Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2117

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
01-04-2019
Zaaknummer
13/057114-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontuchtige handelingen met slachtoffer die leeftijd twaalf jaar, maar nog niet van zestien jaar hadden bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/057114-18 (Promis)

Datum uitspraak: 1 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H. Boersma en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.A. Segbedzi naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort samengevat ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. het in de periode van 8 oktober 2004 tot en met 8 oktober 2008 plegen van ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met [persoon 1] , die toen de leeftijd van twaalf jaar, maar nog niet die van zestien jaar had bereikt;

2. het in de periode van 6 mei 2005 tot en met 31 december 2006 plegen van ontuchtige handelingen, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met [persoon 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaar, maar nog niet die van zestien jaar had bereikt.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Omdat aan deze formele eisen is voldaan, kan de rechtbank de zaak inhoudelijk beoordelen.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden veroordeeld voor de ontuchtige handelingen met slachtoffers [persoon 1] (feit 1) en [persoon 2] (feit 2). De officier van justitie stelt – kort gezegd – dat de verklaringen van beide aangeefsters betrouwbaar zijn en dat het dossier voldoende steunbewijs bevat dat de concrete context uit de aangiften ondersteunt.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – onder verwijzing naar haar pleitnota – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De aangiftes zijn onbetrouwbaar en steunbewijs ontbreekt.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsoverwegingen


Betrouwbaarheid verklaringen aangeefsters

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaringen van aangeefsters [persoon 1] en [persoon 2] op onwaarheden berusten en daarmee onbetrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt hierover het volgende.


Het dossier bevat onder meer de volgende verklaringen van aangeefsters.

Aangeefster [persoon 1] verklaart dat zij op twaalfjarige leeftijd is begonnen met dansles bij verdachte. Verdachte gaf haar al snel complimenten en naar aanleiding van de danslessen heeft zij na iets meer dan een maand haar telefoonnummer aan verdachte gegeven. Aangeefster verklaart dat zij vervolgens na een aantal weken een telefoontje van verdachte kreeg waarin hij aangaf zich tot haar aangetrokken te voelen en hij aangeefster bij hem thuis uitnodigde. [persoon 1] verklaart dat zij naar zijn woning in de [plaats] is gegaan en dat zij daar met verdachte heeft gezoend en zij – nadat verdachte een pornofilm had opgezet – orale seksuele handelingen bij hem heeft verricht. Daarna hadden [persoon 1] en verdachte gedurende een lange periode contact, waarbij er steeds sprake was van seksuele handelingen. Aangeefster verklaart dat verdachte haar na ongeveer twee á drie maanden heeft ontmaagd. De seksuele relatie is begonnen toen zij twaalf jaar oud was en heeft geduurd tot het moment dat zij bijna zestien jaar oud was. [persoon 1] verklaart dat zij met klasgenoot [persoon 3] en een vertrouwenspersoon van school over de relatie met haar dansleraar heeft gesproken. [persoon 1] geeft daarnaast een gedetailleerde omschrijving hoe de woning van verdachte er volgens haar uit zag.

Aangeefster [persoon 2] verklaart dat zij in 2005 via de dansschool met verdachte in contact is gekomen. Op een gegeven moment zijn er telefoonnummers uitgewisseld waarna er sms-contact is ontstaan. [persoon 2] verklaart dat zij op vijftienjarige leeftijd voor het eerst met verdachte heeft gezoend. Drie weken tot een maand na het zoenen is aangeefster naar de woning van verdachte gegaan. Deze lag in de buurt van metrohalte [plaats] . Aangeefster verklaart vervolgens dat zij tijdens haar eerste bezoek aan de woning door verdachte is ontmaagd. Daarnaast verklaart aangeefster dat zij en verdachte elkaar regelmatig zagen en dat zij vele seksuele handelingen hebben verricht. Eénmaal stond er een pornofilm op toen aangeefster bij verdachte thuis kwam. Uiteindelijk is de relatie abrupt beëindigd toen zij zestien jaar oud was. [persoon 2] verklaart dat zij destijds met een vriendin, [persoon 4] , over de relatie met haar dansleraar heeft gesproken. [persoon 2] geeft daarnaast een omschrijving hoe de woning van verdachte er volgens haar uit zag.

