Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2124

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
13/665201-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor computervredebreuk. Nietige dagvaarding voor gebruik identificerende persoonsgegevens. Vrijspraak voor veranderen gegevens geautomatiseerd werk. Ontslag alle rechtsvervolging voor smaadschrift. Benadeelde partijen niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665201-17 (Promis)

Datum uitspraak: 20 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kersten en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Pijl naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging ter terechtzitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 januari 2008 tot en met 6 november 2018 heeft schuldig gemaakt aan:

1. computervredebreuk;

2. medeplegen van het wederrechtelijk gebruiken van identificerende persoonsgegevens;
3. medeplegen van het veranderen, wissen, onbruikbaar en ontoegankelijk maken van gegevens van een geautomatiseerd werk, dan wel het toevoegen van andere gegevens daaraan;
4. medeplegen van smaad(schrift).

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid dagvaarding

De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat de dagvaarding wat betreft het onder 2 ten laste gelegde niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zij overweegt daartoe het volgende.

Krachtens artikel 261 Sv moet de tenlastelegging duidelijk, begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Uit de bewoording van het onder 2 ten laste gelegde volgt dat verdachte wordt beschuldigd van identiteitsfraude zoals strafbaar gesteld in artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze identiteitsfraude zou er – blijkens de tenlastelegging – in hebben bestaan dat verdachte:

(…) na(a)m(en) en/of (delen van) foto('s) en/of filmpje(s) (met daarop voornoemde personen) (in combinatie met elkaar) op verschillende internetsites (waaronder [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 13] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 11] ) geplaatst en/of op twitteraccount(s) (waaronder [naam 12] ) geplaatst en/of gebruik gemaakt van die voorgenoemde twitter account(s)en/of Skypeaccount.”.

Deze gedragingen kunnen echter – indien bewezen – niet leiden tot de conclusie dat sprake is van identiteitsfraude. De genoemde gedragingen lijken veeleer te zien op laster/smaad (artikel 261/262 Sr). Er is sprake van een discrepantie: het ten laste gelegde strafbare feit (het kwalificatieve deel van de tenlastelegging) komt niet overeen met de ten laste gelegde gedragingen (het feitelijke deel van de tenlastelegging). Dit maakt de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig. De rechtbank zal de dagvaarding daarom nietig verklaren voor feit 2.

3.2.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsvrouw stelt zich ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Op grond van artikel 269 Sr vindt vervolging voor smaad niet plaats dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Een dergelijke klacht dient te worden gedaan binnen drie maanden nadat van het gepleegde feit kennis is genomen. Uit het dossier blijkt dat aangeefsters niet dan wel niet tijdig een klacht hebben ingediend.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het niet of niet tijdig indienen van een formele klacht geen beletsel vormt voor de vervolging. Aangeefsters hebben middels hun aangiften en ingediende vorderingen voldoende blijk gegeven van hun wens dat het Openbaar Ministerie de vervolging instelt tegen verdachte. Dat betekent dat aan (de strekking van) het klachtvereiste is voldaan.

De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van een (tijdige) formele klacht bij klachtdelicten niet zonder meer hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Naar huidig recht kan worden gesteld dat het voldoende is als komt vast te staan dat vervolging van verdachte de instemming geniet van degene tegen wie het misdrijf is begaan. Daarbij is doorslaggevend of genoegzaam komt vast te staan dat het diens uitdrukkelijke wens is dat het Openbaar Ministerie vervolging instelt.1

De rechtbank is van oordeel dat – in zoverre het dossier niet dan wel niet een tijdige formele klacht bevat – uit de vele aangiften en de verhoren die nadien met de aangeefsters hebben plaatsgevonden, kan worden afgeleid dat het de uitdrukkelijke wens is geweest van aangeefsters dat het Openbaar Ministerie de vervolging instelt tegen verdachte. Aangeefsters hebben immers telkenmale uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij willen dat de smaad stopt en dat de dader wordt opgepakt. De rechtbank acht de officier van justitie voor wat betreft het onder 4 ten laste gelegde daarom ontvankelijk in haar vervolging.

3.3.

