Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2119

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
13/706025-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/706025-16

Datum uitspraak: 15 februari 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2019 (inhoudelijke behandeling) en 15 februari 2019 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21

augustus 2014 tot en met 17 maart 2015 te Zaandam en/of te Amsterdam en/of te Hoofddorp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) (van 3.000 euro en/of 4.000 euro en/of 3.300 euro en/of 2.350 euro en/of 3.500 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

- heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), was en/of

- heeft verborgen en/of verhuld wie (een) voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), voorhanden heeft gehad en/of

- ( een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) (van 3.000 euro en/of 5.850 euro ), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

De rechtbank acht – met de officier van justitie – het ten laste gelegde feit bewezen.

4.1.

Bewijsoverweging

Van misdrijf afkomstig

Verdachte heeft verklaard dat het klopt dat er geldbedragen op zijn bankrekening zijn overgemaakt en dat hij dat geld vervolgens heeft gepind en aan een Turkse man met de bijnaam [bijnaam] heeft afgegeven. Hij zou daarvoor een vergoeding van een paar honderd euro krijgen. Hij was via medeverdachte [medeverdachte 1] met [bijnaam] in contact gekomen en had aan hem zijn rekeningnummer gegeven. [bijnaam] zou iemand bellen die geld zou storten, verdachte zou bij de bank het geld van de rekening halen en buiten de bank het geld aan [bijnaam] overdragen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld dat op zijn bankrekening werd gestort van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft immers aan iemand die hij niet of nauwelijks kent zijn rekeningnummer gegeven, waarna er vervolgens geld op zijn bankrekening werd gestort. Vervolgens heeft hij het geld contant opgenomen en afgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij zich al die tijd al afvroeg waar het geld toch vandaan kwam, maar heeft vervolgens onvoldoende onderzoek verricht naar het op zijn rekening gestorte geld. Onder deze omstandigheden is sprake van voorwaardelijk opzet dat het geldbedrag dat op zijn bankrekening is gestort van misdrijf afkomstig was.

4.2.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

in de periode van 21 augustus 2014 tot en met 11 september 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

- van voorwerpen, te weten geldbedragen van 3.000 euro en 4.000 euro en 3.300 euro en 2.350 euro en 3.500 euro, de werkelijke aard, de herkomst en de vindplaats heeft verborgen en heeft verhuld en

- heeft verhuld wie de rechthebbende op voorwerpen, te weten voornoemde geldbedragen, was en

- heeft verhuld wie voorwerpen, te weten voornoemde geldbedragen, voorhanden heeft gehad en

- voorwerpen, te weten geldbedragen van 3.000 euro en 5.850 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen,

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 15 dagen. Bij de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan één jaar.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich, door middel van het ter beschikking stellen van zijn bankrekening en het opnemen van het gestorte geldbedrag, schuldig gemaakt aan witwassen. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en het draagt bij aan de instandhouding van criminaliteit. Witwassen dekt namelijk onderliggende strafbare feiten af en realiseert de mogelijkheid van geldelijke beloning voor die strafbare feiten. Verdachte heeft daaraan een bijdrage geleverd. Hoewel de rechtbank verdachte als medepleger beschouwt, ziet zij een aanmerkelijk verschil tussen zijn rol en die van [bijnaam] , die door de rechtbank is geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 2] . Verdachte had een kleinere rol en heeft in geringe mate geprofiteerd van het witwassen, nu hij slechts een klein deel van het bedrag voor zijn handelen heeft ontvangen.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 11 december 2018. Daaruit volgt dat geen sprake is van eerdere veroordelingen.

Er is geen specifiek LOVS-oriëntatiepunt met betrekking tot witwassen. Het oriëntatiepunt Fraude is van toepassing verklaard op witwassen, indien dit in een frauduleuze context heeft plaatsgevonden. Witwassen wordt, net als fraudedelicten, ernstiger en stafwaardiger naarmate de bedragen waar het om gaat hoger worden. De rechtbank gaat uit van een benadelingsbedrag van € 16.150,-, zijnde het totaal van het op de rekening van verdachte gestort bedrag. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden of een taakstraf passend en geboden is. De strafeis van de officier van justitie sluit daar niet bij aan.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat in deze strafzaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. De redelijke termijn is in dit geval beginnen te lopen vanaf het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld, te weten 17 maart 2015. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 15 februari 2019 – ligt een periode van bijna vier jaar. Deze overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee jaar is niet wijten aan de verdediging. Overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) wordt bij een dusdanige overschrijding worden gehandeld naar bevind van zaken. De rechtbank zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn afwijken van het uitgangspunt tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf, en aan verdachte een geldboete opleggen. Daarbij wordt vanwege de ernst van het feit en het benadelingbedrag een hogere geldboete opgelegd dan door de officier van justitie gevorderd.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een geldboete van € 1.500,- (duizend vijfhonderd euro) passend en geboden is.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

De vordering van [naam winkel]

De benadeelde partij [naam winkel] vordert € 8.970,15 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De kosten bestaan uit een onterecht overgemaakt geldbedrag van € 5.850,-, verlies van salaris van € 1.750,-, accountantskosten van € 620,15, en rente van een lening ter hoogte van € 250,-.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering gedeeltelijk hoofdelijk wordt toegewezen, te weten tot een bedrag van € 6.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het overige deel dient niet ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding hoofdelijk en tot een bedrag van in totaal € 5.850,- (vijfduizend achthonderdvijftig euro) dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (22 augustus 2014) tot aan de dag van algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam winkel] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 5.850,- (vijfduizend achthonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (22 augustus 2014) tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 68 (achtenzestig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

9.2.

De vordering van [naam bedrijf]

De benadeelde partij [naam bedrijf] vordert € 3.000,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De kostenpost bestaat uit een onterecht overgemaakt geldbedrag van € 3.000,-.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering in zijn geheel hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom hoofdelijk worden toegewezen, te weten een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (21 augustus 2014) tot aan de dag van algehele voldoening.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam bedrijf] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (21 augustus 2014) tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 40 (veertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 24, 24c, 36f, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 25 (vijftien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht op de geldboete in mindering gebracht zal worden, naar de maatstaf van € 50 per dag.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam winkel]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam winkel] gedeeltelijk en hoofdelijk toe, tot een bedrag van € 5.850,- (vijfduizend achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 augustus 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam winkel] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, ten behoeve van het slachtoffer [naam winkel] , aan de Staat te betalen de som van € 5.850,- (vijfduizend achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (22 augustus 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 68 (achtenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam bedrijf]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam bedrijf] hoofdelijk toe, tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 augustus 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam bedrijf] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, ten behoeve van het slachtoffer [naam bedrijf] , aan de Staat te betalen de som van € 3.000,- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (21 augustus 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 (veertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Dekkers, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 februari 2019.