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de geloofwaardigheid en juistheid van de verklaringen van aangeefsters [persoon 1] en [persoon 2] . Zij hebben duidelijk en gedetailleerd verklaard en de verklaringen bevatten niet slechts beschuldigende en negatieve uitlatingen over verdachte. Beide aangeefsters hebben zich ook kwetsbaar opgesteld door te verklaren dat zij destijds verliefd waren op verdachte en dat zij het geweldig vonden dat hij – als de dansleraar op wie alle meisjes verliefd waren – hen uitkoos als degene met wie hij een relatie wilde. De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefsters ieder voor zich betrouwbaar en merkt daarbij op dat verdachte – die zich ten aanzien van het ten laste gelegde bij voortduring op zijn zwijgrecht heeft beroepen - zelf de inhoud van die verklaringen op geen enkele wijze heeft weersproken.

Steunbewijs

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het dossier voldoende steunbewijs bevat voor wat de aangeefsters verklaren. De vraag of in zaken als de onderhavige aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan laat zich niet – zo blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt – in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Naast de aangeefsters zijn er geen getuigen die de seksuele/ontuchtige handelingen hebben waargenomen. Het dossier bevat – zoals vaker in zedenzaken – vooral verklaringen van de aangeefsters en personen uit hun omgeving. De rechtbank is evenwel van oordeel dat er voldoende steunbewijs aanwezig is voor de beiden aangiften en overweegt het navolgende.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] dat zij dansles van verdachte hebben gehad worden bevestigd door anderen. Getuige [vader van persoon 1] , de vader van aangeefster [persoon 1] , bevestigt dat [persoon 1] als 12-jarig meisje danslessen is gaan volgen bij [dansschool] , de dansschool waarvan verdachte volgens zijn eigen verklaring ter zitting reeds 20 jaar eigenaar is. Getuige [persoon 5] bevestigt dat [persoon 2] als kind danslessen bij verdachte heeft gevolgd.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat getuigen [persoon 3] en [persoon 6] verklaren dat [persoon 1] in de ten laste gelegde periode aan hen heeft verteld dat zij een seksuele relatie had met haar dansleraar. Bovendien bevestigen zij de verklaring van [persoon 1] dat [persoon 6] – vertrouwenspersoon van [persoon 1] op school – tegen de afspraak met [persoon 1] in aan haar ouders heeft verteld over de seksuele relatie met de dansleraar en dat [persoon 1] toen ontzettend boos was op [persoon 6] .

Hetzelfde geldt voor getuige [persoon 4] en getuige [persoon 7] ten aanzien van aangeefster [persoon 2] . Getuige [persoon 4] en getuige [persoon 7] verklaren dat [persoon 2] hen in de tenlastegelegde periode heeft verteld over de seksuele relatie met de dansleraar. Getuige [persoon 4] , een toenmalige vriendin van [persoon 2] , bevestigt dat zij destijds tegen [persoon 2] heeft gezegd dat zij het verkeerd vond. Verder verklaart zij dat zij naar hun docent [persoon 7] is gestapt en hem heeft verteld over de relatie met de dansleraar.

Alhoewel bij de getuigen [persoon 3] , [persoon 6] , [persoon 4] en [persoon 7] strikt genomen sprake is van een verklaring uit één bron, de getuigen hebben het immers van aangeefsters zelf vernomen, is de rechtbank van oordeel dat - gegeven de omstandigheid dat aangeefsters dit aan de getuigen hebben verteld in een periode waarin zij nog positief tegen de relatie met verdachte aankeken - deze verklaringen ondersteuning bieden voor de beide aangiftes.

De rechtbank wijst voorts op de verklaringen die aangeefsters hebben gegeven met betrekking tot de woning van verdachte. Aangeefster [persoon 1] verklaart zeer gedetailleerd over de woning van verdachte, in het bijzonder met betrekking tot de pianotoetsen op het behang in de slaapkamer. Dit komt overeen met de beschrijving en de foto’s van de woning die de politie in het proces-verbaal van bevindingen over de woning van verdachte heeft opgenomen. Aangeefster [persoon 2] geeft een algemenere beschrijving van de aanwezige kamers en indeling, maar ook deze beschrijving komt overeen met de woning van verdachte. Hieruit kan worden afgeleid dat aangeefsters daadwerkelijk in de woning van verdachte zijn geweest, wat ondersteuning biedt aan hun verklaringen over wat zich daar heeft afgespeeld.