Conclusie

De dagvaarding is geldig ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van deze ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden op basis van de aangiften, de processen-verbaal van onderzoek naar de gegevensdragers en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde computervredebreuk nu geen sprake is van binnendringen.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde verzoekt de verdediging om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging omdat het kopiëren van foto’s door middel van een USB-stick, alsmede het downloaden van foto’s van social-media-accounts niet tot gevolg hebben dat de desbetreffende foto’s tenietgaan, dan wel op een andere wijze blijvend worden aangepast. De gedragingen van verdachte corresponderen daarmee niet met wat de wetgever heeft beoogd strafbaar te stellen in artikel 350a Sr.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Ten aanzien van feit 1
Onder 1 van de tenlastelegging wordt verdachte – kort gezegd – verweten dat hij de gezamenlijke computer van het studentenhuis ‘ [naam studentenhuis] ’ en/of de computers van aangeefsters [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] alsmede de computer van [benadeelde 4] is binnengedrongen (artikel 138ab Sr). Van het in artikel 138ab Sr bedoelde ‘binnendringen’ is (onder meer) sprake indien men zich de toegang tot een computer verschaft door het aannemen van een valse hoedanigheid. Dat is hier het geval ten aanzien van de computers van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] . Verdachte heeft gebruik gemaakt van die computers na van hen verkregen toestemming; verdachte is daarbij echter verder gegaan dan tot waar de toestemming zich uitstrekte door foto’s van die computers af te halen en verder te gebruiken. Verdachte heeft op die manier computervredebreuk gepleegd met betrekking tot die computers.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de gezamenlijke computer van het studentenhuis ‘ [naam studentenhuis] ’ en de computer van aangeefster [benadeelde 3] is binnengedrongen. Verdachte heeft verklaard van welke computers hij het beeldmateriaal van aangeefsters heeft gehaald, namelijk van de computers van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 4] . Hij ontkent dat hij enig beeldmateriaal van de gezamenlijk computer of de computer van aangeefster [benadeelde 3] heeft gehaald. Nu verdachte een openhartige bekentenis heeft afgelegd ten aanzien van de door hem begane strafbare feiten en in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden die maken dat aan de juistheid daarvan moet worden getwijfeld, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van computervredebreuk met betrekking tot de gezamenlijke computer van [naam studentenhuis] en de computer van aangeefster [benadeelde 3] .


De rechtbank komt daarnaast tot een bewezenverklaring van een kortere pleegperiode dan ten laste is gelegd. Als einddatum van de bewezenverklaarde periode gaat de rechtbank uit van de datum waarop verdachte niet meer woonachtig was in het studentenhuis, nu niet is gebleken dat hij ook na die tijd toegang had tot de computers van aangeefsters en van [benadeelde 4] Verdachte heeft verklaard dat hij tot augustus 2010 in het studentenhuis woonde. De pleegperiode ten aanzien van feit 1 zal daarom worden ingekort tot en met 30 september 2010.

4.3.2.

Ten aanzien van feit 3

Onder 3 van de tenlastelegging wordt verdachte – kort gezegd – beschuldigd van het veranderen, onbruikbaar en/of ontoegankelijk maken van computergegevens (artikel 350a Sr). Van genoemde gedragingen in de zin van artikel 350a Sr is enkel sprake indien de originele gegevens worden aangetast of gemanipuleerd. Dat is hier niet het geval. Verdachte heeft beeldmateriaal van aangeefsters overgezet (met een USB-stick) op zijn eigen computer. Ook heeft hij foto’s en filmpjes van hen gedownload van het internet. Verdachte heeft vervolgens deze kopieën bewerkt dan wel heeft hij deze laten bewerken. Dat betekent dat het originele beeldmateriaal (lees: computergegevens) door het handelen van verdachte onveranderd is gebleven. Dat dit beeldmateriaal vervolgens op andere internetsites is geplaatst, maakt dit niet anders. Hetgeen onder 3 is ten laste is gelegd kan aldus niet worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.3.3.

Ten aanzien van feit 4

Tot slot wordt verdachte onder 4 van de tenlastelegging verweten dat hij opzettelijk de eer of goede naam van aangeefsters heeft aangerand door telastlegging van één of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven (artikel 261 Sr).


De telastlegging van een ‘bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 Sr vereist een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van verdachte.2 In de tenlastelegging wordt de volgende gedraging genoemd:

(…) op/via internet (op de website [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 13] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 16] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 14] en/of [naam 15] ) meerdere (gemanipuleerde) foto('s) en/of filmpje(s), in elk geval afbeeldingen, geplaatst waarin die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 6] al dan niet met naam en toenaam worden genoemd (…).”.

