneens worden vergeleken met het overige medische onderzoek, zoals in dit geval de bevindingen van de schouwarts en het mobiel medisch team. Het radiologisch onderzoek kan volgens de patholoog een goede aanvulling zijn op een sectie, maar het kan niet leiden tot een op zichzelf staand, volledig onderzoek. De praktijk leert dat er geregeld belangrijke bevindingen worden gemist bij toepassing van radiologisch onderzoek, terwijl deze wel bij een sectie worden blootgelegd. Ook worden er soms conclusies getrokken aan de hand van radiologisch onderzoek die niet worden ondersteund door een sectie. Radiologisch onderzoek zonder aanvullend onderzoek kan, kort gezegd, leiden tot vals negatieve en vals positieve bevindingen. Dit wordt onderschreven in wetenschappelijke publicaties en peer reviews.

De nadere uitleg ter terechtzitting leidt er toe dat de rechtbank, evenals de officier van justitie en de verdediging, de conclusies van de patholoog volgt. Doorslaggevend daarbij is dat de patholoog haar conclusies niet alleen heeft gebaseerd op haar eigen waarnemingen, maar dat ook de bevindingen van de schouwarts en het mobiel medisch team hierbij zijn betrokken.

De rechtbank concludeert dan ook dat de dood van het slachtoffer is veroorzaakt door het steekletsel A.

Bovenstaande conclusie leidt ertoe dat verdachte alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor de primair ten laste gelegde moord/doodslag, indien bewezen kan worden dat zij steekletsel A aan het slachtoffer heeft toegebracht. Voor de beantwoording die vraag zal de rechtbank ingaan op de inhoud van het dossier en de verklaringen van verdachte.

Voorbedachte raad

Voordat verder in zal worden gegaan op de vraag of verdachte betrokkenheid heeft bij letsel A, overweegt de rechtbank – met de officier van justitie en de raadsvrouw – dat het dossier in ieder geval geen aanknopingspunten biedt voor voorbedachte raad. Nu dit ontbreekt, moet vrijspraak volgen voor de ten laste gelegde moord.

Verklaringen verdachte

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van verdachte als wisselend, onbetrouwbaar en op bepaalde onderdelen leugenachtig moeten worden aangemerkt.

Zo heeft verdachte tegenover de medewerker van de meldkamer en direct nadat zij was aangehouden tegen de politieagenten verklaard dat het slachtoffer zichzelf (in de buik) heeft gestoken, terwijl verdachte pas in het tweede politieverhoor naar voren brengt dat er een incident tussen haar en het slachtoffer heeft plaatsgevonden waarbij het mes in de buik van het slachtoffer terecht is gekomen.

Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte wisselend heeft verklaard over de wijze waarop zij het mes heeft beetgepakt en over de positie waarin het slachtoffer zich na het steken bevond. Ook vindt de officier van justitie het onaannemelijk dat verdachte langer dan enkele seconden geen zicht had op het slachtoffer, dat verdachte niets heeft gehoord, dat verdachte geen bloed heeft gezien en dat er geen sleepsporen zijn aangetroffen.

