Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:217

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
AMS 18/4787
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Verweerder is bij de vaststelling van kinderopvangtoeslag voor het jaar 2016 terecht uitgegaan van de ontvangen informatie van het Uwv betreffende het aantal gewerkte uren van eisers toeslagpartner, te weten 21,6 uur per week.

De toeslagpartner van eiser werkte in 2016 feitelijk 24 uur per week en bouwde hierdoor 2,4 uur per week aan ATV-uren op. Deze omstandigheid brengt echter geen wijziging teweeg in de overeengekomen arbeidsuur.

Bij de koppeling kinderopvangtoeslag aan gewerkte uren is rekening gehouden met enige flexibiliteit van ouders voor het werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/4787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: N. Marienus).

Procesverloop

Met het besluit van 24 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder voor het jaar 2016 de opvanguren voor eisers kinderopvangtoeslag aangepast naar 790 uur buitenschoolse opvang per kind.

Met het besluit van 16 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2018. Eiser is met zijn partner verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De aanleiding tot deze procedure

1. Eiser heeft een voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2016 ontvangen. Met het primaire besluit heeft verweerder het aantal opvanguren voor 2016 aangepast naar 790 uur buitenschoolse opvang per kind. Verweerder is bij deze berekening uitgegaan van de ontvangen informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) over de gewerkte uren van eisers toeslagpartner, [naam 1] . Het aantal gewerkte uren van [naam 1] is bepalend voor de kinderopvangtoeslag. Niet alle opvanguren die eiser voor zijn kinderen heeft afgenomen komen in aanmerking voor kinderopvangtoeslag, aldus verweerder.

2. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft verweerder verzocht om aanvullende informatie. Op 30 mei 2018 heeft eiser overgelegd de loonstroken van [naam 1] over het jaar 2016, een brief van 29 mei 2007 van de werkgever van [naam 1] met betrekking tot ouderschapsverlof, een brief van 30 maart 2018 van de werkgever met betrekking tot de aangepaste arbeidsuren per 17 september 2007 en een brief van 25 mei 2018 van de werkgever met een verklaring over de totstandkoming van het aantal gewerkte uren op jaarbasis van [naam 1] .

3. Na controle van deze gegevens heeft verweerder met het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich kort gezegd op het standpunt gesteld dat er voor de berekening van de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2016 dient te worden uitgegaan van 21,6 door [naam 1] gewerkte uren per week. ATV-uren worden buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de hoogte van de aanspraak op kinderopvangtoeslag.

Standpunt van eiser

4. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. [naam 1] heeft, zoals overeengekomen met de werkgever, 24 uur per week gewerkt in het jaar 2016 en niet 21,6 uur, zoals verweerder stelt. Dit blijkt ook uit de brieven van de werkgever. Het verschil in uren wordt veroorzaakt door het toekennen van Arbeidstijdverkorting (ATV-uren). Het toekennen van ATV-uren verandert niks aan de daadwerkelijk gewerkte 24 uren. Daarvoor heeft eiser voor drie dagen buitenschoolse opvang af moeten nemen, omdat die opvang per dag en niet per uur met aftrek van ATV-uren wordt afgenomen.

Inhoudelijke beoordeling

5. Het geschil spitst zich specifiek toe op de vraag of verweerder bij de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag van eiser voor het jaar 2016 terecht is uitgegaan van 21,6 door [naam 1] gewerkte uren per week en niet van de door eiser gestelde 24 uur per week.

6. Op grond van artikel 1.6, derde lid, aanhef en onder a van de Wet kinderopvang (Wko) heeft een ouder met een partner slechts aanspraak op kinderopvang, indien de partner in Nederland woont en daar arbeid verricht. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3483) volgt dat dat bij de toepassing van artikel 1.6 van de Wko voor het aantal gewerkte uren de arbeidsovereenkomst als uitgangspunt moet dienen.

7. Eiser heeft geen arbeidsovereenkomst van [naam 1] overgelegd. Wel heeft hij verschillende brieven van de werkgever van [naam 1] overgelegd waarin staat dat zij per 10 mei 2008 24 uur per week is gaan werken. In de brief van de werkgever van 25 mei 2018 staat dat het contractpercentage van [naam 1] vanaf 10 mei 2008 is gewijzigd naar 24 uur per week, te weten 60%. In deze brief is ook vermeld dat de fulltime basis bij de werkgever een arbeidsduur van 36 uur per week is en dat een arbeidsduur van 40 uur per week wordt bereikt door het toekennen van arbeidstijdverkorting (ATV-uren). De rechtbank leidt hieruit af - en dit is ook door eiser niet weersproken- dat een arbeidsovereenkomst op basis van een 40-urige werkweek bij de werkgever van [naam 1] in feite dus niet bestaat. Bij de wijziging van een contractpercentage van 60%, komt de overeengekomen arbeidsduur dus neer op 60% van 36 uur, te weten 21,6 uur per week. Dit komt ook overeen met de feitelijk uitbetaalde uren op de loonstroken van [naam 1] en de informatie van het UWV. Om 60% van 40 uur per week (24 uur) te bereiken, bouwt [naam 1] 2,4 uur per week aan ATV-uren op. Deze omstandigheid brengt echter geen wijziging teweeg in de overeengekomen arbeidsduur. Verweerder is bij de bepaling van de hoogte van de opvanguren over 2016 terecht uitgegaan van het aantal gewerkte uren van 21,6 per week, een totaal aantal van 1128 per jaar.

8. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat [naam 1] wordt geacht 24 uur per week aanwezig te zijn en voor die uren kinderopvang nodig heeft, merkt de rechtbank op dat bij de koppeling kinderopvangtoeslag aan gewerkte uren rekening is gehouden met enige flexibiliteit van ouders naar werk toe. Op grond van artikel 8a, eerste lid, onder b, van het Besluit kinderopvangtoeslag (hierna: het Besluit) bedraagt het aantal uren kinderopvang dat voor kinderopvangtoeslag in aanmerking komt, voor ieder kind niet meer dan 70 procent van het aantal gewerkte uren, waarbij reistijd niet wordt aangemerkt als gewerkte uren, voor buitenschoolse opvang. In de nota van toelichting bij het Besluit (paragraaf 3, Stb. 2011, 424) staat vermeld dat de vermindering van de uren voor buitenschoolse opvang met 30% voortvloeit uit het feit dat voor deze groep minder kinderopvanguren nodig zijn omdat deze kinderen op school zitten. Waar bijvoorbeeld op een maandag elf uur opvang nodig is voor dagopvang voor niet schoolgaande kinderen, is voor buitenschoolse opvang voor schoolgaande kinderen slechts vier uur opvang nodig. Het percentage van 30% is berekend op basis van de totaal benodigde uren voor de dagopvang en buitenschoolse opvang. Blijkens de toelichting is bij de bepaling hiervan rekening gehouden met enige flexibiliteit van ouders voor het werk. Verweerder heeft het maximale aantal uren buitenschoolse opvang voor kinderopvangtoeslag over 2016 naar boven afgerond op 66 uur per kind per maand (en dus ruim 15 uur per week). Hiermee wordt [naam 1] ook daadwerkelijk flexibiliteit geboden om meer ruimte dan 21,6 uur per week te werken.

Conclusie

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het aantal opvanguren juist heeft vastgesteld voor de beoordeling van de kinderopvangtoeslag van eiser over het jaar 2016.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Bolt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.