Deze omschrijving behelst niet een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van verdachte. Uit deze omschrijving blijkt immers niet wat er is afgebeeld op de gemanipuleerde foto’s en/of filmpjes van aangeefsters. Daarmee is ook niet duidelijk waaruit de aanranding van de eer of goede naam heeft bestaan. Dat betekent dat de verweten gedragingen weliswaar kunnen worden bewezen, doch deze niet vallen onder enige strafrechtelijke bepaling. Verdachte zal van het onder 4 tenlastegelegde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2010 te Leiden, opzettelijk en wederrechtelijk, is binnengedrongen in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten

- een computer van [benadeelde 4] en [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ,

door het aannemen van een valse hoedanigheid

te weten het onbevoegd gebruik maken van voornoemde computers en hij meerdere foto's van die computers, voor zichzelf heeft overgenomen/afgetapt.

4.
hij op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 6 november 2018 te Leiden en/of Den Haag en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen (telkens) opzettelijk de eer en/of goede naam van [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 6] heeft aangerand door tenlastelegging van één of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel op/via internet (op de website [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 13] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 16] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of [naam 14] en/of [naam 15] ) meerdere (gemanipuleerde) foto('s) en/of filmpje(s), in elk geval afbeeldingen, geplaatst waarin die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 5] en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 6] al dan niet met naam en toenaam worden genoemd, met de inhoud (onder andere):

- " [naam 17] "

- "# [naam 18] "

- " [naam 19] "

- " [naam 12] ".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

6.1.

Strafbaarheid van feit 1

Het onder 1 bewezen geachte is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.2.

Strafbaarheid van feit 4

Het onder 4 bewezen geachte is volgens de wet niet strafbaar. De rechtbank verwijst naar wat onder paragraaf 4.4.3. is overwogen. Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 387 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 360 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat verdachte zich gedurende deze proeftijd moet houden aan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Deze bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals gesteld door de reclassering, waarbij de onvoorwaardelijke gevangenisstraf de duur van het voorarrest niet zal overstijgen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan computervredebreuk. Verdachte heeft zonder toestemming beeldmateriaal van de computers van aangeefsters (en van een vriend van één van hen, waarop beeldmateriaal van die betreffende aangeefster stond) gekopieerd en dit vervolgens voor eigen doeleinden gebruikt. De afbeeldingen zijn daarbij gemanipuleerd. Dit beeldmateriaal is namelijk bewerkt door verdachte en/of heeft hij dit laten bewerken, waarna het bewerkte materiaal terecht is gekomen op verschillende pornografische websites, waardoor het lijkt alsof aangeefsters zelf op die websites staan, met alle nare gevolgen van dien voor hun privé- en werkzame leven. Omdat het verwijderen of laten verwijderen van dit beeldmateriaal veelal moeilijk dan wel in het geheel niet mogelijk is, blijven aangeefsters gedurende lange tijd en mogelijk gedurende hun gehele leven geconfronteerd met dit beeldmateriaal met alle nadelige gevolgen van dien. Verdachte heeft daarmee op grove wijze een inbreuk gemaakt op de privacy van aangeefsters en hun waardigheid ernstig aangetast.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 januari 2019. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 10 januari 2019, opgemaakt door F.M.G. Stadhouders (GZ-psycholoog) onder supervisie van M.G.H. van Willigenburg (klinisch psycholoog). Hieruit blijkt dat verdachte een vermijdende persoonlijkheidsstoornis heeft. Ten tijde van het tenlastegelegde kampte verdachte met een alcohol- en pornoverslaving. De combinatie van persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek, en zijn steeds terugkomende depressieve klachten, hebben geleid tot sociale isolatie en vereenzaming, een egocentrische houding en normvervaging, maar ook een onvermogen om met tegenslagen en afwijzing om te gaan. Het ten laste gelegde dient daarom in verminderde mate aan betrokkene te worden toegerekend. De psycholoog merkt op dat verdachte inmiddels is gestopt met zijn alcohol- en pornogebruik. Inmiddels heeft verdachte ook een partner, van wie hij veel steun ondervindt. De kans dat verdachte weer de fout ingaat is volgens hem daarom laag. Verdachte is echter nog zeer afhankelijk van zijn relatie om stabiel te blijven. Indien deze relatie zou worden verbroken, neemt de kans toe dat verdachte (opnieuw) in verslavingsgedrag vervalt, en daarmee recidiveert. Ook andere tegenslagen zouden een dergelijke terugval tot gevolg kunnen hebben. De psycholoog acht het daarom van belang dat verdachte een ambulante behandeling ondergaat.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 21 januari 2019, opgemaakt door C. Langerak (reclasseringswerker). De reclassering onderschrijft de hiervoor beschreven problematiek en ondersteunt het advies ten aanzien van de inzet van behandelinterventies gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een behandelverplichting, het meewerken aan middelencontrole, het realiseren en behouden van een dagbesteding en een aantal voorwaarden betreffende het delictgedrag, waaronder toezicht en controle op het computergebruik.