Het dossier bevat daarmee in andere bronnen – de zojuist besproken getuigenverklaringen en de bevindingen omtrent de woning van verdachte – op meerdere onderdelen van de verklaringen van aangeefsters een bevestiging van de concrete context waarin de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden. Daarbij is sprake van verklaringen en bevindingen die geschikt zijn als controlemiddel ter verificatie van de verklaringen van aangeefsters. Er wordt immers steun gegeven aan verschillende details die in de verklaringen van aangeefsters naar voren komen. Het is overigens niet vereist dat de details rechtstreeks betrekking hebben op de delictgedraging en de betrokkenheid van verdachte bij die gedraging om te kunnen dienen als steunbewijs.

Schakelbewijs
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat sprake is van schakelbewijs. Het gebruik van schakelbewijs is toelaatbaar indien de rechter voor het bewijs van een feit gebruik maakt van de bewezenverklaring van een ander feit en/of de daaraan ten grondslag gelegde bewijsmiddelen in het geval de modus operandi die de verdachte bij die feiten heeft gehanteerd in essentie dezelfde is. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in de aangiften genoemde handelwijze van de verdachte en de context waarbinnen dit heeft plaatsgevonden, geconcludeerd kan worden dat de uit de bewijsmiddelen blijkende handelingen met betrekking tot de feiten op essentiële onderdelen kenmerkende overeenkomsten vertonen. Uit de te bezigen bewijsmiddelen blijkt immers het volgende. Verdachte is dansleraar en komt via zijn dansschool in contact met de slachtoffers. Verdachte wint hun vertrouwen, maakt complimenten, zoekt vervolgens telefonisch contact met hen op en nodigt hen uit om bij zijn woning langs te komen. In de woning van verdachte worden direct seksuele handelingen verricht. Opvallend is daarnaast dat beide slachtoffers ook verklaren dat hen op enig moment een pornofilm is getoond en dat verdachte bij hen heeft gezinspeeld op hoe de relatie zou kunnen zijn als de slachtoffers 18 jaar waren.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de te bezigen bewijsmiddelen met betrekking tot feit 1 en feit 2 elkaar over en weer versterken en ondersteunen en dus telkens mede redengevend zijn voor het bewijs van de feiten.

Leeftijd aangeefster [persoon 2] .
De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 2 aangevoerd dat onvoldoende vast staat dat aangeefster [persoon 2] ten tijde van de ten laste gelegde seksuele handelingen de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt. De rechtbank verwerpt het verweer. Zoals reeds overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van [persoon 2] betrouwbaar wordt geacht. In deze verklaring komt naar voren dat de seksuele handelingen met verdachte hebben geduurd tot haar zestiende verjaardag. Daarnaast verklaart aangeefster dat zij op haar veertiende jaar voor het eerst met iemand had gezoend, zij vervolgens in mei van dat jaar vijftien jaar werd en kort daarna met verdachte heeft gezoend. De eerste seksuele handelingen vonden vervolgens drie weken tot een maand later plaats. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden toen [persoon 2] de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt. De bewezenverklaarde periode zal wel worden ingekort tot 6 mei 2006, de datum waarop [persoon 2] zestien jaar is geworden.

