Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:216

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
C/13/644037 / HA ZA 18-205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leidt het instellen van een beklagprocedure op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering tot schending van een verplichting uit een waiver lettter? Daarin had de partij zich onder meer veplicht geen procedures in te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/644037 / HA ZA 18-205

Vonnis van 16 januari 2019

in de zaak van

1. [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 1]

[eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),

2. [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2]

[eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseressen in conventie en verweersters in reconventie,

advocaat mr. R.M. Woudenberg te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RCM CONSULTANCY B.V.,

gevestigd te Bussum,

2. [gedaagde in conventie sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde in conventie sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie en RCM teven eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.B. Bollen te Almelo.

Partijen worden hierna [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 1] , [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] (gezamenlijk [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] ) en RCM, [gedaagde in conventie sub 2] en [gedaagde in conventie sub 3] (gezamenlijk RCM c.s.) genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    dagvaarding van 7 februari 2018, met producties;

  • -

    conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 11 april 2018, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 18 juli 2018, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van 26 september 2018, met producties;

  • -

    producties 12 tot en met 18 die RCM c.s. ten behoeve van de comparitie heeft ingebracht;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 15 november 2018;

  • -

    fax van mr. Woudenberg van 30 november 2018; en

  • -

    fax van mr. Bollen van 3 december 2018.

1.2. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

RCM was een van de aandeelhouders van [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] (voorheen genaamd [naam bedrijf 1] en door partijen ook wel aangeduid als “ [naam bedrijf 1] ”). [gedaagde in conventie sub 2] is [naam functie] van RCM.

2.2.

Bij verzoekschrift van 21 september 2010 heeft RCM de ondernemingskamer van gerechtshof Amsterdam (hierna: de ondernemingskamer) verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van diverse vennootschappen en fondsen, waaronder [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] .

2.3.

Bij beschikking van 18 februari 2011 heeft de ondernemingskamer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aangewezen als onderzoeker en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) als bestuurder van verschillende vennootschappen, waaronder [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] .

2.4.

Bij beschikking van 14 oktober 2011 heeft de ondernemingskamer, voor zover van belang, beslist:

“verstaat dat de redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer van de bij beschikking van 10 februari 2011 benoemde onderzoeker in het geval hij aansprakelijk wordt gesteld wegens de uitvoering van het onderzoek of het verslag van de uitkomst van het onderzoek, dienen te worden aangemerkt als kosten van het onderzoek die ten laste van de vennootschappen komen;

(…)

verstaat dat de redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer van de bij beschikking van 10 februari 2011 benoemde bestuurder in het geval hij aansprakelijk wordt gesteld wegens onbehoorlijke taakvervulling (met betrekking tot de uitoefening van zijn functie als bestuurder en – tot 3 oktober 2011 – als beheerder van aandelen) dienen te worden aangemerkt als kosten van de bestuurder (respectievelijk beheerder) die ten laste van de vennootschappen (voor het beheer: ten laste van [naam bedrijf 1] ) komen,”

2.5.

Op 27 februari 2012 zijn alle aandelen in [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] , waaronder de aandelen gehouden door RCM, overgegaan naar [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 1] . Deze transactie is vastgelegd in de Share Purchase Agreement van 19 december 2011 (hierna: de SPA).

2.6.

De SPA bevat in artikel 3.2. de volgende bepaling, voor zover van belang (waarbij RCM is aangeduid als Seller 1 en [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 1] als Purchaser):

“The Initial Total Consideration shall consist of
(…)
(ii) certain amounts which the Purchaser shall remain indebted to the Sellers (the Sellers Loans ), being:

(a) upon receipt by the Group Companies of the management fees due by MERE to [naam bedrijf 1] -FB under its management agreement dated 18 February 2010 (the Management Fee), an amount equal to 50% (i.e. 25% for each of Seller 1 and Seller 2) of the amounts received by the Group Companies for the Management Fee above a threshold of EUR 800,000 (… ) per annum, and amounts equal to 75% (i.e. 37.5% to each of Seller 1 and Seller 2), of all amounts received as part of the Management Fee above a threshold of EUR 1,000,000 (…) per annum, up to a maximum amount of EUR 1,000,000 (...) (i.e. EUR 500,000 (in words: five hundred thousand euro) for each of Seller 1 and Seller 2).; and

(b) an amount equal to 75% (in words: seventy five percent) (i.e. 37.5% for each of Seller 1 and Seller 2) of any cash payment received any Group Company pursuant to a disposal, other transfer or liquidation of a Balance Sheet Asset against payment of a cash consideration (in case of shares sold and transferred or in case of receivables assigned), or payment in respect of a Balance Sheet Asset to the Group (in case of payment in respect of a receivable) (an Asset Realisation);

The balance due to Seller 2 under the Sellers Loans shall be decreased by an amount equal to the Net Bonus Amount. The Sellers Loans shall be governed by the Sellers Loans agreements as attached as Annex 3.2 (ii) .; (…)”

2.7.

De SPA bevat in artikel 7.5.1 de volgende bepaling:

“An Asset Realisation shall be at fair value only. The Company shall inform Seller 1 and Seller 2 by the end of every quarter (for the first time by the end of Q1 2012) of the expected dates and values of Asset Realisations. In case of an Asset Realisation, the Company shall provide Seller 1 and Seller 2 with adequate proof of the agreed revenues. The Purchaser shall act, and shall use its reasonable efforts to cause the relevant Group Companies to act in good faith, with the care that an ordinary prudent person, in a similar position, would exercise under similar circumstances, in connection with any Asset Realisation and take, to the extent reasonably possible, into account the reasonable interests of the Sellers for the period of six (6) years following Completion. To the extent legally and practically possible, the Purchaser shall use its reasonable efforts to cause the relevant Group Companies to distribute the Balance Sheet Assets to the Purchaser, whereafter the Purchaser will provide security on behalf of the Sellers on the Balance Sheet Assets for payments under Clause 3.2 (ii)(b) . On the date which is the sixth anniversary of the Completion Date, the Purchaser shall procure that the Balance Sheet Assets in respect of which no Asset Realisation shall have been realised at that point in time, will be transferred to Seller 1 and Seller 2 (in equal parts), at no consideration.”

2.8.

Annex 3.2 (ii) bij de SPA bestaat uit een “Loans Agreement” (waarin RCM is aangeduid als Lender 1 en [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 1] als Borrower dan wel Purchaser) die in artikel 3.1.1 de volgende bepaling bevat:

“The Borrower shall be obliged to repay to each of Lender 1 and Lender 2, 50% of:

(a) the Working Capital Portion of each of the Sellers Loans, minus any claim of the Purchaser based on a Seller Breach, on the date which is the third anniversary of the Completion Date;

(b) the Management Fee Portion of each of the Sellers Loans, minus any claim of the Purchaser based on a Seller Breach (not yet deducted from the Working Capital Proportion), on the date which is the seventh anniversary of the Completion Date; and

(c) the Asset Realisation Portion of each of the Sellers Loans, minus any claim of the Purchaser based on a Seller Breach (not yet deducted from the Working Capital Proportion or the Management Fee Proportion), within 10 Business Days after the relevant amount has been received by the relevant Group Company.”

2.9.

Annex 7.3.1 (f) A bij de SPA bestaat uit en document getiteld “waiver of right to initiate proceedings”, gedateerd 19 december 2011 (hierna: de Waiver Letter). De Waiver Letter, ondertekend door RCM c.s., bevat de volgende bepalingen, voor zover van belang:

“RCM Consultancy B.V. (…) and [gedaagde in conventie sub 2] and [gedaagde in conventie sub 3] (…)

TAKING INTO ACCOUNT THE ABOVE, HEREBY DECLARE:

(…) to waive their right to hold liable, claim damages or initiate any other proceedings against any of the Indemnified Persons in connection with their activities in respect of [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] , [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] and [naam bedrijf 5] ”.