De rechtbank heeft acht geslagen op de adviezen van de psycholoog en de reclassering en zal verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toerekenen. Daarnaast sluit de rechtbank zich aan bij de conclusies die worden getrokken met betrekking tot de problematiek van verdachte. Uit de rapportages komt voldoende naar voren dat het noodzakelijk is dat verdachte door middel van begeleiding en behandeling wordt geholpen met zijn persoonlijkheidsproblematiek en verslavingen. Verdachte heeft ook te kennen gegeven dat hij zijn problematiek wil oplossen en dat hij gemotiveerd is voor het hulpverleningstraject om dat doel te kunnen bereiken. Om die reden zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen zodat bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd die de kans op herhaling zullen doen afnemen.

Verdachte heeft over zijn handelen verklaard en zijn verantwoordelijkheid genomen en meegewerkt aan de opgemaakte rapportages. De rechtbank neemt deze omstandigheden mee bij de oplegging van de straf.

De rechtbank komt, gelet op de deels nietige dagvaarding, de vrijspraak en het ontslag van rechtsvervolging tot een geheel andere conclusie dan de officier van justitie, waardoor aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek, waarvan 32 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, een behandelverplichting, het meewerken aan middelencontrole, het realiseren en behouden van een dagbesteding en een aantal voorwaarden betreffende het delictgedrag, waaronder toezicht en controle op het computergebruik.

Geen dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen, of gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht. De bijzondere voorwaarden zullen daarom niet dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

9 Beslag

De volgende voorwerpen zijn in beslag genomen en niet reeds teruggegeven:

1. STK USB-stick (memorykaart) - 5657558

2. 5.00 STK Cd-Rom TDK - 5657527

3. 1.00 STK Cd-Rom DVD RW - 5657545

4. 1.00 STK Zaktelefoon MOTOROLA - 5657549

5. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) HEMA - 5657554

6. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) HEMA - 5657557

7. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) KRUITVAT - 5657559

8. 1.00 STK Computer HEWLETT PACKARD portable - 5657530

9. 1.00 STK Computer DELL - 5657523

10. 1.00 STK Computer COLLER MASTER - 5657526

11. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) - 5657534

12. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) ICIDU 16G - 5657542

13. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) ICIDU - 5657548

14. 1.00 STK Zaktelefoon SAMSUNG - 5657543

15. 1.00 STK Cd-Rom TDK - 5657555

16. 1.00 STK DVD BREACH - 5657561

17. 1.00 STK Fototoestel CANON POWER SHO - 5657562

18. 15.00 STK Cd-Rom - 5657564

De rechtbank is ten aanzien van de voorwerpen onder 8, 9, 10 en 14 van oordeel dat deze dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
Deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De overige voorwerpen zullen - zoals in de beslissing is weergegeven – worden teruggegeven aan verdachte dan wel aan zijn partner [naam 20] .

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.1.

De vorderingen

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert totaal € 21.543,27 aan schadevergoeding, bestaande uit € 1.453,27 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partij [benadeelde 6] vordert totaal € 4.177,21 aan schadevergoeding, bestaande uit € 177,21 aan materiële schadevergoeding en € 4.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 5] vorderen € 4.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partijen [benadeelde 3] vordert € 7.500,- aan immateriële schadevergoeding.

Alle benadeelde partijen hebben verzocht om de wettelijke rente toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij op het volgende standpunt.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] dient gedeeltelijk te worden toegewezen tot een bedrag van € 8.953,77. Het overige deel moet niet-ontvankelijk worden verklaard.


De vordering van benadeelde partij [benadeelde 6] dient geheel te worden toegewezen, te weten een bedrag van € 4.177,21.