Conclusie

De rechtbank acht de verklaringen van aangeefsters [persoon 1] en [persoon 2] betrouwbaar. De verklaringen van beide aangeefsters worden over en weer gebruikt als steunbewijs van de bewezenverklaarde feiten en worden daarnaast ondersteund door overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen die de concrete context waarin de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden bevestigen. Aldus is voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat de verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op meerdere tijdstippen in de periode van 8 oktober 2004 tot en met 8 oktober 2008 te Amsterdam, met [persoon 1] , geboren in het jaar 1992, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [persoon 1] , hebbende verdachte meerdere malen met zijn mond/tong en/of met zijn penis en/of met een voorwerp, het lichaam van die [persoon 1] oraal en/of vaginaal gepenetreerd;

2.

op meerdere tijdtippen in de periode van 6 mei 2005 tot en met 6 mei 2006 te Amsterdam, met [persoon 2] , geboren in het jaar 1990, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [persoon 2] , hebbende verdachte meerdere malen met zijn mond/tong en/of met zijn penis het lichaam van die [persoon 2] oraal en/of vaginaal gepenetreerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zesendertig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte als bijzondere voorwaarde van het recht wordt ontzet om gedurende de proeftijd het beroep van dansleraar voor minderjarigen uit te oefenen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte en de omstandigheid dat de feiten lange tijd geleden hebben plaatsgevonden. Daarnaast wordt verzocht om geen beroepsverbod op te leggen. Dit zou zware gevolgen voor verdachte en zijn medewerkers met zich meebrengen. Er dient rekening mee te worden gehouden dat het tenlastegelegde meer dan twaalf jaar geleden heeft plaatsgevonden en er in de tussenliggende periode geen andere strafbare feiten hebben plaatsgevonden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage van de reclassering, het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een langere periode een seksuele relatie gehad met twee minderjarige meisjes die hij via zijn dansschool heeft leren kennen. Verdachte heeft het initiatief genomen tot het aangaan van deze relatie door telefonisch contact met hen op te nemen en hen bij hem thuis uit te nodigen. Op het moment dat de relaties begonnen waren de slachtoffers respectievelijk twaalf en vijftien jaar, terwijl verdachte op dat moment boven de veertig was. Verdachte heeft de lichamelijke contacten met de slachtoffers vervolgens snel uitgebouwd tot volledige seksuele gemeenschap en heeft omstandigheden gecreëerd zodat deze seks regelmatig kon plaatsvinden. Dat de slachtoffer ten tijde van de feiten gevoelens voor verdachte hadden en daardoor vrijwillig hebben meegewerkt aan zijn behoeften doet niets af aan het strafbare karakter van zijn handelen. Beide slachtoffers verkeerden vanwege hun jonge leeftijd immers in een kwetsbare positie en waren niet of minder in staat om aan het handelen van verdachte weerstand te bieden. Zij hadden – gevoelens voor verdachte of niet – nooit met het gedrag van verdachte geconfronteerd mogen worden. Verdachte heeft de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers geschonden en hun seksuele ontwikkeling verstoord. Hij heeft er aan bijgedragen dat de slachtoffers zich isoleerden van hun vrienden en familie en in psychische problemen kwamen.

In de geschonden strafbepaling, artikelen 245 van het Wetboek van Strafrecht, staat de bescherming van minderjarigen centraal. Minderjarigen moeten zich veilig kunnen ontwikkelen op seksueel gebied. Daartoe dienen zij ook beschermd te worden tegen zichzelf, aangezien zij de gevolgen op lange termijn niet kunnen overzien. De inbreuk die verdachte heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffers kan een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruisen. Dat een dergelijke inbreuk langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke ontwikkeling en de geestelijke gezondheid van het slachtoffer is een feit van algemene bekendheid. Om die reden heeft de wetgever ervoor gekozen het plegen van seksuele/ontuchtige handelingen met jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren strafbaar te stellen, ook wanneer dit met wederzijds goedvinden plaatsvindt.


De gevolgen die het handelen van verdachte op het leven van de slachtoffers heeft gehad en in de toekomst wellicht nog zal hebben, zijn aan verdachte te verwijten. Door de slachtoffers is dit tijdens de terechtzitting ook treffend onder woorden gebracht. Verdachte had beter moeten weten, maar hij heeft zich enkel laten leiden door de bevrediging van zijn eigen behoeften. De nadelige gevolgen en de (emotionele) schade voor de slachtoffers hebben verdachte er niet van weerhouden om toe te geven aan deze behoeften.