De rechtbank merkt op dat verdachte op bepaalde onderdelen van haar verhaal niet altijd geheel consistent heeft verklaard. Maar als het gaat om de kern van haar verklaring, heeft verdachte vanaf het eerste moment wel consistent verklaard. De inconsistenties in haar verklaringen die wel zijn geconstateerd (bijvoorbeeld over de vraag wat verdachte tegen de hulpdiensten zou hebben gezegd ten opzichte van wat zij later over het incident heeft verklaard) vindt de rechtbank echter niet van dusdanige aard dat sprake is van een onbetrouwbare of zelfs leugenachtige verklaring. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte tijdens het overbrengen onsamenhangend sprak en een verwarde indruk op de politie maakte. Voor wat betreft de wijze waarop verdachte het mes heeft beetgepakt, stelt de rechtbank vast dat verdachte wel wisselend of in elk geval niet ondubbelzinnig heeft verklaard. Zo heeft zij tijdens de reconstructie van haar strubbeling met het slachtoffer voorgedaan hoe zij het lemmet van het mes met beide handen heeft vastgepakt met de vingers van haar rechterhand om de scherpe (onder)kant van het lemmet heen. Daarbij zij wel opgemerkt dat deze ‘reconstructie’ met een pen plaatsvond en niet met een voorwerp soortgelijk aan het steekwapen, namelijk een redelijk groot vleesmes. De resultaten van deze ‘reconstructie’ acht de rechtbank dan ook niet doorslaggevend. Tijdens een later verhoor en ter zitting heeft verdachte verklaard en aan de hand van een gefabriceerd vleesmes, soortgelijk aan het steekwapen, gedemonstreerd dat zij het lemmet met beide handen alleen aan de bovenkant (zijnde de niet-scherpe kant) van het lemmet heeft vastgepakt. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat de verwondingen die bij verdachte zijn geconstateerd, door de forensisch arts aangeduid als afweerletsels, hierbij passen. Verdachte heeft steeds verklaard dat zij het lemmet (en dus niet het handvat) heeft beetgepakt en weggeduwd, waarna het vervolgens in de buik van het slachtoffer terecht is gekomen. De rechtbank gaat er dan ook van uit, ongeacht op welke wijze verdachte het lemmet precies heeft vastgepakt, dat de strubbeling met het mes tussen verdachte en het slachtoffer heeft geleid tot steekletsel B.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting voor wat betreft het toebrengen van het steekletsel B voldoende betrouwbaar en gaat zij uit van de juistheid daarvan.

Bewijs voor betrokkenheid bij toebrengen steekletsel A?

Verdachte heeft verklaard dat zij, na de strubbeling met verdachte waarbij het slachtoffer steekletsel B heeft opgelopen, weer de woning is ingegaan om haar handen te wassen en haar spullen te pakken. Hierna trof zij het slachtoffer bewusteloos aan waarna zij de hulpdiensten heeft gebeld en heeft getracht het slachtoffer te reanimeren. Verdachte heeft de politie gewezen op het vleesmes dat op de openbare weg lag. Verdachte heeft verklaard geen andere verwondingen (dan steekletsel B) bij het slachtoffer te hebben gezien. Verdachte heeft steeds ontkend dat zij steekletsel A heeft toegebracht, zowel tijdens de politieverhoren als tijdens afgeluisterde telefoongesprekken en opgenomen vertrouwelijke communicatie, maar ook ter zitting. Op vragen van de politie hoe steekletsel A dan is toegebracht heeft verdachte gesuggereerd dat het slachtoffer deze verwonding mogelijk zelf heeft toegebracht. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het slachtoffer heel vaak zou hebben gezegd dat hij geen zin meer had in het leven. Een andere mogelijkheid zou volgens haar zijn dat een onbekende derde persoon deze verwonding heeft toegebracht, nu het slachtoffer in de deuropening stond welke grenst aan de openbare weg.

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen direct bewijs volgt voor enig feitelijk handelen van de verdachte met betrekking tot het toebrengen van steekletsel A. Zo is er bijvoorbeeld geen DNA van verdachte aangetroffen op het heft van het vleesmes en is geen forensisch bewijs dat het mes zou zijn schoongemaakt.

