Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2271

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1199
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:4267, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepplantage is woningonttrekking

De zaak gaat – kort samengevat – over de vraag of verweerder terecht aan eiser een boete heeft opgelegd voor het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de woonruimtevoorraad. Volgens verweerder is de woning van eiser namelijk gebruikt als hennepplantage en woonde er niemand.

Niet in geschil is dat een hennepkwekerij in één van de twee slaapkamers van de woning is aangetroffen. De slaapkamer was hierdoor niet meer geschikt voor bewoning Dat niet de gehele woning werd gebruikt voor hennepteelt, is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang voor de vraag of sprake is van woningonttrekking. Door de aanwezigheid van de hennepkwekerij is sprake van een overtreding van artikel 21 van de Huisvestingswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/1199

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. M. Kashyap),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. R.H. Lo-Fo-Sang en mr. S. Bouhout).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete opgelegd en ingevorderd van € 20.500,- wegens overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 (Hvw).

Bij besluit van 8 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1. De zaak gaat – kort samengevat – over de vraag of verweerder terecht aan eiser een boete heeft opgelegd voor het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de woonruimtevoorraad. Volgens verweerder is de woning van eiser namelijk gebruikt als hennepplantage en woonde er niemand. Dit onrechtmatige gebruik van de woning is eiser als eigenaar van de woning toe te rekenen.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is sinds 16 juli 2013 eigenaar van de [woning] te Amsterdam. Naar aanleiding van meldingen over het gebruik van woningen in het [complex] is de Dienst Wonen van de gemeente Amsterdam “ [Project] ” gestart om woningen in het kader van leegstand op gebruik en/of bewoning te controleren. Ook naar de woning van eiser is (administratief- en buitendienst) onderzoek verricht en op 20 maart 2017 hebben twee buitendienstinspecteurs de woning ter controle bezocht. Volgens de Basis Registratie Personen (BRP) stond op dat moment niemand ingeschreven in de woning.

3. In het rapport van 5 april 2017, dat naar aanleiding van de controle is opgemaakt, staat vermeld dat de buitendienstinspecteurs door een vrouw de woning zijn binnengelaten. Zij heeft hen verteld dat de woning van een vriend van haar kennis is en dat het de bedoeling is dat zij er gaat wonen. Verder heeft zij verklaard dat zij [de persoon 1] is, geboren op [geboortedatum] 1985 in Brazilië. Zij heeft nog geen huurcontract, maar zodra zij dat heeft zal ze zich inschrijven in de BRP. Verder heeft ze de buitendienstinspecteurs verteld dat ze jaren in Nederland heeft gewoond en in 2015 is teruggegaan naar Brazilië. Sinds één maand is zij weer in Nederland en zij wil zich hier vestigen.

5. Op 13 juni 2017 zijn toezichthouders van de gemeente voor de tweede keer bij de woning langs gegaan. Ditmaal wordt de voordeur geopend door een man [genaamd] , afkomstig uit Brazilië. De resultaten van dit bezoek zijn opgenomen in een rapport van bevindingen van 13 juni 2017. In dit rapport staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

[…]

In de woning

[de persoon 2] gaat ons voor naar de woonkamer. De collega’s van de politie bekijken de woning en constateren dat er uit de kamer rechtsachter het geluid van een afzuiginstallatie duidelijk te horen is. Ik begrijp uit de woorden van de collega’s van de politie dat zij een sterk vermoeden en aanwijzing hebben dat er zich een wietplantage in de kamer rechtsachter bevindt. Uit het verdere onderzoek die de collega’s van de politie in de woning verrichten, wordt duidelijk dat er zich een wietplantage in de kamer rechtsachter bevindt. [de persoon 2] wordt door de collega’s van de politie aangehouden.