2.10.

[naam 1] en [naam 2] zijn onderdeel van de term Indemnified Persons zoals gebruikt in de Waiver Letter.

2.11.

Op 10 november 2014 hebben [gedaagde in conventie sub 2] en [gedaagde in conventie sub 3] zich met een klaagschrift gewend tot gerechtshof Den Haag tegen de beslissing van de officier van justitie om [naam 1] niet te vervolgen terzake van valsheid in geschrifte. Gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 21 maart 2016 het beklag afgewezen.

2.12.

Op 26 oktober 2015 heeft RCM c.s. zich met een klaagschrift gewend tot gerechtshof Den Haag tegen de beslissing van de officier van justitie om [naam 2] niet te vervolgen terzake van verduistering, valsheid in geschrifte, (poging tot) oplichting, witwassen en bedrog in jaarrekeningen. Gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 15 augustus 2017 [gedaagde in conventie sub 3] niet ontvankelijk verklaard en het beklag van [gedaagde in conventie sub 2] en RCM afgewezen.

2.13.

[naam 1] heeft een factuur opgesteld voor de kosten die verband houden met zijn verweer in de beklagprocedure ad € 12.240,00. De advocaat van [naam 2] heeft 5 facturen opgesteld voor de kosten die verband houden met het verweer van [naam 2] in zijn beklagprocedure die opgeteld € 66.288,63 bedragen.

2.14.

Tussen partijen zijn andere procedures aanhangig, waaronder een bij deze rechtbank onder nummer C/13/595552/2015/948. In deze procedure is op 24 [naam bedrijf 1] 2017 een tussenvonnis gewezen.

2.15. “

[naam activa 1] ” en “ [naam activa 2] ” zijn activa die voor partijen voldoende vaststaan en kwalificeren als Balance Sheet Assets (gedefinieerd in de SPA). Ten aanzien van [naam activa 1] en [naam activa 2] heeft eind 2017 een Asset Realisation (gedefinieerd in de SPA) plaatsgevonden. “ [naam Balance Sheet Asset] ” is een Balance Sheet Asset, bestaande uit 300 aandelen in de beurs van Bratislava, ten aanzien waarvan geen Asset Realisation heeft plaatsgevonden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] vordert – na wijziging eis op de comparitie – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (i) [gedaagde in conventie sub 2] en [gedaagde in conventie sub 3] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 12.240,00 en (ii) primair voor recht verklaart dat [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] een bedrag van € 66.288,63, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, in mindering mag brengen op de uitstaande Sellers Loan van [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 1] aan RCM en subsidiair RCM c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 66.288,63, vermeerderd met rente en (na)kosten.

3.2.

[eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] legt aan deze vorderingen ten grondslag dat RCM c.s. haar verplichtingen onder de Waiver Letter heeft geschonden door zich met klaagschriften tot gerechtshof Den Haag te wenden en aldaar twee beklagprocedures te voeren. Nu [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] de kosten die [naam 1] en [naam 2] in het kader van deze beklagprocedures hebben gemaakt heeft vergoed, kan zij deze kosten op RCM c.s. verhalen.

3.3.

RCM c.s. voert verweer, wat er in de kern op neerkomt dat de Waiver Letter alleen ziet op het starten of entameren van procedures tegen bepaalde, specifiek genoemde individuen en dat RCM c.s. dat niet heeft gedaan. Een beklagprocedure valt aldus niet onder de Waiver Letter. Een afspraak om geen aangifte te doen of geen klaagschrift in te zullen stellen is nietig, althans vernietigbaar.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

RCM vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad

(a) voor recht verklaart dat de op basis van artikel 3.2 (ii) (a) van de SPA verschuldigde Management Fee voor RCM een bedrag tot aan € 500.000,00 bedraagt, zonder dat de aangroei tot € 500.000,00 door tijdsverloop begrensd wordt;