De rechtbank constateert dat blijkens zijn Justitiële Documentatie van 23 maart 2018 verdachte niet eerder is veroordeeld vanwege soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte zowel bij de politie als bij het onderzoek ter terechtzitting geen vragen heeft willen beantwoorden over de ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft daarmee geen inzicht willen geven in zijn beweegredenen die tot het plegen van het bewezenverklaarde hebben geleid. Daarnaast heeft verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden, noch berouw of mededogen getoond in de richting van zijn slachtoffers.

De rechtbank heeft acht geslagen op een reclasseringsadvies van 27 juni 2018. De reclassering heeft gerapporteerd dat een delict-analyse en het vaststellen van risicofactoren wordt bemoeilijkt door de ontkennende houding van verdachte. De reclassering adviseert om aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De rechtbank stelt – op grond van de houding van verdachte bij de reclassering, de politie en bij het onderzoek ter terechtzitting – vast dat verdachte niet open staat voor hulpverlening en ziet daarom geen reden om een deel van straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewezenverklaarde feiten, in combinatie met de (proces)houding van verdachte, zodanig ernstig dat daarop niet anders kan worden gereageerd dan met een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit is ook tot uitdrukking gebracht in de Amsterdamse oriëntatiepunten, waarin het oriëntatiepunt voor seksuele gemeenschap met een kind gedurende een langere periode een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie à vier jaren is. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij deze oriëntatiepunten en bij wat in andere zaken bij soortgelijke feiten wordt opgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met het tijdsverloop sinds het plegen van de feiten. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van de tijd die in verzekering is doorgebracht, passend en geboden is.

Beroepsverbod

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer (minderjarige) personen. Verdachte is nog altijd werkzaam als dansleraar en geeft daarbij ook les aan minderjarigen. De reclassering heeft in haar rapport van 27 juni 2018 kenbaar gemaakt dat het zorgelijk is dat verdachte blijkens zijn eigen verklaring ter zitting nog altijd met minderjarigen werkt en merkt dat als risicofactor aan. De rechtbank sluit zich daarbij aan en is van oordeel dat verdachte zich inderdaad nog altijd in een positie begeeft waarin hij in een ongelijkwaardige relatie tot zijn leerlingen, waaronder zich ook minderjarigen bevinden, staat. Zoals overwogen heeft verdachte geen inzicht gegeven in zijn handelen en tevens geen verantwoordelijkheid genomen. In bovengenoemde omstandigheden acht de rechtbank recidivegevaar aanwezig, reden waarom tevens wordt bepaald dat verdachte voor de duur van vijf jaar van het recht wordt ontzet het beroep van dansleraar voor minderjarigen uit te oefenen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

De vorderingen

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 2.262,- aan materiële schadevergoeding en € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De materiële schadevergoeding bestaat uit de volgende schadeposten:
- het eigen risico over de jaren 2013 tot en met 2018: € 2.240,-

- reiskosten: € 22,-.

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 2.454,82,- aan materiële schadevergoeding en € 12.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De materiële schadevergoeding bestaat uit de volgende schadeposten:
- het eigen risico over de jaren 2012, 2017 en 2018: € 990,-

- reiskosten: € 22,-.
- factuur psychologische zorg: € 1.262,82
- eigen bijdragen psychologische zorg in 2012: € 180,-

9.2.

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen tot schadevergoeding integraal zullen worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit op grond waarvan de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen moeten worden verklaard in hun vorderingen. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard vanwege een onevenredige belasting van het strafproces. De causaliteit met betrekking tot de gevorderde schade is niet eenvoudig vast te stellen en ten aanzien van het eigen risico zijn de vorderingen niet goed onderbouwd. Meer subsidiair is aangevoerd dat de vorderingen dienen te worden gematigd.

9.4.

Het oordeel van de rechtbank

9.4.1.