Na het politieonderzoek

Na het politieonderzoek krijg ik, terwijl de collega’s van de politie wachten op assistentie, de gelegenheid om [de persoon 2] nog enkele vragen te stellen. Op mijn vragen verklaart [de persoon 2] het volgende:

‘Ik heb de afgelopen 2 dagen hier op de bank in de woonkamer geslapen. [de persoon 3] heeft op een matras (die zich onder de bank bevindt) naast de bank geslapen. Ik heb niets met de wietplantage te maken. Ik weet hier niets van. De koffer, witte tas en rugzak naast de bank zijn van mij. Of de andere geopende koffer van [de persoon 3] is, weet ik niet. Ik heb [de persoon 3] als tegenprestatie voor mijn verblijf hier Engels onderwezen. [de persoon 3] is van Braziliaanse afkomst. Ik heb zes maanden vakantie opgenomen. Ik werk in Sao Paolo voor een bedrijf wat studieprogramma’s ontwikkelt. Ik ben op doorreis naar Italië, de Verenigde Staten en Australië. Ik moet in november 2017 weer in Sao Paolo, Brazilië, zijn. Mijn moeder stuurt mij geld op, zodat ik mezelf kan bedruipen.’

[…]

Doorgang woning en bijzonderheden woning

[Collega] en ik lopen na het politieonderzoek nog even snel door de woning en maken nog enkele foto’s van de kamers in de woning. Ook mogen wij van de collega’s van de politie een foto van de wietplantage in de kamer rechtsachter maken. [Collega] maakt tevens nog even een schets van de woning (zie pagina 6). Het valt op dat er in de slaapkamer aan de voorkant van de woning geen bed staat. Wel bevinden zich enkele kledingstukken, handdoeken e.d. in de kasten in de slaapkamer aan de voorkant. De woning maakt in zijn geheel op mij een niet bewoonde indruk (zie ook foto’s woning bijlage 3). [Collega] en ik verlaten na de doorloop en het maken van de foto’s de woning en laten de collega’s van de politie achter.”

Verweerders besluit

6. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd en ingevorderd van € 20.500,- wegens woningonttrekking. De aanwezigheid van een hennepplantage in de woning levert al woningonttrekking op. Daarnaast werd er niet in de woning gewoond. Onrechtmatig gebruik is aan de orde wanneer, zoals in dit geval, wonen niet de hoofdactiviteit is en de woning voor andere doeleinden dan reguliere huisvesting wordt gebruikt. Eiser kan als overtreder worden aangemerkt, omdat hij de eigenaar en verhuurder van de woning is en hij zich niet voldoende op de hoogte heeft gesteld van het gebruik van de woning.

7. Eiser heeft het bestreden besluit in beroep gemotiveerd bestreden. Op de beroepsgronden wordt hierna ingegaan.

Wettelijk kader

8. Voor de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van het wettelijk kader zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

9. Uit het wettelijk kader volgt – kort gezegd – dat een woonruimte die tot de woonruimtevoorraad behoort, niet zonder vergunning aan de bestemming tot bewoning mag worden onttrokken.

Beroepsgronden en beoordeling rechtbank

10. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser zich richten tot de oplegging van de bestuurlijke boete. De invordering van de boete is niet in geding.

Is de tekst van artikel 3.1.2 van de Huisvestingsverordening voldoende duidelijk?

11.1

Volgens eiser is de tekst van artikel 3.1.2, eerste lid onder a, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (Huisvestingsverordening) onbegrijpelijk. Zoals het artikel is opgesteld volgt daaruit dat onttrekken van woonruimte voor andere doeleinden dan een kantoor of praktijkruimte niet is toegestaan in het geval dat de bestemming tot bewoning overheersend blijft. Hierdoor is niet duidelijk welk verwijt eiser wordt gemaakt. De Huisvestingsverordening is volgens eiser op dit punt in strijd met de rechtszekerheid. Het artikel moet daarom als onverbindend buiten toepassing worden verklaard. Subsidiair voert eiser aan dat het besluit tot opleggen van de boete in strijd is met het legaliteitsbeginsel, omdat het voorschrift dat door een bestuurlijke sanctie wordt gehandhaafd niet voldoende duidelijk, voorzienbaar en kenbaar is.

11.2

Verweerder stelt dat eiser ten onrechte het woord ‘niet’ in de aanhef van het artikel met het woord ‘mits’ in de zin behorend tot letters a en b heeft verbonden. Eiser heeft uit het artikel zeker niet mogen begrijpen dat hij voor de onttrekking geen vergunning nodig zou hebben. Dat het betreffende artikel niet als een ongecompliceerde zin kan worden beschouwd, leidt volgens verweerder niet tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel

11.3

De beroepsgrond van eiser komt er in de kern op neer dat voor eiser op grond van artikel 3.1.2 van de Huisvestingsverordening (vooraf) niet duidelijk was dat geen woonruimte aan de bestemming tot bewoning mocht worden onttrokken, zodat het artikel geen deugdelijke grondslag biedt voor de oplegging van een boete.