Verdachte heeft steeds, stellig en consequent, verklaard dat het letsel A niet door haar toedoen is toegebracht, en heeft ook steeds verklaard niet te weten hoe het wel is ontstaan, omdat zij niet de hele tijd zicht heeft gehad op het slachtoffer.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat zij de verklaring van verdachte met betrekking tot het toebrengen van letsel B voldoende betrouwbaar acht. De rechtbank overweegt verder dat een groot deel van de verklaringen van verdachte zijn afgelegd voordat de inhoud van het volledige dossier bekend was en de bevindingen op grond van de forensische opsporing onvoldoende aanleiding geven om met zekerheid te kunnen vaststellen dat haar verklaringen niet overeen kunnen komen met de waarheid. De verklaring van verdachte dat zij het lichaam van het slachtoffer naar binnen heeft getrokken en hem heeft omgedraaid, kan bijvoorbeeld op basis van de onderzoeksresultaten en de beschikbare foto’s niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven. Hetzelfde geldt voor haar verklaring dat zij niet de hele tijd zicht op het slachtoffer heeft gehad: uit de beschikbare foto’s valt af te leiden dat de afscheiding in de woning door middel van een harmonicadeur het zicht op het slachtoffer heeft kunnen ontnemen. Anders dan de officier van justitie stelt, bevat het dossier dus geen bewijs voor (kennelijke) leugenachtigheid.

In de beantwoording van vragen wat dan wél de toedracht kan zijn geweest, heeft verdachte vervolgens scenario’s aangedragen, waarbij de rechtbank vaststelt dat geen van die scenario’s ook daadwerkelijk door verdachte is waargenomen. Anders dan de constatering van de patholoog dat het fysiek mogelijk is geweest voor het slachtoffer om steekletsel A bij zichzelf toe te brengen, bevat het dossier evenmin aanknopingspunten welke een mogelijk alternatief scenario kunnen onderbouwen.

Gelet op deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld hoe steekletsel A aan het slachtoffer is toegebracht. De rechtbank kan op basis van dit dossier dus niet vaststellen wat er op 17 december 2017 precies is gebeurd rond de dood van het slachtoffer. Dit betekent niet dat het dossier ontlastend is voor verdachte, maar wel dat het onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte steekletsel A bij het slachtoffer zou hebben toegebracht.

Conclusie
Samenvattend komt de rechtbank tot de conclusie dat:

  • -

    het slachtoffer is overleden als gevolg van steekletsel A;

  • -

    de verklaringen van verdachte niet als onbetrouwbaar en/of leugenachtig terzijde kunnen worden geschoven;

  • -

    het dossier onvoldoende bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte de fatale verwonding (steekletsel A) heeft toegebracht.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dan ook dat verdachte vanwege een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer] .

5.3.2

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer een vleesmes had gepakt en stekende bewegingen in haar richting maakte. Vervolgens heeft verdachte het mes bij het lemmet gepakt en in de richting van het slachtoffer geduwd, waarbij zij voelde dat het mes zijn buik binnendrong. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het subsidiair ten laste gelegde nu geen sprake zou zijn van opzet.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt het volgende.

Het bestanddeel ‘opzettelijk’ omvat alle gradaties van opzet, inclusief het voorwaardelijk opzet. Bij voorwaardelijk opzet is sprake van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans. De vraag is wanneer sprake is van een aanmerkelijke kans. Volgens de Hoge Raad is dit afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Naast het betrekken bij het oordeel van de aard van het geval en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, moet het gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan deze kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Verdachte heeft in een strubbeling met het slachtoffer het mes gepakt en daarbij in een dynamische situatie het mes weggeduwd in de richting van het slachtoffer. Het betreft hier een redelijk groot vleesmes. De gedragingen van verdachte zijn daarmee naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer geschikt tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat het met een dergelijk mes steken in vitale lichaamsdelen, zoals hier de buikstreek, een aanmerkelijk risico op zwaar letsel met zich brengt. Dit blijkt in dit geval ook nu door steekletsel B in de buik van het slachtoffer de hartspier is geraakt. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte zich hiervan bewust is geweest en daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben.