(b) voor recht verklaart dat [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] :

a. toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de in artikel 7.5.1. van de SPA opgenomen verplichtingen om RCM:

i. ieder kwartaal met ingang van Q1 2012 te informeren over de waarde en de verwachte verkoopdatum van de aandelen [naam activa 1] en [naam activa 2] en

ii. deugdelijk bewijs te leveren van de ontvangen opbrengsten van de aandelen [naam activa 1] en [naam activa 2] ;

b. in strijd met de letter dan wel de geest van artikel 7.5.1 van de SPA heeft gehandeld en tevens onrechtmatig door onder de gegeven omstandigheden RCM niet aan te bieden het [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] toekomende deel van de totale opbrengst (zijnde ca. EUR 33.000) aan [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] te voldoen tegen overdracht van 50% van de door [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] gehouden aandelen in [naam activa 1] en deelneming in [naam activa 2] .

(c) [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] (hoofdelijk) veroordeelt om binnen 10 dagen na betekening van het in dezen te wijze vonnis RCM (alsnog) per kwartaal de waarde van de aandelen [naam activa 1] en [naam activa 2] te doen toekomen vanaf Q1 2012, alsmede deugdelijk bewijs van de ontvangen opbrengsten van de aandelen [naam activa 1] en [naam activa 2] , zulks op straffe van een dwangsom.

(d) [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] (hoofdelijk) veroordeelt om binnen 10 dagen na betekening van het in dezen te wijze vonnis de helft van de aandelen [naam Balance Sheet Asset] zonder enig voorbehoud aan RCM over te dragen, zulks op straffe van een dwangsom.

(e) [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] (hoofdelijk) veroordeelt in de kosten van het geding, met nakosten.

3.6.

RCM legt aan deze vorderingen nakoming van artikelen 3.2 en 7.5.1. van de SPA ten grondslag.

3.7.

[eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] voert verweer, wat er in de kern op neerkomt dat de verplichting om een deel van de Management Fee af te dragen beperkt is in tijd (7 jaar), dat de aandelen [naam activa 1] en [naam activa 2] zijn verkocht tegen een reële koopprijs en dat de relevante aandelen [naam Balance Sheet Asset] aan RCM geleverd kunnen en gaan worden en dat [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] alle stappen die daartoe genomen kunnen worden heeft genomen.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

In conventie gaat het om de vraag of de twee beklagprocedures bij gerechtshof Den Haag (ingesteld op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering) binnen het bereik van de Waiver Letter vallen (zie onder 2.9). Dat vereist een uitleg van de Waiver Letter. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de Waiver Letter als Annex bij de SPA een onderdeel daarvan uitmaakt zodat bij de uitleg van de Waiver Letter ook de (totstandkoming van de) SPA een rol speelt.

4.2.

De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of de overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. In het onderhavige geval komt aan de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg belangrijke betekenis toe, omdat het hier gaat om een beding in een gedetailleerde overeenkomst die is aangegaan tussen twee professionele partijen, terwijl [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] niet heeft betwist dat partijen bij het aangaan van de SPA zijn bijgestaan door deskundige raadslieden, zoals door RCM c.s. is aangevoerd. Tot slot heeft de rechtbank bij de uitleg van de Waiver Letter in hoofdzaak naar de tekst van de Waiver Letter zelf gekeken, nu [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] ter comparitie op een specifieke vraag van de rechtbank heeft aangegeven dat de tekst van artikel 7.3.1. van de SPA daarbij slechts als achtergrond dient.

4.3.