De vordering van benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 5] dienen geheel te worden toegewezen, te weten voor beide benadeelden een bedrag van €4.000,-.


De vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 3] dient gedeeltelijk te worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-. Het overige deel moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van alle vorderingen acht de officier van justitie de verzochte wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op zijn plaats.

10.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – onder verwijzing naar jurisprudentie zoals opgenomen in haar pleitnota – zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen ten aanzien van de gevorderde immateriële schade aanzienlijk gematigd dienen te worden.

10.4.

Het oordeel van de rechtbank

De vorderingen van de benadeelde partijen zien – gelet op de onderbouwing – in overwegende mate op een aantasting van de eer en goede naam als gevolg van het onder 4 tenlastegelegde. De rechtbank zal verdachte voor dit feit ontslaan van alle rechtsvervolging, waardoor de vorderingen om die reden ook niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. De rechtbank komt weliswaar tot een bewezenverklaring van de onder feit 1 ten laste gelegde computervredebreuk, een feit waar de benadeelden [benadeelde 2] en [benadeelde 1] ook slachtoffer van zijn geworden, maar is van oordeel dat nu de vorderingen niet op grond van dat feit zijn onderbouwd, de benadeelden partijen niet ontvankelijk moeten worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36d, 138ab van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde nietig.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezene onder 1 strafbaar.

Verklaart het bewezen onder 4 niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging terzake daarvan.

Het bewezen verklaarde onder 1 levert op:

computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens de gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt en aftapt, meermalen gepleegd


Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 (zestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 32 (tweeëndertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich gedurende de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland, [adres reclassering] , en zich gedurende door de Reclassering Nederland bepaalde periode blijft melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

2. zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij de forensische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsproblematiek;

3. meewerkt aan een middelencontrole en wordt verplicht om na vaststelling van overmatig alcoholgebruik zich in verband met de geconstateerde verslavingsproblematiek te laten behandelen bij de forensische polikliniek van Fivoor of soortgelijke ambulante forensische (verslaving)zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

4. zich inzet voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding;

5. zich houdt aan andere voorwaarden het gedrag betreffende, te weten dat:

- betrokkene zorgt dat hij bereikbaar is voor de reclassering, zijn behandelaren en zijn begeleiders;

- betrokkene de reclassering zicht verschaft op de voortgang van zijn behandeling en begeleiding en de reclassering toestemming verleent om relevante referenten te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn netwerk;

- betrokkene openheid geeft over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en hij meewerkt aan de opbouw van een steunend sociaal netwerk en toestemming verleent tot contactopname met een nieuwe relatie.

6. zich houdt aan andere voorwaarden betreffende cybercrime, te weten dat:

-
betrokkene tijdens het toezicht open is over zijn computergebruik en de reclassering inzicht geeft in zijn online handelen;

- betrokkene meewerkt aan controle van digitale gegevensdragers, om eventueel chatgedrag en ander internetgedrag te kunnen volgen na het bespreken hiervan.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

8. 1.00 STK Computer HEWLETT PACKARD portable - 5657530

9. 1.00 STK Computer DELL - 5657523

10. 1.00 STK Computer COLLER MASTER - 5657526

14. 1.00 STK Zaktelefoon SAMSUNG - 5657543

Gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] van:

2. 5.00 STK Cd-Rom TDK - 5657527

3. 1.00 STK Cd-Rom DVD RW - 5657545

15. 1.00 STK Cd-Rom TDK - 5657555

16. 1.00 STK DVD BREACH - 5657561

17. 1.00 STK Fototoestel CANON POWER SHO - 5657562

18 15.00 STK Cd-Rom - 5657564

Gelast de teruggave aan [naam 20] van:

1. STK USB-stick (memorykaart) - 5657558

4. 1.00 STK Zaktelefoon MOTOROLA - 5657549

5. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) HEMA - 5657554

6. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) HEMA - 5657557

7. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) KRUITVAT - 5657559

11. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) - 5657534

12. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) ICIDU 16G - 5657542

13. 1.00 STK USB-stick (memorykaart) ICIDU - 5657548

Verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in haar vordering.


Verklaart [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. W.H. van Benthem en E.G.M.M. van Gessel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2019.

1 ECLI:NL:HR:2018:2242

2 HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1198