Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:228

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
13/706674-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van een gebiedsverbod. Centrale vraag is of het gebiedsverbod voldoende kenbaar is gemaakt voor het bij verdachte vereiste opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/706674-17

Datum uitspraak: 8 januari 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 december 2018 en (sluiting op) 8 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. O.J.M. Bijl.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 november 2017 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk 1 maand gebiedsverbod, overlastgebied Centrum, krachtens een wettelijk voorschrift, te weten art. 172/172A jo. 177 Gemeentewet jo. art. 2.9(A) Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode van 04 november 2017 tot en met 03 december 2017 niet mocht bevinden in/op overlastgebied Centrum, door, zich op voornoemde datum om 01.30 uur in/op de Geldersekade, althans op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden.

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vraag die centraal staat is of verdachte wetenschap had van het door hem overtreden gebiedsverbod. Het dossier bevat een verwijderingsbevel voor de duur van een maand, een aankondiging aan verdachte dat dit bevel waarschijnlijk aan hem zou worden uitgevaardigd en een vrachtbrief waaruit volgt dat het bevel ook daadwerkelijk is bezorgd op het door verdachte opgegeven adres. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:2766) volgt dat een aankondiging in combinatie met een publicatie van het bevel in het dagblad Metro onvoldoende is om voorwaardelijk opzet bij een verdachte vast te stellen. In deze zaak ligt dat anders omdat verdachte door de politie is gewaarschuwd dat er mogelijk een bevel zal worden uitgevaardigd en hij bij die gelegenheid een adres heeft opgegeven. Uit de vrachtbrief volgt dat het bevel op dat adres is afgeleverd. Kennelijk heeft verdachte nagelaten zijn post te openen. Door zich desondanks in het verboden gebied te begeven, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het verbod zou overtreden. Verdachte heeft daarom voorwaardelijk opzet gehad op het overtreden van het aan hem opgelegde verwijderingsbevel.

3.2.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte wordt vrijgesproken. Zij overweegt daartoe als volgt.

Voor het opzettelijk niet voldoen aan een bevel, inhoudende een gebiedsverbod, moet vaststaan dat het verbod aan de verdachte bekend was.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat op 12 oktober 2017 aan verdachte is aangekondigd dat mogelijk een gebiedsverbod aan hem zou worden opgelegd. Aan verdachte is vervolgens een verwijderingsbevel voor Overlastgebied Centrum opgelegd voor een maand, gedurende de periode van 4 november 2017 tot en met 3 december 2017. Daarnaast bevat het dossier een vrachtbrief waaruit blijkt dat het bevel op 31 oktober 2017 is gedeponeerd in de brievenbus van het door verdachte opgegeven adres. Op 12 november 2017 is verdachte aangehouden in het hiervoor genoemde gebied. Bij het politieverhoor heeft verdachte verklaard dat hij niet wist van het verwijderingsbevel en dat hij de brief niet heeft ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden, ook in samenhang bezien, niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat verdachte wist dat hij niet in het door hem betreden gebied mocht komen. Uit de vrachtbrief volgt immers niet dat het verwijderingsbevel verdachte in persoon heeft bereikt (zie ook ECLI:NL:GHAMS:2018:2966). Daarnaast is slechts aangekondigd dat er een voordracht tot een verwijderingsbevel zou kunnen volgen, de uitkomst stond dus nog niet vast.

De stelling van de officier van justitie, dat het op de weg van verdachte lag om te onderzoeken of hem daadwerkelijk een bevel was opgelegd en dat met het nalaten daarvan onder de genoemde omstandigheden het bewijs van voorwaardelijk opzet is geleverd, is volgens de rechtbank onjuist. Juist bij zo een ingrijpende beslissing als het opleggen van een gebiedsverbod, dat beperkingen in de bewegingsvrijheid voor de betrokken burger meebrengt, is het aan de overheid om de betreffende persoon daarvan op de hoogte te brengen. Het voert naar het oordeel van de rechtbank te ver om in dit geval het nalaten van het doen van nader onderzoek voor rekening van verdachte te laten komen, als dat zou betekenen dat met dat nalaten het bewijs van het ten laste gelegde opzet zou zijn gegeven (zie ook ECLI:GHAMS:2016:1014 en ECLI:NL:GHAMS:2017:1660). Dat uit het strafblad van verdachte valt af te leiden dat verdachte eerder te maken heeft gehad met gebiedsverboden, maakt dit niet anders.

Andere concrete aanknopingspunten op grond waarvan verdachtes wetenschap van het bestaan van het gebiedsverbod kan worden vastgesteld ontbreken. Dat betekent dat vrijspraak moet volgen.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Bouwman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 januari 2019.