Ten aanzien van de meest voor de hand liggende taalkundige uitleg van de Waiver Letter overweegt de rechtbank als volgt. In de Waiver Letter verbinden RCM, [gedaagde in conventie sub 2] en [gedaagde in conventie sub 3] zich “to waive their right to hold liable, claim damages or initiate any other proceedings against any of the Indemnified Persons”. Met [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] is de rechtbank van oordeel dat de woorden “or initiate any other proceedings” na de opsomming “hold liable, claim damages” duiden op een ruime uitleg van de soort procedures die binnen het bereik van de Waiver Letter vallen. Daar zou een beklagprocedure onder kunnen vallen. De zin gaat evenwel verder met “proceedings against any of the Indemnified Persons”. Daarvan is bij een beklagprocedure geen, althans niet direct, sprake. In de beklagprocedure gaat het immers om de vraag of de beslissing van de officier van justitie om een beklaagde niet te vervolgen op goede gronden is genomen. Deze procedure is dan ook niet rechtsreeks gericht tegen de beklaagde, terwijl de beklaagde wel een belangrijke positie inneemt als direct belanghebbende (namelijk potentiële verdachte). Het vorenstaande betekent dat er geen voor de hand liggende taalkundige uitleg van de Waiver Letter is die antwoord geeft op de vraag of een beklagprocedure onder de Waiver Letter valt.

4.4.

RCM c.s. heeft zich er voorts op beroepen dat een contractuele bepaling waarin rechten worden prijsgegeven om aangifte te doen en beklag te voeren in strijd is met de wet, openbare orde en goede zeden en daarom nietig is. Bij een beklagprocedure gaat het volgens RCM c.s. om het algemeen belang en de procedure dient als controlemechanisme op het handelen van het Openbaar Ministerie. [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] heeft hierop slechts gereageerd met de stelling dat een afspraak om geen beklag te doen niet nietig is en daarbij een onderscheid gemaakt tussen het doen van aangifte (mag wel onder de Waiver Letter) en het voeren van een beklagprocedure (mag niet onder de Waiver Letter).

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals aangegeven onder 4.2 gaat het bij de uitleg van een bepaling ook om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De door [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] voorgestane uitleg van de Waiver Letter zou betekenen dat RCM c.s. bij het ondertekenen van de Waiver Letter reeds afstand heeft gedaan van de mogelijkheid in de toekomst een beklagprocedure te voeren, ook als deze procedure verband houdt met omstandigheden die RCM c.s. ten tijde van het ondertekenen van de Waiver Letter nog niet bekend waren. Daarbij speelt mee dat, zoals RCM c.s. terecht heeft aangevoerd, het doen van aangifte en het voeren van een beklagprocedure ook (deels) het algemeen belang is betrokken. Dit maakt dat de door [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] voorgestane uitleg verstrekkende gevolgen heeft waarop RCM c.s., zonder nadere toelichting die [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] niet heeft verstrekt, niet bedacht hoefde te zijn en die [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van RCM c.s. mocht verwachten. Dit betekent dat het voeren van een beklagprocedure niet binnen het bereik van de Waiver Letter valt.

4.6.

[eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] heeft tot slot nog als verweer gevoerd dat RCM c.s. misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt althans dat zij in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door volstrekt kansloze beklagprocedures te starten met als enige doel [naam 1] , [naam 2] en [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] te frustreren en op kosten te jagen. Dit verweer wordt verworpen, nu het in beginsel een ieder vrij staat in een beklagprocedure een vervolgingsbesluit van het Openbaar Ministerie te laten toetsen. Uit de beschikkingen van gerechtshof Den Haag volgt niet dat deze procedures volstrekt kansloos waren en bijkomende omstandigheden waaruit dat zou blijken zijn niet gesteld.

4.7.

Het vorenstaande betekent dat de vordering in conventie zal worden afgewezen.

in reconventie

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat het bij de vorderingen in reconventie – net als in conventie – aankomt op de uitleg van bepalingen uit de SPA. De rechtbank hanteert daarbij dezelfde maatstaf als in conventie toegelicht (zie 4.2).

Management Fee

4.9.