Ten aanzien van benadeelde partij [persoon 1]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is door de verdediging betwist. Aangevoerd is dat de causaliteit niet kan worden vastgesteld en dat de vordering voor het gevorderde eigen risico onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank constateert dat uit de bij de vordering overgelegde brief van psychiater M. van Leeuwen van 12 december 2018 genoegzaam blijkt dat [persoon 1] in ieder geval in 2013 en in 2018 onder psychiatrische behandeling heeft gestaan als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht het dan ook voldoende aannemelijk dat in deze jaren het eigen risico is aangewend voor deze behandeling. Uit de stukken blijkt echter niet dat [persoon 1] ook in 2014 tot en met 2017 onder behandeling heeft gestaan en dat zij hiervoor kosten heeft moeten maken. De door [persoon 1] gevorderde reiskosten ten bedrage van € 22,- acht de rechtbank wel weer voldoende onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen, te weten tot een bedrag van € 755,-, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal de ingangsdatum van deze rente – schattenderwijs – bepalen op 1 januari 2016, zijnde de datum gelegen in het midden van de het moment waarop de materiële schades zijn ontstaan. Ten aanzien van het meer aan materiële schade gevorderde is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit in haar eer of goede naam is aangetast, ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2008, zijnde de einddatum van de bewezenverklaarde pleegperiode. Ten aanzien van het meer gevorderde is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 bewezen geachte is toegebracht.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van [persoon 1] op een bedrag van € 13.255,00 (zegge dertienduizend tweehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 755,- vanaf 1 januari 2016 en de wettelijke rente over een bedrag van € 12.500,- vanaf 8 oktober 2008 tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van honderd één dagen.

9.4.2.

Ten aanzien van benadeelde partij [persoon 2]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is door de verdediging betwist. Aangevoerd is dat de causaliteit niet kan worden vastgesteld en dat de vordering voor de gevorderde eigen risico onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank verwerpt het verweer en oordeelt dat uit de bij de vordering en ter zitting overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat [persoon 2] in 2012, 2017 en 2018 onder psychologische behandeling heeft gestaan als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht het dan ook voldoende aannemelijk dat in deze jaren het eigen risico is aangewend voor deze behandeling en dat zij daarnaast de door haar gevorderde eigen bijdrages heeft moeten betalen. De rechtbank acht tevens de door [persoon 2] gevorderde reiskosten ten bedrage van € 22,- redelijk en voldoende onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen, te weten tot een bedrag van € 2.454,82,-, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal de ingangsdatum van deze rente – schattenderwijs – bepalen op 1 juli 2015, zijn de datum gelegen in het midden van de periode waarin de gevorderde kosten zijn gemaakt.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit in haar eer of goede naam is aangetast, ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 7.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2006, zijnde de einddatum van de bewezenverklaarde pleegperiode.

Ten aanzien van het meer gevorderde is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 2 bewezen geachte is toegebracht.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van [persoon 2] op een bedrag van € 9.954,82 (zegge negenduizend negenhonderdvierenvijftig euro en tweeëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.454,82,- vanaf 1 juli 2015 en de wettelijke rente over een bedrag van € 7.500,- vanaf 6 mei 2006 tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van vierentachtig dagen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 28, 36f, 57, 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ontzet verdachte van de uitoefening van het beroep van dansleraar voor minderjarigen, voor de duur van 5 (vijf) jaren, ingaande nadat verdachte de gevangenisstraf heeft uitgezeten.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 1] en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van [persoon 1], tot een bedrag van € 13.255,00 (zegge dertienduizend tweehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 755,- vanaf 1 januari 2016 en de wettelijke rente over een bedrag van € 12.500,- vanaf 8 oktober 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 13.255,00 (zegge dertienduizend tweehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 755,- vanaf 1 januari 2016 en de wettelijke rente over een bedrag van € 12.500,- vanaf 8 oktober 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [persoon 1] . Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 101 (honderd één) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 2] en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van [persoon 2] , tot een bedrag van € 9.954,82 (zegge negenduizend negenhonderdvierenvijftig euro en tweeëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.454,82 vanaf 1 juli 2015 en de wettelijke rente over een bedrag van € 7.500,- vanaf 6 mei 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 9.954,82 (zegge negenduizend negenhonderdvierenvijftig euro en tweeëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.454,82 vanaf 1 juli 2015 en de wettelijke rente over een bedrag van € 7.500,- vanaf 6 mei 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [persoon 2] . Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 84 (vierentachtig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Dekkers, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 februari 2019.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

5

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]


[...]

[...]