De rechtbank acht daarmee de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling bewezen.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 17 december 2017 te Amsterdam, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in de buik) heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet met een mes, in de buik, te steken en/of te snijden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

7.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat sprake is van noodweer en dat verdachte ten aanzien van het toebrengen van het letsel in de buik dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Doordat het slachtoffer op zeer korte afstand van verdachte met een mes stekende bewegingen heeft gemaakt, is sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, of in ieder geval een reële dreiging daarvan, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Van verdachte mocht onder de omstandigheden niet worden gevergd dat zij zich aan de aanranding moest onttrekken. Verdachte heeft zich proportioneel verdedigd door het mes van zich af te duwen, hetgeen in redelijk verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Daarmee is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. Het beroep op noodweer dient daarmee te slagen.

7.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een noodweersituatie. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Er is geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Als de verklaring van verdachte al moet worden gevolgd, is er sprake geweest van een bedreiging en niet van een wederrechtelijk aanranding of de redelijke vrees daarvoor.
Indien de rechtbank oordeelt dat wel sprake is van een ogenblikkelijke aanranding, wordt niet voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Verdachte had immers alle gelegenheid om zich aan de aanranding te onttrekken, nu zij verklaart dat zij al met één been buiten stond. In plaats van weg te lopen heeft verdachte ervoor gekozen om het mes beet te pakken en het slachtoffer in zijn buik te steken.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Voor het aannemen van een noodweersituatie is noodzakelijk dat aannemelijk wordt dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederechtelijke aanranding waartegen verdachte zich heeft verdedigd. Deze verdediging moet dan vervolgens ook noodzakelijk en proportioneel zijn.

De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte vast dat het slachtoffer tegen haar had gezegd dat zij de woning moest verlaten. Verdachte heeft dit verzoek niet opgevolgd omdat zij nog geld van het slachtoffer zou krijgen. Het slachtoffer zou vervolgens een mes hebben gepakt. Met de officier van justitie constateert de rechtbank dat uit de verklaringen van verdachte niet volgt dat gedurende deze eerste fase, het moment dat het slachtoffer het mes heeft gepakt en in de woonkamer met het mes liep, sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Verdachte verklaart immers dat zij tegen verdachte heeft gezegd “je gaat mij niet steken voor dit” en “laat mij gewoon mijn spullen pakken dan ga ik weg”. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat zij zich in eerste instantie veilig voelde en dat zij niet bang was.

Verdachte verklaart vervolgens dat het slachtoffer in haar richting kwam lopen en dat hij, terwijl verdachte al in de deuropening stond, van dichtbij stekende bewegingen in de richting van haar lichaam heeft gemaakt. Verdachte heeft verklaard dat zij toen wel bang was. De rechtbank concludeert dat gedurende deze tweede fase, die zeer kort op de eerste fase volgde, wel een situatie van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding kan worden aangenomen. Het slachtoffer heeft immers op korte afstand van het lichaam van verdachte met een mes stekende bewegingen in haar richting gemaakt.


Verdachte heeft zich vervolgens verdedigd door het mes beet te pakken en dit van zich af te wenden, in de richting van het slachtoffer. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of deze verdediging van verdachte noodzakelijk was. Vaststaat dat verdachte in de deuropening van de woning stond en naar eigen zeggen al met één voet buiten stond. De deuropening grensde aan de openbare weg. Onder deze omstandigheden was het voor verdachte goed mogelijk om zich aan de steekbewegingen van het slachtoffer te onttrekken door eenvoudigweg achteruit te stappen en vervolgens weg te rennen. Dit geldt temeer nu uit het dossier blijkt dat het slachtoffer zeer slecht ter been was (en nauwelijks een paar stappen achter elkaar kon zetten) en verdachte op de hoogte was van zijn slechte fysieke gesteldheid; zij kenden elkaar immers al meerdere jaren. Het gegeven dat verdachte nog spullen in de woning van het slachtoffer had liggen doet daar niet aan af. Verdachte had, bij vrees voor haar eigen leven, zichzelf uit de woning van het slachtoffer kunnen en moeten verwijderen. Vervolgens had zij op een andere manier de beschikking over haar persoonlijke spullen moeten verkrijgen.

Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat verdachte geen ander alternatief had dan zich te verdedigen door het mes van zich af te duwen in de richting van het slachtoffer, zodat het beroep op noodweer niet slaagt.

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

De eis van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

9.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van het steekletsel dat hij heeft opgelopen hoog aan de borst (letsel A). Ten aanzien van dat letsel kan niet worden vastgesteld hoe en door wie dit letsel is toegebracht. Daarmee kan de toedracht van het overlijden van het slachtoffer niet worden vastgesteld. De rechtbank begrijpt dat dit een zeer onbevredigende uitkomst is, met name voor de nabestaanden van het slachtoffer. De rechtbank hecht er in dit specifieke geval waarde aan dat in het vonnis te vermelden. Bovenstaande conclusie zal immers gevolgen hebben voor de straf die aan verdachte zal worden opgelegd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte wordt verantwoordelijk gehouden voor de zware mishandeling van het 72-jarige slachtoffer. Verdachte heeft tijdens een conflict met het slachtoffer een mes vastgepakt en hem daarmee gestoken in zijn buik. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig feit, waarbij zij de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op grove wijze heeft geschonden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 21 februari 2019, waaruit blijkt dat verdachte zich vaker schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank stelt vast dat het veelal gaat om vermogensdelicten en geweldsfeiten van geringere aard die verband hielden met haar verslavingsproblematiek.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het Pro Justitia Psychologisch rapport van
26 februari 2018. De psycholoog beschrijft dat verdachte lijdend is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een stoornis in alcohol- en middelengebruik. Er kan echter niet worden gesproken van een doorwerking van de stoornissen in het ten laste gelegde, nu uit het toxicologisch onderzoek is gebleken dat er slechts een geringe hoeveelheid verdovende middelen in haar lichaam aanwezig waren. De psycholoog adviseert het ten laste gelegde om die reden volledig toe te rekenen. Nu er geen betekenisverband is gevonden tussen de vastgestelde stoornissen en het strafbare feit, worden interventies in een verplicht juridisch kader niet geadviseerd. De behandeling van de problematiek van verdachte kan, mede gelet op haar houding ten opzichte van hulpverlening, op vrijwillige basis plaatsvinden.

De rechtbank heeft ten slotte acht geslagen op de reclasseringsadviezen van Tactus verslavingszorg van 6 maart 2018 en 11 december 2018. De reclassering maakt eveneens melding van het middelengebruik van verdachte en de samenhang daarvan met het plegen van strafbare feiten. In de laatste periode was er door een dagbesteding en de bewindvoering sprake van stabieler functioneren. Het recidiverisico wordt – vanwege de verslavingsproblematiek en verlies van beschermende factoren door de detentie – in hoge mate aanwezig geacht. Er wordt echter geen meerwaarde gezien in reclasseringstoezicht omdat betrokkene in staat is gebleken begeleiding en ondersteuning te organiseren en te accepteren. Daarnaast wordt geen verband gezien tussen de problematiek en het strafbare feit, waardoor er geen aanknopingspunten zijn voor bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht.

De rechtbank sluit zich aan bij de conclusies van de reclassering en de psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid en interventies. Om die reden zal aan verdachte geen voorwaardelijk strafdeel worden opgelegd.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die rechters in vergelijkbare zaken opleggen en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht met betrekking tot zware mishandeling. Als oriëntatiepunt geldt – indien sprake is van geweest van het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) – een gevangenisstraf van één jaar. De rechtbank ziet aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarvoor acht de rechtbank het van belang dat verdachte het mes zelf niet als eerste heeft gepakt. Dit wordt ook ondersteund door verklaringen in het dossier waaruit blijkt dat het slachtoffer al jaren een mes in een speciaal vak in zijn bureau had, voor het geval hij het nodig zou hebben. Verder acht de rechtbank het aannemelijk dat er sprake was van een dreigende situatie, echter verdachte heeft daarbij een verkeerde keuze gemaakt.