11.4

De rechtbank volgt deze beroepsgrond niet. Het artikel is weliswaar niet eenvoudig geformuleerd, maar daaruit blijkt voldoende duidelijk welke gedragingen niet (zonder vergunning) zijn toegestaan. Uit het artikel volgt dat het niet is toegestaan om woonruimte zonder vergunning te onttrekken aan de bestemming tot bewoning, tenzij het gaat om gedeeltelijk gebruik als kantoor of praktijkruimte en de bestemming tot bewoning overheersend blijft. Dit wordt ook nader toegelicht in de toelichting op dit artikel in de Huisvestingsverordening. Bovendien wordt in het artikel ook verwezen naar artikel 21 van de Hvw, waarin eveneens staat dat het verboden is om woonruimte – anders dan voor het gebruik als kantoor of praktijkruimte – te onttrekken. Dat de redactie van het artikel zo onduidelijk zou zijn dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of legaliteitsbeginsel, zoal eiser stelt, vindt ook geen steun in het feit dat in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de bestuurlijke boetes die op grond van dit artikel zijn opgelegd niet is overwogen dat een deugdelijke grondslag zou ontbreken.1 De beroepsgrond slaagt niet.

Is er sprake van een overtreding?

12.1

Eiser voert daarnaast aan dat verweerder niet heeft aangetoond dat sprake is van een overtreding. Volgens eiser is geen sprake van onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning, zolang de woning permanent bewoond wordt. De woning werd sinds 1 september 2016 permanent bewoond door de huurster van eiser, [de persoon 1] . Haar verklaring van 20 maart 2017 dat zij er (nog) niet woonde, moet vanwege de taalbarrière niet te letterlijk worden genomen. Dat zij wel permanent in de woning woonde blijkt uit de overgelegde huurovereenkomst, het feit dat zij op 20 maart 2017 de deur open deed en de overgelegde verklaringen van de huurster en een aantal buren. Op het moment van de controle op 13 juni 2017 waren er ook persoonlijke spullen van haar in de woning aanwezig, evenals bijvoorbeeld schoonmaakmiddelen en wasmiddel. Dat in de slaapkamer een hennepkwekerij is aangetroffen, brengt daarom niet met zich dat sprake is van onttrekking. Bovendien stonden de hennepplanten er slechts – maximaal – 12 weken. De overige periode kon de slaapkamer wel gebruikt worden voor bewoning.

12.2

Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser het standpunt ingenomen dat voor zover uit de jurisprudentie van de Afdeling zou volgen dat de enkele aanwezigheid van een hennepkwekerij onttrekking van woonruimte met zich zou brengen, dan de aanvullende voorwaarde geldt dat het moet gaat om een substantieel deel van de woning. Daarvan is volgens eiser in dit geval geen sprake.

12.3

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voor de vraag of sprake is van onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning, in dit geval niet van belang is of sprake is van hoofdbewoning. De enkele aanwezigheid van de hennepkwekerij in de slaapkamer maakt dat sprake is van onttrekking, omdat het ook verboden is woonruimte gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken. De slaapkamer was in dit geval niet langer geschikt voor bewoning en de woning was daardoor voor minder bewoners geschikt. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat ook geen sprake was van permanente bewoning door [de persoon 1] . Zij stond niet op het adres ingeschreven in de BRP. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat zij toch hoofdverblijf op het adres had. Daarin is eiser volgens verweerder niet geslaagd. Verweerder wijst daartoe op het rapport van bevindingen van 13 juni 2017, waarin staat dat een ander persoon in de woning verbleef en geen persoonlijke spullen van [de persoon 1] zijn aangetroffen. De woning maakte een niet bewoonde indruk op de toezichthouders. De huurovereenkomst waaruit zou blijken dat zij de woning sinds 1 september 2016 huurde strookt niet met haar verklaring op 20 maart 2017. Aan de overgelegde verklaringen van de buren kan volgens verweerder geen waarde worden gehecht, nu deze achteraf zijn opgesteld en haaks staan op de bevindingen van de toezichthouders.