RCM vordert een verklaring voor recht over de uitleg van artikel 3.2. (ii)(a) van de SPA (zie 2.6). Dit artikel bepaalt dat een deel van de koopprijs voor de aandelen in [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] die [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 1] moet betalen gebaseerd is op de ontvangst van management fees door [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] en haar dochtervennootschappen. Van de ontvangen bedragen per jaar wordt boven de drempel van € 800.000,00 50% betaald aan de Sellers (waarbij 25% toekomt aan RCM) en boven de drempel van € 1.000.000,00 75% betaald aan de Sellers (waarbij 37,5% toekomt aan RCM). Daarnaast geldt een maximum van € 500.000,00 per Seller (hierna: het maximum). De verschuldigde bedragen maken onderdeel uit van de Loans Agreement (zie 2.8).

4.10.

Partijen verschillen van mening over de vraag of dit gedeelte van de koopprijs ziet op de periode van zeven jaar – de termijn waarop dit gedeelte van de koopprijs betaald moet worden onder de Loans Agreement – of dat het doorloopt in tijd totdat het maximum is bereikt.

4.11.

Tussen partijen staat vast dat het hier relevante deel van de koopprijs pas in februari 2019 – zeven jaar na de overdracht van de aandelen in [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] – hoeft te worden betaald. Dit volgt uit artikel 3.1.1 sub b van de Loans Agreement (zie 2.8). Ook staat vast dat het nog niet duidelijk is of het maximum wordt gehaald. Tenslotte zijn partijen het erover eens dat de aanspraak van RCM nooit meer bedraagt dan het maximum. RCM heeft ter comparitie aangegeven dat het tot en met 2017 voor RCM om € 383.875,00 gaat, waar naar de rechtbank begrijpt de periode tot februari 2019 nog bijkomt. Als de grens wordt gehaald heeft RCM geen belang meer bij haar vordering omdat haar maximale aanspraak (het maximum) dan bereikt is. Nu deze mogelijkheid zich nog voor kan doen – RCM heeft ter comparitie zelf aangegeven dat het over 2017 om € 153.500 gaat, zodat bij een gelijk bedrag over 2018 het maximum al behaald zou zijn – zal de rechtbank deze vordering van RCM afwijzen bij gebrek aan belang.

[naam activa 1] en [naam activa 2]

4.12.

Dit onderdeel van de reconventionele vorderingen betreft de Balance Sheet Assets [naam activa 1] en [naam activa 2] ten aanzien waarvan een Asset Realisation heeft plaatsgevonden. De vorderingen van RCM zien op verplichtingen van [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] die volgens RCM voortvloeien uit artikel 7.5.1 van de SPA (zie 2.7).

4.13.

Uit artikel 7.5.1 van de SPA volgt dat [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] (Company) verplicht is RCM te informeren “by the end of every quarter (…) of the expected dates and values of Asset Realisations”. Anders dan RCM heeft gesteld betekent dit niet dat [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] gehouden is ten aanzien van alle Balance Sheet Assets elk kwartaal informatie te verstrekken. De verplichting ziet immers op de verwachte data en waardes van Asset Realisations. Van een Asset Realisation is pas sprake als, kort gezegd, bij vervreemding van een Balance Sheet Asset een opbrengst is gerealiseerd (zie 2.6; artikel 3.2 (ii) sub b van de SPA). Uit de tekst van artikel 7.5.1 van de SPA volgt evenmin dat als een Asset Realisation heeft plaatsgevonden, [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] gehouden is over het verleden de waardeontwikkeling per kwartaal te verschaffen, welke uitleg RCM heeft verdedigd maar [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] heeft betwist. Dit betekent dat de vorderingen van RCM die zien op de kwartaalinformatie zullen worden afgewezen nu de aangevoerde grondslag die vorderingen niet kunnen dragen.

4.14.