De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en daardoor tot een fors lagere straf dan geëist. De ernst van het door verdachte gepleegde feit rechtvaardigt evenwel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Alles afwegende wordt verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

Omdat het voorarrest van verdachte (veel) langer heeft geduurd dan de uiteindelijke strafoplegging, heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis inmiddels opgeheven.

10 Beslag

De volgende voorwerpen zijn (onder verdachte) in beslag genomen:

1. STK Computer, Hewlett Packard pent 4 (5500435)

2. 1.00 STK Geld Euro, 20 euro biljet, (5500369)

3. 1.00 STK Geld Euro, 5 euro biljet (5500675)

4. 1.00 STKN, 5 euro biljet (5513033)

5. 1.00 STK Zaktelefoon, Samsung (5500172)

6. 1.00 STK Zaktelefoon, Nokia (5500488)

7. 1.00 STK Zaktelefoon, Samsung (5500767)

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder nummer 5 genoemde voorwerp kan worden teruggegeven aan verdachte. De onder nummers 1, 6 en 7 genoemde voorwerpen dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. De onder nummers 2, 3 en
4 genoemde voorwerpen dienen in het kader van de waarheidsvinding in beslag genomen te blijven.

De raadsvrouw heeft verzocht om het onder nummer 5 genoemde voorwerp terug te geven aan verdachte. De raadsvrouw verzet zich niet tegen continuering van het beslag ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen.

Het oordeel van de rechtbank luidt als volgt.

Teruggave aan verdachte
Het onder nummer 5 genoemde voorwerp zal worden teruggegeven aan verdachte.


Bewaren ten behoeve rechthebbende

De onder nummers 1, 6 en 7 genoemde voorwerpen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Continuering beslag
Ten aanzien van de onder nummers 2, 3 en 4 genoemde voorwerpen zal geen beslissing worden genomen zodat het beslag wordt gehandhaafd ten behoeve van een eventueel hoger beroep.

11 Ten aanzien van de benadeelde partijen

11.1

De vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.254,25 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:
- reiskosten: € 1.015,75
- rouwboeket: € 75,00
- kleding overledene: € 25,00
- telefoonkosten: € 15,00
- verwerping erfenis: € 124,00

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 170,70 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit reiskosten (in verband met het bijwonen van zittingen).

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

11.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen integraal moeten worden toegewezen met daarbij de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

11.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard nu vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Subsidiair refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

11.4

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zullen in de vorderingen, met uitzondering van de gevorderde reiskosten in verband met het bijwonen van zittingen door [benadeelde partij 2] , niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit. Niet is gebleken van een direct verband tussen de gestelde schade die betrekking heeft op het overlijden van [slachtoffer] en de bewezen verklaarde zware mishandeling.

De rechtbank overweegt dat de reiskosten in verband met het bijwonen van zittingen zoals gevorderd door [benadeelde partij 2] , niet vallen onder rechtstreekse schade als bedoeld in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dergelijke kosten vallen immers onder proceskosten als bedoeld in artikel 592a Sv. De rechtbank leest de vordering van deze benadeelde partij dan ook zo, dat deze reiskosten als proceskosten worden gevorderd. De rechtbank zal deze proceskosten toewijzen tot een bedrag van €170,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2018 (eerste pro forma zitting) tot en met de dag van algehele voldoening. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de overige kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan [verdachte] (verdachte) van:

5. 1.00 STK Zaktelefoon, Samsung (5500172)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1. STK Computer, Hewlett Packard pent 4 (5500435)

6. 1.00 STK Zaktelefoon, Nokia (5500488)

7. 1.00 STK Zaktelefoon, Samsung (5500767)

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe, te weten tot een bedrag van € 170,70 (honderdzeventig euro en zeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 26 maart 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de overige kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,

mrs. M.B. de Boer en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 maart 2019.