12.4

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat een hennepkwekerij in één van de twee slaapkamers van de woning is aangetroffen. Deze slaapkamer was niet geschikt voor bewoning. Dat niet de gehele woning werd gebruikt voor hennepteelt, is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang voor de vraag of sprake is van onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning. Het verbod uit artikel 21 van de Hvw geldt immers voor een woonruimte, waaronder gelet op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van de Hvw tevens één of enkele kamers wordt verstaan.2 Anders dan eiser betoogt, is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling evenmin van belang of de woning feitelijk permanent werd bewoond.3 De rechtbank volgt eiser tot slot niet in zijn stelling dat de ruimte die werd gebruikt voor de hennepteelt niet substantieel zou zijn, nu één van de twee slaapkamers volledig werd gebruikt voor hennepteelt. Het voorgaande betekent dat door de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de slaapkamer sprake is van een overtreding van artikel 21 van de Hvw en artikel 3.1.2 van de Huisvestingsverordening. De beroepsgrond faalt.

12.5

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eiser naar haar oordeel niet aannemelijk heeft gemaakt dat [de persoon 1] permanent in de woning verbleef. Daartoe geldt allereerst dat zij niet in de BRP op het adres stond ingeschreven. Verder heeft zij op 20 maart 2017 verklaard dat zij sinds een maand weer in Nederland woont, dat de woning van een vriend van haar kennis is en dat het de bedoeling is dat zij hier gaat wonen. Ook heeft zij verklaard geen huurcontract te hebben. Uit het rapport van bevindingen volgt niet dat sprake was van enig communicatieprobleem met [de persoon 1] . De rechtbank verwerpt daarom de stelling van eiser dat haar verklaring vanwege problemen met de Nederlandse taal anders moet worden begrepen. Ook uit het buitendienstonderzoek van 13 juni 2017 volgt niet dat zij in de woning woonde. In de woning werd op dat moment een ander persoon aangetroffen, die op de bank in de woning heeft geslapen en alleen heeft verklaard over een zekere [de persoon 3] van wie hij de sleutel zou hebben gekregen. In de slaapkamer die volgens [de persoon 1] aan haar zou toebehoren hebben de toezichthouders geen bed aangetroffen. Evenmin hebben zij persoonlijke spullen van [de persoon 1] aangetroffen in de woning, afgezien van enkele kledingstukken. De woning maakte op de toezichthouders een niet bewoonde indruk. De huurovereenkomst en de latere verklaring van [de persoon 1] waaruit zou moeten blijken dat zij al sinds september 2016 in de woning woonde, is in tegenspraak met haar verklaring van 20 maart 2017 en de bevindingen van de toezichthouders. Ook de overgelegde verklaringen van een aantal buren acht de rechtbank niet voldoende om aannemelijk te vinden dat [de persoon 1] permanent in de woning verbleef. Nog afgezien van het feit dat ook die verklaringen in tegenspraak zijn met hetgeen hiervoor al is genoemd, hecht de rechtbank weinig waarde aan deze verklaringen. Tijdens de zitting heeft eiser namelijk toegelicht dat hij die verklaringen zelf – aan de hand van informatie van [de persoon 1] – heeft opgesteld en vervolgens heeft laten ondertekenen door een aantal buren.

Is de boete opgelegd voor het onttrekken van woonruimte of ‘het onttrokken houden’?

13.1

Eiser heeft erop gewezen dat de overtreding is begaan op 13 juni 2017. Op dat moment stond nog niet in de Huisvestingsverordening dat het verboden is om woonruimte onttrokken te houden, zodat er geen grondslag is om een boete op te leggen.

13.2

Verweerder heeft verwezen naar het bestreden besluit, waarin staat dat de grondslag voor de boete het onttrekken van de woonruimte aan de bestemming tot bewoning is. Er is geen boete opgelegd voor het ‘onttrokken houden’ van de woonruimte

13.3

De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de grondslag voor de boete – zoals vermeld in het bestreden besluit en anders dan eiser veronderstelt – is gelegen in artikel 21, aanhef en onder a, van de Hvw en artikel 3.1.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. Daarin staat dat het verboden is om woonruimte aan de bestemming tot bewoning te onttrekken. In overweging 12.4 is al overwogen dat deze artikelen zijn overtreden.

Kan eiser als overtreder worden aangemerkt?