Uit artikel 7.5.1 van de SPA volgt ook dat, als zich een Asset Realisation heeft voorgedaan, [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] verplicht is RCM “adequate proof” (deugdelijk bewijs) te verschaffen van de “agreed revenues” (ontvangen opbrengsten). De vorderingen van RCM op dit punt worden onderbouwd met de stelling dat de verkopen voor een te laag bedrag hebben plaatsgevonden en dat [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] daarover onvoldoende verantwoording heeft afgelegd. Die stelling kan de vorderingen evenwel niet dragen nu artikel 7.5.1 van de SPA geen verplichting voor [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] bevat om verantwoording af te leggen over de omvang van de verkoopprijs. Artikel 7.5.1 kent weliswaar de verplichting om een Asset Realisation alleen “at fair value” te doen, waar RCM ook op heeft gewezen, maar verbindt daaraan niet de verplichting tot het afleggen van een vorm van verantwoording. [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] is slechts gehouden om deugdelijk bewijs te verschaffen van de ontvangen opbrengsten. [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] heeft aangevoerd dat ze dat heeft gedaan en daartegenover heeft RCM onvoldoende concreet aangegeven dat aan die specifieke verplichting niet voldaan zou zijn. Dit maakt dat de vorderingen van RCM die zien op deugdelijk bewijs van ontvangen opbrengsten zullen worden afgewezen.

4.15.

Ten aanzien van [naam activa 1] en [naam activa 2] heeft RCM tenslotte nog een verklaring voor recht gevorderd die ziet op de schending van een aanbiedingsplicht van 50% van genoemde deelnemingen aan RCM. Deze – summier onderbouwde – vordering gaat uit van aan aanbiedingsplicht die niet is opgenomen in artikel 7.5.1 van de SPA. Dit artikel gaat immers uit van het realiseren van een opbrengst van de Balance Sheet Assets door [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] binnen zes jaar na de overdracht. Pas als daarvan geen sprake is zal de Balance Sheet Asset “at no consideration” aan de verkopers, waaronder RCM, worden overgedragen. Hieruit volgt geen aanbiedingsplicht. De overige omstandigheden die door RCM zijn aangedragen zijn onvoldoende om een dergelijke aanbiedingsplicht op te baseren zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.

[naam Balance Sheet Asset]
4.16. Deze vordering betreft de nakoming van de verplichting van [eiseres in conventie en verweerster in reconventie sub 2] om het aan RCM toekomende deel van [naam Balance Sheet Asset] (aandelen in de beurs van Bratislava, een Slowaakse entiteit), eveneens een Balance Sheet Asset, over te dragen. [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] betwist niet dat zij hiertoe gehouden is, maar heeft als verweer gevoerd dat de overdracht van aandelen in een Slowaakse entiteit met de nodige formaliteiten en toestemmingen gepaard gaat, zoals ook volgt uit de statuten. Ter comparitie heeft [eiseressen in conventie en verweersters in reconventie] bevestigd dat de aandelen wat haar betreft zo spoedig mogelijk kunnen worden overgedragen. RCM heeft daarop gereageerd dat een simpele leveringsakte zou volstaan en dat zij graag de aandelen wil hebben maar dat dit blijkbaar niet kan zonder een stok achter de deur.

4.17.

Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de vordering van RCM afwijzen. Daartoe overweegt zij als volgt. Met RCM is de rechtbank van oordeel dat RCM een belang heeft om met een stok achter de deur de aandelen te krijgen waar zij recht op heeft en wat door RCM c.s. ook is erkend. De ingestelde vordering gaat er evenwel van uit dat een aandelenoverdracht van een minderheidsbelang in een Slowaakse entiteit zonder verdere beperkingen mogelijk is, en daarover is de rechtbank onvoldoende ingelicht. De rechtbank gaat er overigens van uit dat beide partijen deze overdacht op korte termijn zullen realiseren.

in conventie en reconventie

4.18.

Aangezien elk van partijen op meerdere punten in het ongelijk is gesteld zullen de proceskosten in conventie en reconventie worden gecompenseerdop de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

in reconventie

5.2.

wijst de vorderingen af,

in conventie en reconventie

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.1

1 type: coll: