Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2236

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
06-08-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5835
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank onbevoegd.

Handhavingsverzoek aan college van burgemeester en wethouders, luchtkwaliteit in straten van Amsterdam, titel 5.2, bijlage 2 Wet milieubeheer, niet splitsbaar, Afdeling bevoegd, beroep doorgezonden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/5835

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] en negen anderen, te Amsterdam, eisers

(gemachtigde: [de stichting] , hierna: de stichting),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. L.M.W. Gratama).

Procesverloop

Met afzonderlijke besluiten van 15 maart 2017 heeft verweerder de verzoeken van eisers om handhaving van de luchtkwaliteitseisen in Amsterdam afgewezen.

Met het besluit van 24 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zaak is op de zitting van 7 maart 2019 gelijktijdig behandeld met zaak AMS 17/5374. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden, waarbij de stichting is vertegenwoordigd door [eiser 1] en [eiser 2] . Van de zijde van verweerder was ook H.E. van Bergen aanwezig.

Overwegingen

1. Eisers hebben verweerder op 23 november 2016 verzocht om handhaving van milieunormen op grond van de Wet milieubeheer. Volgens hen voldoet de luchtkwaliteit in de straten waarin zij werken en/of wonen niet aan de Europese milieunorm voor stikstofdioxide en worden daarmee de bepalingen van titel 5.2 en bijlage 2 van de Wet milieubeheer overtreden. Zij hebben verweerder verzocht alle maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat in de betreffende straten aan de milieunormen wordt voldaan. Verweerder is verzocht om handhavend op te treden tegen deze illegale situatie, zodat er een einde komt aan de overlast die zij ondervinden.

2. De rechtbank beoordeelt ambtshalve haar bevoegdheid om kennis te nemen van het beroep van eisers.

3. Anders dan eisers betogen, is het bestreden besluit niet splitsbaar in een deel dat is gebaseerd op overtreding van titel 5.2 en bijlage 2 van de Wet milieubeheer en een deel dat is gebaseerd op overtredingen van andere wettelijke bepalingen. Het handhavingsverzoek van eisers is evenmin splitsbaar. Daarom is het beroep tegen het bestreden besluit ook niet splitsbaar. Voor zover eisers in hun stukken nog punten hebben aangevoerd als aanvulling op hun handhavingsverzoek, overweegt de rechtbank dat het handhavingsverzoek van 23 november 2016 het uitgangspunt is van de beoordeling in deze zaak en er geen ander verzoek voorligt. De wetgever heeft in artikel 8:6, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 2 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht, de bevoegdheid van de rechtbank om in eerste aanleg te oordelen over een beroep tegen een besluit dat betrekking heeft op handhaving van de Wet milieubeheer, behoudens enkele uitzonderingen, uitdrukkelijk uitgesloten.1

4. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is bevoegd om in eerste en enige aanleg te beslissen op het beroep in deze zaak. De rechtbank stuurt het beroepschrift ter behandeling daarom door naar de Afdeling.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, maar op grond van artikel 2.5, vierde lid, tweede gedachtestreepje, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken (Niet-KEI-zaken) 2017 zal het door eisers betaalde griffierecht door de griffier worden terugbetaald.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. D. Sullivan, leden, in aanwezigheid van mr. C. Pasteuning, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van 16 maart 2018 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2018:905.