14.1

Eiser stelt dat hij niet als overtreder kan worden aangemerkt en hem daarom geen boete kan worden opgelegd. Hij heeft de overtreding niet zelf feitelijk begaan en kan daarvoor ook niet verantwoordelijk worden gehouden als verhuurder. Hij heeft ruimschoots aan zijn controleverplichtingen als verhuurder voldaan. Hij ging iedere maand langs bij het gehuurde om de huur, die contant werd betaald, op te halen. Hij zat dan een tijdje in de woonkamer en ging wel eens naar het toilet. Dit blijkt ook uit de verklaring die [de persoon 1] op het kantoor van zijn gemachtigde heeft afgelegd. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij in tien maanden tijd ongeveer zeven of acht keer is langs geweest om de huur op te halen. In de overige twee of drie maanden werd de huur giraal betaald. Alle deuren in de woning stonden altijd open, zodat hij zicht had op alle kamers. Hij heeft nooit een hennepkwekerij gezien.

14.2

Verweerder heeft in het bestreden besluit opgenomen dat bij betreding van het pand, de hennepkwekerij direct zou zijn ontdekt. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij met een maandelijkse frequentie controles heeft verricht, maar dit is volgens verweerder niet toereikend voor het oordeel dat eiser voldoende heeft ondernomen om zich te informeren over het gebruik van de woning. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat hiermee wordt betwist dat eiser maandelijkse controles heeft verricht, omdat wordt getwijfeld aan de juistheid van zijn verklaring en deze niet verifieerbaar is. Dit geldt te meer nu er door eiser wisselend is verklaard over contante en girale betalingen en door verweerder niet wordt geloofd dat [de persoon 1] in de woning verbleef.

14.3

De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling4, dat de overtreder degene is die het desbetreffende wettelijk voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt. Daarbij is in dit geval van belang dat op de eigenaar van een pand die dat verhuurt een eigen verantwoordelijkheid voor het rechtmatig gebruik van de woning rust. Van de eigenaar mag worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het verhuurde pand wordt gemaakt. Om niet verantwoordelijk te kunnen worden gehouden voor onrechtmatig gebruik van het door hem verhuurde pand dient de eigenaar aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand aldus werd gebruikt. Gelet hierop rust op eiser een zorgplicht om zich over het gebruik van de woning te informeren. Hierbij geldt dat het feit dat de huur van de woning (deels) contant werd betaald als een aanwijzing voor onjuist gebruik van de woning moet worden gezien.5 Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser meer dan gebruikelijk alert diende te zijn op het gebruik van de woning.

14.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht als overtreder heeft aangemerkt. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat eiser in de maanden tussen september en juni zeven of acht keer in de woning is geweest om de huur op te halen en toen het gebruik van de woning heeft gecontroleerd. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling gewezen op de verklaring die [de persoon 1] op het kantoor van zijn gemachtigde heeft afgelegd. De rechtbank gaat aan die verklaring echter voorbij, nu haar verklaring – zoals hiervoor ook in 12.5 is overwogen – tegenstrijdig is met haar eerdere, op 20 maart 2017 ten overstaan van de toezichthouders afgelegde verklaring en de bevindingen van de toezichthouders bij het tweede huisbezoek. Eiser heeft verder nagelaten zijn stelling met concrete gegevens te onderbouwen. Hij heeft daarom op geen enkele wijze aangetoond dat hij zich tot op zekere hoogte heeft geïnformeerd over het gebruik van de verhuurde woning. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat eiser onvoldoende toezicht op het gebruik van de woning heeft gehouden. Verweerder was daarom bevoegd om aan eiser een boete op te leggen wegens overtreding van het verbod tot onttrekking van woonruimte aan de bestemming tot bewoning.

De hoogte van de opgelegde boete

15.1

Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat zijn beroepsgrond moet worden opgevat in die zin dat eiser bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangevoerd, maar verweerder daarop onvoldoende heeft gereageerd. Er is sprake van verminderde verwijtbaarheid bij eiser. Hij heeft ruimschoots aan zijn controleverplichtingen voldaan en was niet op de hoogte van de hennepkwekerij. Verweerder heeft gelet op die omstandigheden onvoldoende gemotiveerd dat er geen reden is tot matiging van de boete. Eiser heeft tijdens de zitting nog aangevoerd dat hij ook veel kosten heeft moeten maken, onder andere voor de vervanging van de meterkast, het terugbrengen van de woning in normale staat en huurderving.

15.2

Verweerder heeft erop gewezen dat sprake is van een gefixeerd boetestelsel, waarin het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel al zijn verdisconteerd. Volgens verweerder zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken waardoor de boete in dit geval te hoog zou zijn.

15.3

Op grond van artikel 4.2.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening is verweerder gehouden om, overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3 genoemde tabel 2, bij overtreding van artikel 21, aanhef en onder a, van de Hvw een boete van € 20.500,- op te leggen. De rechtbank overweegt dat hoewel het gefixeerde boetestelsel uit de Huisvestingsverordening volgens vaste rechtspraak met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel tot stand is gekomen, uit artikel 5:46, derde lid, van de Awb volgt dat het bestuursorgaan niettemin een lagere boete moet opleggen indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van de overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als zulke bijzondere omstandigheden.6

15.4

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid, nu eiser gehouden was om toezicht te houden op het gebruik van de woning en hij dit heeft nagelaten. Eiser heeft de door hem gestelde gemaakte kosten in verband met onder andere de ontmanteling van de hennepkwekerij niet onderbouwd met stukken. De rechtbank gaat aan die stelling daarom voorbij. Gelet hierop heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om de boete te matigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter, en mr. N.M. van Waterschoot en mr B.C. Langendoen, leden, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Huisvestingswet 2014

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

j. woonruimte:

1° besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, en

(…)

Artikel 21

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden;

b. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar met andere woonruimte samen te voegen of samengevoegd te houden;

c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden;

d. tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in die verbouwde staat te houden.

Artikel 35

1. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in de artikelen 8, 21 of 22, of van het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

2 De op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste:

a. het bedrag dat is vastgesteld voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en

b. het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor overtreding van de verboden, bedoeld in de artikelen 8, tweede lid, 21 of 22, of voor het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26.

3 De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (geldig van 1 januari 2017 tot 1 oktober 2017)

Artikel 3.1.2 Reikwijdte vergunningplicht

1. De in artikel 3.1.1 aangewezen woonruimten mogen niet zonder vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet:

a. anders dan ten behoeve van bewoning of het gedeeltelijk gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning worden onttrokken; of

b. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar geheel of gedeeltelijk met andere woonruimte worden samengevoegd.

mits en zolang de bestemming tot bewoning overheersend blijft.

Artikel 4.2.2 Bestuurlijke boete

1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8 en artikel 21 van de wet of handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften bedoeld in artikel 24 van de wet.

2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op: (…)

b. voor de eerste overtreding van artikel 21 a, b, c of d van de wet overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3 genoemde tabel 2; (…)

Toelichting artikel 3.1.2

Geheel of gedeeltelijk onttrekken van een woonruimte aan de woonbestemming

Geheel of gedeeltelijk onttrekken van een woonruimte aan de woonbestemming

Onder "aan de bestemming onttrekken" wordt verstaan elk ander gebruik dan permanente bewoning. Met andere woorden, een woning mag niet worden gebruikt voor een ander doel dan voor permanente bewoning. (…)

Onttrekken of samenvoegen voor gebruik als kantoor- of praktijkruimte door eigenaar (artikel 3.1.2 eerste lid onder a en b)

Artikel 21 van de Huisvestingswet bepaalt dat in twee situaties geen onttrekkingsvergunning nodig is. Het gaat om de gevallen waarbij een woning aan de voorraad wordt onttrokken ten behoeve van gebruik als kantoor- en praktijkruimte en het samenvoegen van woningen met een andere woning ten behoeve van bewoning of gebruik als kantoor- of praktijkruimte. In beide situaties moet het gaan om een eigenaar-bewoner van een koopwoning. Deze vrijstelling geldt niet voor huurwoningen. Verder mag het gedeeltelijk gebruik van de woning als kantoor of praktijkruimte er niet toe leiden dat de woonfunctie ondergeschikt wordt aan het andere gebruik. (…)

Bijlage 3 Behorende bij artikel 4.2.2 Bestuurlijke boete

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3220.

2 Zie rechtsoverweging 5.1 van de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1950.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:25.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1912 en van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2641.

5 Vgl. ook de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2641.

6 ECLI:NL:RVS:2018:1754.